Waar blijft de ziel? van Bert Keizer

boekbespreking, september 2012

Bert Keizer geeft in dit boekje een schets van de geschiedenis van de ziel. Hij is verpleeghuisarts, maar ook filosoof en schrijft vooral in die hoedanigheid. De specialist op Wittgenstein hanteert graag een beschrijving van deze filosoof: "Het menselijk lichaam is het beste beeld van de menselijke ziel."

Eerst schrijft hij over de bezielde wereld van lang geleden toen aardbevingen, overstromingen enzovoort werden toegeschreven aan goddelijke natuuronderdelen en aan goden.
Vanaf de Grieken wordt dan onze verdere geestesgeschiedenis gekenmerkt door een geleidelijke verwijdering van alle bezieldheid uit de wereld om ons heen, met als eindresultaat het denken van Descartes, die vond dat alleen wij mensen een ziel hebben. Ooit leefde de stof, maar sinds Descartes is de wereld dode stof. Dieren hebben geen ziel, dat zou een vlag op een modderschuit zijn.

Ergens in deze geschiedenis ontstond, zoals dat bij Plato te merken is, het idee van de onsterfelijke ziel, een idee dat in vele godsdiensten werd opgenomen. Descartes verklaart de ziel als totaal onafhankelijk van het lichaam, die niet ten onder gaat als het lichaam sterft. Zelfs Wittgenstein kan het dualisme niet oplossen, zegt Keizer.

Ook de onafhankelijke menselijke ziel staat sinds geruime tijd onder vuur en ook Keizer ziet geen onsterfelijke ziel in de mens. Zelfs zegt hij: waar het brein verdwijnt, daar verdwijnen wij ook. Toch vindt hij dat de geest niet begraven kan worden in de neuronen. Geestelijk en stoffelijk zijn te onderscheiden zaken. Zijn ervaring als verpleeghuisarts komt hem zeer van pas als hij het over de-mentie heeft: ontgeesting.
"Op een of andere wijze wordt ons geestelijk leven voortgebracht door het ingewikkelde breiwerk van de hersenen. Dat breiwerk kan uitgehaald worden en dat betekent een zo ernstige schade aan de ziel dat je kunt gaan twijfelen of er nog wel sprake is van een menselijke ziel."

Toch stelt Keizer dan dat de ziel niet samenvalt met het brein. In navolging van de neurowetenschapper Noë zegt hij dat de ziel iets is dat we doen.
De ziel is niet iets dat in onze hersenen zit of waar dan ook, het is een samenspel tussen brein, lichaam en wereld. Voor 'bewustzijn' heb je, behalve een brein, ook een lichaam en een wereld nodig.
Omdat hij ook dit antwoord nog niet bevredigend vindt, ploetert Keizer nog even verder met het begrip 'bewustzijn'. Een robot doet ook iets in het samenspel van brein, lichaam en wereld, maar is die zich bewust van wat hij doet? Wat beleeft een robot?

Keizer weet dat dualisme een onhoudbaar standpunt is, maar formuleer maar eens een beter… Het wachten is op een nieuw filosofisch talent die de deur komt opendoen. Wij weten het nog niet.

Tot zover een zeer verkort overzicht van het eerste en het laatste deel van dit essay. Interessant is het zeker, helder en betrokken geschreven, ook voor de niet-filosoof.
De eindconclusie is buitengewoon: dat we verder gekomen zijn in onze onwetendheid over de lichaam-ziel verhouding.

Maar deze bescheiden opstelling ontbreekt ten enenmale in het middelste deel. Dat blijkt vol te zitten met venijn naar de hersenwetenschappers die hij verwijt dat ze zich menen te moeten bemoeien met het lichaam-ziel probleem zonder kennis van de filosofie. Hij scheldt ze uit voor neurosofen.

Toen Gagarin ooit met grote snelheid door de ruimte zoefde, ver buiten de aardse dampkring, schijnt hij geroepen te hebben: Nergens heb ik God gezien. Dit dan waarschijnlijk met de intentie om te overtuigen dat God dus niet bestaat. Zo lijkt BK tegen de hersenwetenschappers en hun epigonen aan te kijken. Ze kijken in de hersenen en roepen: Nergens zien wij de ziel.

Nu kan het zijn dat er neurowetenschappers zijn die dolgraag de 'ziel' wensen uit te bannen, maar dat de hersenwetenschap als doel heeft om 'ons van de geest af te maken' lijkt me een onhoudbare stelling. Wellicht zou het hen sieren nog eens in alle bescheidenheid te onderstrepen hoe weinig we nog maar echt weten van het 'neuronengesputter'.
Maar je kunt hen niet verbieden om mee te denken over zoiets als bewustzijn, geest of ziel, ook al zouden ze weinig kennis hebben van de boven beschreven filosofie van lichaam en geest.
Vreselijk veel, (alles?) wat men aan het zielenleven toedicht, kan vanuit hersenwerking worden uitgelegd. Zo gek is het niet om je af te vragen wat die ziel dan wel zou zijn, of ik en mijn brein niet één zijn.

De beschrijving van Wittgenstein "Het menselijk lichaam is het beste beeld van de menselijke ziel" vindt Keizer indrukwekkend. Maar wat is het meer dan een dichterlijk aandoende uitspraak. Wat kun je er eigenlijk mee?

Bij het doordenken over dat fenomenale brein, dan kan ik me heel goed voorstellen dat daar al mijn in 65 jaar of meer in neuronen opgeslagen informatie, kennis en ervaringen, daar met elkaar nieuwe prikkels van buiten opvangen en verwerken en die ook weer ergens een plaats geven en dat daaruit conclusies voortvloeien die vervolgens door mijn mond worden uitgesproken. Zo werk ik nu eenmaal. Dat brein, dat ben ik. Als ik iets wil, dan is die wens in mijn hersencellen ontstaan en van daaruit naar buiten gekomen. Wat is daar mis mee?

Een neuron kan niet denken, roept Keizer. Ik denk dat hij gelijk heeft, net zoals één molecuul niet kan koken. Maar miljarden samen kunnen dat wel.
Hij scheldt met het woord neuroreductionist. Maar geen neurowetenschapper zal zo reduceren als Keizer veronderstelt. Hij lijkt een fantoom te bestrijden.

Als ik geniet van iets moois, en dat prettige gevoel is in wezen neuronengesputter, wat dan nog? Is de regenboog minder mooi omdat die ontstaat uit breking van licht in waterdeeltjes? Ja, die regenboog bestond allang voordat de wetenschap de fysische achtergrond beschreef. Zo kan dat ook gaan met psychologische gedragingen. En net als de regenboog niet door God wordt neergezet om ons aan zijn beloften te herinneren, zo kan de hersenwetenschap nogal wat oude misverstanden uit de weg ruimen, bijvoorbeeld over epilepsie, seksuele geaardheid, dementie, misdadige aanleg en veel meer.

Waarom doet Keizer zo boos en zo pathetisch? Als hij zelf toch zegt dat we het eigenlijk niet weten, waarom dan dat trappen naar de hersenwetenschap?
Alleen maar omdat ze niet zo filosofisch geschoold zijn als hijzelf? Ik begrijp zijn boosheid niet.