antiautoritaire opvoeding


GEBRUIKTE LITERATUUR



1969 Tessel Pollmann in De Volkskrant over: Wat er niet deugt aan de maatschappij
1969 Tessel Pollmann in De Volkskrant
1969 Monika Seifert over: THEORIE VAN DE ANTIAUTORITAIRE OPVOEDING
1969 S. J. Redmeijer over: OPVOEDEN TOT KEUZEVRIJHEID
1969 Liesbeth Schuller over: POLITIEK EN OPVOEDING
1969 Harry Teunissen, Nijmegen over: AUTORITAIRE EN ANTIAUTORITAIRE OPVOEDING
1969 Proklamatie Oranje Vrijstaat
1969 Peter Kemps over: OM EEN NIEUWE SAMENLEVING
1969 Algemeen Handelsblad over: Antiautoritaire kindercrèche in De Kosmos
1968 Film: Opvoeden tot Ongehoorzaamheid
1970 Emmy van Overeem in de NRC over: ANTIAUTORITAIR EXPERIMENT
1970 Tessel Pollmann in De Volkskrant: De opvoeding en de de maatschappij
1970 Johanna Fortuin in De groene Amsterdammer over: zien wat je gelooft of geloven wat je ziet
1970 Christel Bookhagen, Eike Hemmer, Jan Raspe, Eberhard Schültz in de Volkskrant over: Kommune II
1970 Tanja Beima in Folio Civitatis over: de start van Prins Konstantijn
1970 VPRO over: KABOUTER - ORANJE VRIJSTAAT
1970 Elizabeth van den Bosch in Elzevier
1970 Jacques Meerman in De Groene Amsterdammer over: de Kresj Prins Konstantijn
1970 E. Warries in in De Nieuwe Linie over de toekomst van het onderwijs.
1970 Barend Wijtman in in De Groene over: Ander Onderwijs, Nieuwe Cultuur
1970 Jac Vroemen in De Nieuwe Linie over: over de antiautoritaire crèche
1970 Jac Vroemen in De Nieuwe Linie over: de crèchebeweging in Amsterdam-Noord
1970 Jacques Meerman in De Groene Amsterdammer over: Antiautoritaire en socialistische opvoeding
1970 Eric van der Hoeven over: Reimut Reiche en de antiautoritaire opvoeding
1970 K. de Boer in Sextant over: NOODZAAK VAN ANTIAUTORITAIRE EN SOCIALISTISCHE OPVOEDING
1970 Tine Schouwenburg-Knigge over: ANTIAUTORITAIRE OPVOEDING EN ONDERWIJSVERNIEUWING
1970 Teunissen & v d Hoeven in Sunschrift over: ANTIAUTORITAIRE EN SOCIALISTIESE OPVOEDING
1970 E. Beyst over: GEVAAR VAN LIBERALISTISCHE OPVOEDING
1970 Economische faculteit Groningen, MANIFEST 'Naar een socialistische economie'
1971 F.W.D. in Trouw over: Een huisvrouw is niet automatisch thuisvrouw
1971 De heilige familie
1972 autoritair of antiautoritair opvoeden? een boek van R GRIGAT & R KEMMLER
1972 SOCIALISTISCHE OPVOEDING. boek, samengesteld door Jacques Meerman
1972 STRUKKEL,1 2 3/4 , strijdschrift over: van anti-autoritaire naar socialistiese opvoeding.
1973 Ferdinand Ruhwandl in PCBO over: KIND EN GEZAG
1974 Jan Buelens en Denise Wijnen. boektitel: Anti-autoritair opvoeden. Analyse en kritiek
1974 Peter van Lieshout in De Groene Amsterdammer over: Het kind duikt weer op uit het badwater.
1974 An W Custers in De Nieuwe Linie over: Vijf jaar antiautoritair opvoeden
1975 Ineke Jungschleger in de NRC-Handelsblad
1975 Herman Kolk (rapporteur) over: Lustrumcongres bij "De Stichting Nijmeegse Kinderkresj"
1975 Marjo van Soest, De Nieuwe Linie
1975 Ton Elias in de NRC over het oprichten van een vereniging voor socialistische opvoeding
1978 VPRO-televisie, brochure over: De "revolutie" van 1968
1995 De Kresj, documentaire van Marije Meerman
2000 Wietske Blokker in het Historisch Nieuwsblad over ANTIAUTORITAIRE OPVOEDING
2002 Gerbert van Loenen in TROUW onder de titel 'Vrije opvoeding leidt niet tot vrije mensen'
2005 De moeder van Barbara
2006 Rein Westerduin, Doctoraalscriptie over: AUTORITATIEVE OPVOEDING
2008 Peter de Haan op internet over: Van anti-autoritair naar a-hiërarchisch
2008 Homma en Hogeboom, afstudeerscriptie bij Chr Hogeschool Windesheim
2010 Tanja Willems, over de antiautoritaire kresj in Groningen
2010 Joske Janszen, de kresj in Wageningen
2010 Antoine Verbij (Berlijn) in Trouw over: Opvoeden in Europa: Duitsland
2010 Micha de Winter in Trouw over: EEN KIND GOED OPVOEDEN HELPT, EEN BEETJE
2010 Sarah Blaffer in Trouw over: Slim, maar niet meer menselijk
2010 Nelleke Noordervliet in Trouw over: opvoeden is moeilijk
2010 Micha de Winter, VERBETER DE WERELD, BEGIN BIJ DE OPVOEDING
2010 Dick Swaab, WIJ ZIJN ONS BREIN
2011 Micha de Winter in Trouw over: DE OUDERS BLIJVEN VERANTWOORDELIJK
2011 Wilma Kieskamp in Trouw over: Heeft de knuffelouder het kind op een te hoog voetstuk gezet?
2011 Frank Furedi, DE TERUGKEER VAN HET GEZAG
2014 Marleen Buwalda over Ellen Luteijn haar boek: Zeg Nee!
2014 Spangenberg, (in TROUW) over STRENGER OPVOEDEN
2014 Sunny side of sex, documentaire van Sunny Bergman
2014 Onze Kresj, documentaire van Marije Meerman
p.m. T. de Vos - van der Hoeven




1970 De VARA zond begin 1970 de documentaire Erziehung zum Ungehorsam (Opvoeding tot ongehoorzaamheid) uit over het opvoedingsexperiment van de West-Berlijnse crèches: kinderen die luidruchtig op een piano dansen, bloot rondrennen, met verf smeren en ruzie maken zonder dat iemand ingrijpt.
De commentaarstem vertelt dat de kinderen hier geen angst hebben voor volwassenen:
“Hun opvoeders laten de kinderen hier vrij en zonder dwang opgroeien. De kinderen kunnen niet ongehoorzaam zijn, aangezien niemand gehoorzaamheid van hen eist.”


1969 juni
Tessel Pollmann in De Volkskrant over: Wat er niet deugt aan de maatschappij:
De maatschappij is autoritair. Mede omdat het gezin autoritair is.
Vader heeft de knoet, moeder is afhankelijk. Kinderen moeten braaf zijn.

OF OPVOEDEN NOG UITSLUITEND BEHOORT TOT DE TAAK VAN HET GEZIN, WORDT IN RADICALE KRINGEN BETWIJFELD
Experimenten willen gezin uit beslotenheid halen.
Iedere maatschappij schept zich het gezinstype dat nodig is om die maatschappij in stand te houden. Vandaar dat linkse lieden die de bestaande maatschappij willen hervormen, zich nu bezig houden met gezin en opvoeding.
De keuze voor een bepaald opvoedingssysteem is altijd ingegeven door de keus voor een bepaalde maatschappijvorm. Daar zijn ze zich bewust van geworden en maken er anderen van bewust.
De maatschappij is wellicht autoritair omdat het gezin autoritair is. De vader heeft een sterk gezag, de moeder is afhankelijk, het kind wordt onderdrukt en opgevoed tot gehoorzaam wezen.


1969 november
Tessel Pollmann in De Volkskrant:
ANTIAUTORITAIRE CRECHE IN WEST-BERLIJN
ZONDAGSSCHOOL VAN DE REVOLUTIE?
Duitse kinderen moeten leren dat ouders geen 'bezit' zijn.
Sociologen zeggen het heel koel: het gezin heeft aan functie verloren. De belangrijkste functie is nu: koesteringsinstituut te zijn. mensen in hun gewone leven denken minder.
Pollmann is in gesprek met Katherine de Fries woont in West-Berlijn en doet mee met de antiautoritaire crèche (kinderladen, want de eerste crèches zaten in verlaten winkels).


1969
Monika Seifert over: THEORIE VAN DE ANTIAUTORITAIRE OPVOEDING
vertaald door Sexmap Tilburg, vertaald uit Konkret
In de traditionele opvoeding bestond de gedachte dat het individuele belang tegengesteld was aan het algemeen belang. Het kind moet dus al vroeg leren afstand te doen van zijn eigen belang, van zijn eigen behoeften, ten behoeve van volwassenen. Kinderen leren zich al vroeg aan te passen. Ze identificeren zich met de opvoeder, leren die te gehoorzamen. Maar dat veroorzaakt agressie die de kinderen onder elkaar gaan uitleven.
Als er al over vernieuwing wordt gesproken, dan betreft dat aanpassing aan nieuwe eisen die de maatschappij stelt. Het gaat niet om de behoeften van het kind. Als men het kind meer en vroeger intellectuele vaardigheden wil bijbrengen, dan is dat niet omdat het kind daar behoefte aan heeft, maar omdat de technische ontwikkelingen in de maatschappij dat van belang achten.
De antiautoritaire opvoeding gaat uit van de vragen van het kind en niet van een extern opgelegd programma. De volwassenen moeten ervan overtuigd zijn dat de behoeften van kinderen bevredigd kunnen worden en dat het gedaan moet worden zonder dwang of straf of sancties. Kinderen zijn nieuwsgierig. Je moet het vragen van kinderen bevorderen, ook door het aandragen van stimuli en uitleg. Het zou ook ideologie zijn te denken dat alles bij kinderen maar zo spontaan ontstaat.
Voor hun moeite mogen volwassenen van de kinderen geen dankbaarheid eisen. De volwassenen moeten hun behoefte aan liefde en waardering bij hun partner en in hun groep vinden, zodat de kinderen zonder schuldgevoelens kunnen vragen om wat ze nodig hebben.


1969
S. J. Redmeijer over: OPVOEDEN TOT KEUZEVRIJHEID
Redmeijer werkt in 1969 op een psychiatrisch instituut voor kinderen en heeft daar een starre structuur doorbroken. Hij bepleit niet dat de kinderen aan hun lot worden overgelaten, een soort laisser fair dus. De kinderen moeten geholpen worden goed met hun vrijheid om te gaan.
Volgens Margaret Mead: Mensen die in grote vrijheid en veilig waren opgevoed, vertonen meer intelligentie en sterkere persoonlijkheid.
We kunnen proberen ons kind op te voeden tot: Goed staatsburger, christelijke deugden, gemeenschapswezen, socialist, communist, democraat, anarchist, pacifist, enz. Wat is het doel van onze opvoeding? Dat heeft direct te maken met onze levenshouding, met ons wereldbeeld, met onze opvattingen.
We moeten opvoeden voor de toekomst. Die maatschappij heeft een plicht tot werken, een plicht tot verantwoordelijkheid, tot dienstbaarheid (ook tot solidariteit?)
Wat voor cultuur je ook hebt, wat voor ideaal ook, opvoeden tot iets zal altijd nodig zijn. als je in de westerse cultuur leeft, voedt je meestal op met de waarden en normen van die cultuur, waarin de rollen en de moraal tamelijk vast liggen.
Opvoeden tot bewuste mens die het leven gaat leiden dat hij wil. Hij is vrij en hoeft alleen zichzelf rekenschap af te leggen. De mens moet bij de opvoeding leren dat hij alleen zijn eigen autoriteit hoeft te aanvaarden en geen andere.
En toch betekent dat niet dat je geen rekening houdt met de ander of dat je geen enkel gezag van een ander zou aanvaarden. Maar jij kiest zelf wanneer je gezag van iemand aanvaart. Steeds moet je opnieuw oordelen en kiezen.
Dit is dus geen pleidooi voor laisser fair. Volledige vrijheid bestaat nergens. Iedere opvoeder kan niet anders dan ook beïnvloeden. Vanuit geborgenheid (waarop het steeds kan terugvallen) wordt het kind gestimuleerd om zelf te ondernemen, te ontdekken, ook van de negatieve kanten van het leven, durft zichzelf te worden.
Alleen de mens die zichzelf kan zijn, kan ook echt solidariteit tonen. Je begint met: "heb uzelf lief" Dan kun je solidair zijn met de ander. De werkelijk veilige zekere mens heeft geen bijval of solidariteit van anderen nodig om te ondernemen wat zijn geweten voorschrijft, maar brengt zelf solidariteit op omdat hij, gespeend van autoritair optreden, de ander als zijn gelijke ziet: uniek éénmalig menselijk wezen.


Meer publicaties uit die tijd:


Liesbeth Schuller over: POLITIEK EN OPVOEDING
Het Duitse weekblad Konkret gaf aanleiding om de term 'antiautoritair' over te nemen en te gebruiken in Nederland. In Duitsland hield bijvoorbeeld Vera Schmidt zich hiermee bezig:
"De omverwerping van het huidige systeem van gezagsverhoudingen en maatschappijstructuur wilde men in de toekomst realiseren. Daartoe moeten ook aan de basis, dus bij de opvoeding van kinderen, veranderingen worden aangebracht. De jonge opvoeders merkten dat zij zich nog (onbewust) lieten afschrikken en manipuleren door bestaande gezagsnormen.
Duitsland loopt voorop met de mening dat deze opvoeding ook een middel is om alternatieven te creëren voor alle bestaande gezagsverhoudingen, dus niet alleen die van ouder-kind.
Deze basisovertuiging kom je bij de Nederlandse opvoeders niet altijd tegen. Soms zien zij de antiautoritaire opvoeding uitsluitend in het licht van: hoe gedraag je je als ouder tegenover je kind.
Ik vind dat we de term antiautoritair moeten gebruiken. We houden ons bezig met een analyse van de bestaande gezagsverhoudingen. We verbinden daaraan de consequentie dat gezagsverhoudingen niet acceptabel zijn en vervangen moeten worden. Zo kom je ook tot de conclusie dat de opvoeding van de kinderen totaal anders moet.
De antiautoritaire opvoeding moet gebaseerd zijn op een nieuwe maatschappij. Die kan alleen verwezenlijkt worden wanneer we niet alleen praktische voorwaarden scheppen, maar ons ook bezig houden met politieke acties.
Het maken van nieuwe methoden van kinderopvoeding is slechts een deelaspect. Als je je daartoe beperkt, zullen de kinderen, als ze in een andere omgeving komen, gefrustreerd raken. Als je echter maatschappelijke acties voert zoals aanvallen op het huidige onderwijs, en daarvoor alternatieven aanvoert, kan het zijn dat je kind daarvan al kan gaan profiteren.
We moeten ons dus in de eerste plaats bezig houden met de analyse van de huidige maatschappij, inclusief haar invloed op het opvoeden. Alleen zo kunnen we nieuwe opvoedingsmethoden ontwikkelen.


Harry Teunissen, Nijmegen over: AUTORITAIRE EN ANTIAUTORITAIRE OPVOEDING
Ik gebruik liever het woord socialistische opvoeding dan antiautoritaire opvoeding. Het is een negatieve naam en er wordt heel veel aangerommeld onder deze naam. Bij socialistische opvoeding weet je waar je aan toe bent.
Een waardenvrije opvoeding bestaat niet. Ook een socialistische opvoeding hanteert waarden. De kinderen, die leren wat de autoritaire maatschappij was, moet de mogelijkheid geboden worden verzetsvormen en strategieën voor verandering te ontwikkelen.
De socialistische opvoeding schept vrije bevrediging van behoeften bij het kind. Daardoor leert het zichzelf te reguleren en wordt zo een autonoom mens.
Essentieel bij de socialistische opvoeding is de liefde. Dat is niet sentimenteel bedoeld, maar wil waardering voor het kind zoals het is. Je beloont niet, je straft niet, je dwingt niet. Het kind moet kunnen doen waar het zelf zin in heeft, zonder dat beloning of straf motieven zijn. De bedoeling is kinderen op te voeden die zonder neurotische misvormingen de maatschappij radicaal gaan veranderen door actief en collectief verzet tegen de autoritaire kapitalistische maatschappij.
Een kind moet dus beetje bij beetje met het autoritaire geconfronteerd worden, zonder dat het er onderdoor gaat. Je stimuleert het kind tot verzet dat past bij zijn leeftijd. Je stimuleert bijvoorbeeld heel sterk de WAAROM vraag van het kind.
Als het kind zes is en naar school gaat, moet je niet verwachten dat het al tot dat alles in staat is. Er moet voor die periode naar een alternatief worden gezocht: Hoe dan ook moet het kind in aanraking komen met de oude autoritaire verhoudingen, anders ervaart het de conflicten niet.


Proklamatie Oranje Vrijstaat
Hoe ontstaat uit de oude maatschappij een nieuwe maatschappij? Als een paddestoel op een rottende boomstronk. Uit de sub-kultuur van de bestaande orde groeit een alternatieve samenleving. De ondergrondse maatschappij van de opstandige jongeren komt boven de grond en gaat, onafhankelijk van de nog heersende autoriteiten, zichzelf sturen. Deze revolutie voltrekt zich nu. Dit is het einde van de underground, van het protest, van het demonstreren; van nu af geven wij onze energie aan de opbouw van een antiautoritaire maatschappij.
Wat wij van de oude maatschappij kunnen gebruiken zullen wij nemen: kennis, socialistiese idealen en het beste van de liberale tradities. De paddestoel van de nieuwe maatschappij voedt zich met de sappen van de rottende boomstronk tot zij vergaan is. De oude maatschappij zal voor onze ogen verslijten; wij zullen haar opgebruiken. Links en rechts zullen de paddestoelen van de nieuwe maatschappij zich uitzaaien. Heksenkringen van kaboutersteden zullen zich federeren tot een wereldomspannend net: De Oranje-Vrijstaat.
Waarom vergaat de oude maatschappij? Omdat zij zichzelf niet kan redden uit haar eigen konflikten. De politieke spanningen tussen de bestaande autoritaire regeringen kunnen elk moment in een militaire katastrofe uitbarsten. De agressie van de officiële technologie en industrie tegenover de natuur breken het biologies miljeu systematies af en zal binnen enkele jaren uitlopen op apokalyptiese rampen. Ongekende epidemieën, voedselvergiftiging en hongersnood, massale sterfte onder dier en mens zijn onafwendbaar wanneer niet de opkomst van een nieuwe kultuur dit voorkomt. Een nieuwe kultuur met een nieuwe mens: de kultuurkabouter, die de spanning tussen de natuur en de oude kultuur zal opheffen. Die de dieren verstaat en de mensen in liefde verenigt, die de eenheid tussen al wat leeft herstellen zal.
De kultuurkabouter in de nieuwe samenleving zal de konflikten van de tot verdwijnen gedoemde, oude maatschappij tot een oplossing moeten brengen. Zijn taak zal het zijn de spanning tussen stad en platteland weg te nemen door een huwelijk tussen stad en platteland, de spanningen tussen 'verantwoordelijke' kommandant en onverantwoordelijke soldaat, tussen autoriteit en onderdaan, tussen regering en volk op te heffen, door de schepping van een nieuwe maatschappij waarin iedereen verantwoordelijkheid heeft en zijn eigen lot bepalen kan, de spanning tussen arbeid en vrije tijd te beëindigen, de spanning tussen rijkdom en armoede te overwinnen door de kollektivisering van het bezit. De kultuurkabouter zal het volkomen huwelijk tussen de tegenstrijdigheden van het oude systeem sluiten.
Dwars door de oude, gevestigde orde heen zal een nieuwe maatschappij zich sturen. Voor het provotariaat is de regering in Den Haag nog slechts een schaduwkabinet, zijn burgemeesters nog maar schaduwburgemeesters, zijn knuppelende politieagenten nog slechts spookverschijningen van een verdwijnend bestaan. Hun wetten, ambtsketenen en knuppels verliezen hun greep op een nieuwe realiteit, die wij kreëren.
De oude maatschappij kan de strijd tegen de nieuwe niet onder kontrole brengen, laat staan winnen. Zij is op eigen kracht onmogelijk in staat de problemen van autoritairisme en natuurverminking op te lossen. Ook de oude maatschappij kan daarom alleen nog gered worden als zij de kenmerken van de nieuwe overneemt. Voor de keus gesteld tussen ondergang en assimilatie met de nieuwe maatschappij is zij ook gedwongen de weg van de lieve revolutie in te slaan. De revolutie heeft haast. De nieuwe maatschappij zal daarom al haar kennis aan sabotage-technieken moeten benutten om de overgang van een autoritaire en vuile maatschappij naar een antiautoritaire en schone maatschappij te bespoedigen.
In feite is het bestaan van een autonome, nieuwe samenleving in het hart van de oude orde de meest effektieve sabotage. Maar welke technieken het volksleger van saboteurs ook aanwendt, steeds zal het er zich van bewust zijn dat ze in niets, in niets, in niets mag lijken op de legers van de oude wereld. De onverantwoordelijke soldaat in de oude legers is het schrikbeeld en het symbool van wat te boven gekomen moet worden voor de verantwoordelijke saboteur van het antiautoritaire volksleger. Zijn sabotage zal daarom ook selektief zijn door een konsekwent streven naar geweldloosheid.
En niet alleen sabotage staat ons ter beschikking. Erotiek en pseudo-erotiek zijn de andere middelen om de nieuwe wereld voor ieder zonder uitzondering te ontsluieren. Hoe zal de nieuwe maatschappij eruit zien? Het zou principieel fout zijn als wij een voltooid beeld van onze nieuwe samenleving zouden willen geven, precies zoals je een nieuwe geliefde niet helemaal kent. Juist het onbekende vormt een beeld van haar aantrekkelijkheid. Maar hoewel de nieuwe geliefde nog verkend moet worden kennen wij haar toch. Zo ook de nieuwe maatschappij. De nieuwe maatschappij wordt niet geregeerd. Zij stuurt zichzelf doordat iedereen betrokken wordt bij de besluitvorming op het gebied van ekonomie, planologie, verdediging, miljeu-hygiëne en alle andere zaken van openbaar belang. Behalve dan bij de politieke besluitvorming want die kan vergeten worden omdat de politici, zoals die nu nog bestaan, zullen verdwijnen. Als iedereen bij de besluitvorming betrokken is, zijn politici overbodig en sterft de politiek, die altijd machtspolitiek was, af.
De nieuwe zichzelf besturende maatschappij is een radendemokratie. In fabrieken, kantoren, universiteiten en scholen vormen zich raden van hen die daar werkzaam zijn. In buurten, dorpen en steden vormen zich raden van hen die daar wonen. Alle raden grijpen in elkaar in koördinerende raden die op nationaal en internationaal nivo problemen kunnen overzien en regelend kunnen optreden. Van brute macht zullen deze overkoepelende raden nooit gebruik maken. Zij zullen dat ook niet hoeven, omdat zij voortdurend onder direkte kontrole staan van kiezers van wie zij strikte opdrachten ontvangen.
De nieuwe maatschappij is socialisties omdat zij het persoonlijk bezit van produktiemiddelen afgeschaft heeft. Maar dit socialisme heeft niets met het burokratiese en gecentraliseerde socialisme van vroeger te maken. Het is gedecentraliseerd en antiautoritair. Het laat zoveel mogelijk beslissingen aan de mensen ter plaatse, in hun verschillende raden, over. Het is niet meer het socialisme van de gebalde vuist, maar van de gestrengelde vingers, van de geërekteerde penis, van de vliegende vlinder, van de ontroerende oogopslag, van de heilige kat. Het is anarchisme.


Peter Kemps over: OM EEN NIEUWE SAMENLEVING
Onze samenleving is ziek. De ziekte uit zich vooral in het feit dat het individu opgevoed wordt tot gehoorzaamheid. De samenleving wil gehoorzame werknemers, gehoorzame ambtenaren en gehoorzame soldaten. En daarbij: gehoorzame kinderen, leerlingen en studenten.
In onze welvarende landen bestaan geraffineerde methoden om de mensen in het gareel te houden. Zo worden ze onderdrukt. Een zo'n methode heet 'vervreemding'. Concurrentie en carrièredwang en woonsituaties, reclame en massamedia houden de mensen van elkaar gescheiden. Een andere methode is de bureaucratie waardoor je je niet kunt verzetten tegen die grote anonieme organisaties. De mensen zijn verworden tot afzetgebied, als consument, met garanties van de verzekeringsmaatschappij en een rekening bij de bank.
Symptomen van de zieke samenleving zijn: milieuvervuiling, oorlogen, echtscheidingen, ongelijke verdeling van goederen. Het gezin is het fundament van deze zieke samenleving. Vader moet de kost verdienen, de vrouw doet het huishouden. In het gezin maakt het kind zich de rolpatronen eigen die later in de maatschappij ook heersen en waarin centraal staat: de gehoorzaamheid. Wordt in dit gezin het kind opgevoed tot zelfstandigheid? Groeit hieruit een mens op dat vrij en gelukkig is, dat kritisch kan denken en anderen geluk brengt?
Er is een diagnose en wellicht een therapie tot beterschap. De antiautoritaire opvoeder beschouwt het kind als een volwaardig mens dat ruimte nodig heeft om zichzelf te ontplooien. Het kind wordt daartoe uitgenodigd, niet gedwongen.
De nieuwe maatschappij begint bij de kinderen, maar tegelijk ook bij hun ouders. Hun solidariteit en idealisme vormen een werkelijk revolutionaire kracht die de bestaande orde dreigt te doorbreken. De bestaande orde is immers gebaseerd op individuele machteloosheid.
Het gaat ook over de gang van zaken op de crèche en over onderwijs.


1970 februari
Algemeen Handelsblad over Antiautoritaire kindercrèche in De Kosmos
In het meditatiecentrum De Kosmos zal begin maart een antiautoritaire kindercrèche gaan functioneren. Een groep geïnteresseerde ouders (tot nu toe voornamelijk studenten) hebben de afgelopen maanden gewerkt aan de theoretische en praktisch he voorbereiding van de crèche. Aanvankelijk meldde men dat het experiment van een antiautoritaire opvoeding in groepsverband zou worden begonnen in een door de Universiteit van Amsterdam reeds eind mei 1969 beschikbaar gesteld pand in de Huidenstraat 19.
In afwachting van een definitieve regeling met de Universiteit over dit pand, dat zal worden verbouwd, besloot de groep, die zich bezighoudt met verwezenlijking van de antiautoritaire crèche, in te gaan op een aanbod van de staf van De Kosmos., in het gebouw aan de Prins hendrikkade alvast een begin te maken met de uitvoering van de plannen.
Tot nu toe zijn twintig kinderen aangemeld voor deze crèche, die over verschillende ruimten van het meditatiecentrum zal worden verspreid. Berekend is, dat elke ouder (of belangstellende), die in het oppas-rouleringssysteem zal worden opgenomen, ongeveer 1 ½ dag per week bij de kinderen in de crèche zal moeten doorbrengen.
De deelnemende ouders zullen bovendien bereid moeten zijn tenminste één avond per week te besteden aan de bespreking van problemen die zich in de relatie tussen kinderen onderling en tussen kinderen en oppassers zullen voordoen - en aan de discussie over literatuur inzake antiautoritaire opvoeding en haar consequenties.
Momenteel wordt nog gewerkt aan de definitieve inrichting, het verzamelen van speelgoed en het oplossen van enkele organisatorische problemen.


1970 februari
Emmy van Overeem in de NRC over: ANTIAUTORITAIR EXPERIMENT
NRC-16-02-70 (211K)

Anti-autoritair experiment

Amsterdam krijgt een anti-autoritaire kindercrèche, na die van Nijmegen de tweede in Nederland. Op 2 maart zullen twintig mensjes van 1 tot 5 jaar het meditatiecentrum De Kosmos aan de Prins Hendrikkade binnen dribbelen om er te beginnen aan een opvoeding die is gebaseerd op theorieën van o.a. Freud, Marx, Marcuse en (de jonge) Wilhelm Reich. Het onderkomen in De Kosmos (voorheen Fantasio) is tijdelijk. De Amsterdamse universiteit zal na de verbouwing een half pand in de Huidenstraat ter beschikking stellen.

Het wordt een experiment. Misschien nog meer voor de ouders dan voor hun kroost. Peuters en kleuters zullen zich kostelijk vermaken; het gesleutel aan hun persoonlijkheidjes levert pas later duidelijke positieve of negatieve gevolgen op. Maar de jonge ouders, meest studentenechtparen, zullen samen waar moeten maken wat ze hun kinderen willen leren: solidariteit.

Proeven met anti-autoritaire opvoeding voor kinderen alleen zijn elders mislukt. De ouders begonnen te klagen dat hun kinderen zo brutaal werden. Daarom doen in Amsterdam de vaders en moeders zelf mee, ieder van hen gaat anderhalve dag in de week naar De Kosmos om bij de kinderen te zijn. Wekelijks komen ze bij elkaar om aan de hand van dagrapporten de relatieproblemen tussen de kinderen onderling en tussen kinderen en oppassers te bespreken en zich op de politieke betekenis van de "kresj" te bezinnen.
De bedoeling is de kleintjes te leren hoe fijn samenwerking is en hoe akelig concurrentie. Ze hoeven niet klakkeloos aan te nemen dat onze maatschappij de beste en enig mogelijke vorm van samenleving is, alles zal worden gedaan om hun kritische vermogens te scherpen. De kinderen mogen verantwoording vragen aan de oppassers en het nergens mee eens zijn, maar ze moeten wel zorgen dat het binnen de groep leefbaar blijft. In plaats van aanpassing "omdat je vader het zegt" komt er aanpassing "omdat de solidariteit het vraagt".
Samen zindelijk worden, samen spelen, samen je rommel opruimen. Omdat het geheel dan beter functioneert. Imitatie speelt hierbij een grote rol, zegt een van de oprichters.

Beer
In Berlijn hebben zij frappante staaltjes gezien van wat met kinderen valt te bereiken. Vechten er daar twee om een speelgoedbeer, dan wordt hen verteld dat het eigenlijk leuker is om er samen mee te spelen. En dat schijnt erin te gaan als koek, hoewel het onvoordelig is voor de berenfabriek.

De ouders van de Amsterdamse crèche willen hun kinderen niet belasten met angst voor hun lichaam. Wat voor een kind in een bepaalde groeifase doodgewoon en gezond is, zal in de 'kresj' niet vies genoemd of verboden worden. De aandacht van een peuter die met zijn keuteltjes wil spelen, kun je ongemerkt afleiden naar alternatief materiaal zoals klei en zand.
Anti-autoritaire opvoeding wil niet alleen vormen tot een kritische houding tegenover ge- en verboden, ze wil de kinderen ook gevoelig maken voor de dwang die van de economische structuur uitgaat. In onze maatschappij leren kinderen op strikt individuele basis vooruit te komen. De ellebogen worden van jongsaf duchtig geoefend, waardoor de totale menselijke ontplooiing nogal eens in de knel komt. Prestatie en wedijver zijn de stimulansen, niet het persoonlijk en collectief geluk. Bij dat geluk hoort genieten van je menszijn, het erkennen en beleven van de lust. Geen oppervlakkige roes, maar de bevrediging van je verlangen naar communicatie 'met de kosmos'.
De anti-autoritaire opvoeders willen de concurrentiefactor zoveel mogelijk uitschakelen. In het gezin heb je volgens hen concurrentie tussen volwassenen en kinderen en tussen grote en kleine kinderen. Daarom komen er in de Amsterdamse crèche groepjes van acht leeftijdsgenootjes. Men hoopt dat in zo'n groep eigen en zuiverder normen zullen ontstaan en dat de begaafde kinderen leren hun talenten als gemeenschapsgoed te hanteren.

Vraagtekens
Na een boeiend gesprek met de drie idealistische oprichters van de anti-autoritaire crèche, blijven er enkele vragen hangen. De heren P. de Vries, student in de sociologie te Groningen en docent aan een Amsterdamse sociale academie, R. Schuller, student in de rechten te Amsterdam en M. Damoiseaux, vader van een driejarige dochter en student in de planologische fysische geografie, zullen er in de toekomst wellicht met praktijkervaringen op kunnen antwoorden.
De eerste vraag die opkomt is of je een kindje van een jaar dagelijks van 9 tot 5 in handen van vreemden kunt geven. Ontwikkelingspsychologen zeggen immers dat een kind psychisch beter groeit aan een fundamentele liefdesband met een volwassene dan aan oppervlakkige relaties met een groter aantal. Een kind leren oordelen is goed, maar bestaat er gevaar dat hier een kritische houding wordt opgedrongen? Kan er tussen ouders en kleine kinderen een volledig vertrouwen groeien als de kleuter niet zorgeloos op zijn vader en moeder mag vertrouwen? Persoonlijke integriteit en de juistheid van iemands woorden en daden zijn die zo jong al te onderscheiden?

Geborgenheid is de grondslag waarop een mens zichzelf kan worden. Moet hij te vroeg gaan schoppen, dan wordt aangeleerd verzet een huls rondom een leegte. Psychische volwassen ouders kunnen deze klip wellicht omzeilen.

Een vraagteken staat ook bij de wedijvertheorie. Andere bronnen stellen juist dat onder leeftijdgenoten een felle concurrentie bestaat en dat die de kinderen helpt om verder te groeien.
De anti-autoritaire crèche gaat, zoals de oprichters uitdrukkelijk voorop stellen, geen cursussen geven in ongehoorzaamheid of 'agentje pesten'. De kritiek zal zich richten tegen het misbruik van macht en gezag. De autoritaire vaderfiguur wordt opzij geschoven. Niet wat de baas wil, maar wat wij samen willen, wordt het motto. Hopelijk echter gaan de deelnemende ouders zichzelf niet frustreren. Het is voor een klein kind heerlijk een sterke vader te hebben die alles kan, en een moeder bij wie je veilig kunt wegkruipen en die nooit echt boos is op je. Je ouders mogen dan best ideologisch niet zo sterk staan, als ze maar sterk genoeg zijn om jouw schoppen op te vangen en te verstaan.

Commune?
Tenslotte vraag ik me af of de anti-autoritaire opvoeding de autoriteit van Het Gezag gaat vervangen door de autoriteit van De Groep. Met grote belangstelling wordt terecht overal uitgezien naar de resultaten van de experimenten in anti-autoritaire crèches en daarmee verbonden communes. Is ook de crèche in Amsterdam het begin van een commune?
De Vries ontkent dat er plannen zijn in die richting. Zijn medewerkers hebben tot zijn spijt nog niet zoveel interesse voor de politieke doelstellingen van de anti-autoritaire beweging. En persoonlijk heeft hij bezwaren tegen de huidige communis, waarvan hij er veel bezocht. In West-Duitsland viel hem op dat de leden van communes soms onder pressie stonden om zich aan de gezamenlijke psycho-analyse te onderwerpen. Elders was vaste paarvorming verboden, promiscuïteit vereist.
De oprichters van de hoofdstedelijke anti-autoritaire crèche blijven voorlopig in hun eigen gezinnen leven. Toch gebeurt er iets dat in kleine kring al maatschappelijke invloed zal hebben: de vaders gaan samen met hun vrouwen voor de kinderen zorgen. Het werk is niet meer nummer een. "Carrière wordt een vies woord", zegt Damoiseaux. Gelukkig maar, we raken aardig door de voorraad heen.
EMMY VAN OVEREEM


De Volkskrant van WOENSDAG 11 MAART 1970
Tessel Pollmann
VK-11-03-70 (186K)
WEST-BERLIJNSE SENAAT WANTROUWT POLITIEKE MOTIVERING VAN OUDERS-OPRICHTERS ANTI-AUTORITAIRE CRÈCHES

Onderdrukkende opvoeding leidt tot weerstand

Een kind dat gehoorzaamt, met twee woorden spreekt en voor het eten zijn handen wast - dat is het ideaal van Duitse ouders en opvoeders. Voor wie dat wat overdreven mocht lijken: bovenstaande kenschets komt van een functionaris van de Westberlijnse Senat (stadsregering), afdeling Jeugd- en Gezinszaken, geen club die bekend staat om haar revolutionaire ideeën.
De Senat echter maakt zich ernstig zorgen over het opvoedingsklimaat, zoals dat heet, in het Duitse gezin en dat vanwege een aantal schijnbaar uiteenlopende redenen die in wezen alle tot het politiek beleid terug te voeren zijn. Frau Stange, ambtenaar van de Senat, die belast is met het toezicht op crèches, en andere kleuteropvangmogelijkheden, zegt dit aanvankelijk niet expliciet, maar geeft na enig aandringen toe: "Ja, natuurlijk, ieder opvoeden heeft, hoe dan ook, een politieke inspiratie en politieke gevolgen." Ook het opvoedings- en gezinsbeleid der Senat.

Explosies
Vlak voor ze deze uitspraak deed, leek het er nog op dat in de ogen van de Westberlijnse overheid alleen de jonge ouders van links, die voor hun kinderen antiautoritaire crèches hebben gesticht, van politiek "verdacht" kunnen worden. Een verdachtmaking die niet terecht zou zijn. De antiautoritaire groepen doen niet meer dan hardop zeggen wat andere mensen bewust of onbewust vaak verzwijgen, namelijk dat de opvoeding een spiegelbeeld is van opvattingen omtrent de maatschappij zoals de ouders haar graag zouden zien.
Voor wie dat verband tussen politiek en opvoedkundige idealen overigens onderschrijft, biedt de politieke situatie van West-Duitsland, waar nog zo'n rigide opvoedingscultuur leeft, weinig vrolijke perspectieven.
Waarom nu maakt een Westberlijnse Senaat zich druk om een autoritaire opvoedingsmethode die op het eerste gezicht de senaatspolitiek zo treffend weerspiegelt? De nadelen va het strenge opvoeden voor de overheid zijn vrij gemakkelijk te vatten.
Op de eerste plaats: een sterk onderdrukkende opvoeding leidt op dit moment tot explosies van weerstand en protest onder het jongere deel der natie. Die weerstand is gericht tegen het eigen ouderlijk huis, tegen de schoolsystemen zoals de jonge ouders die zelf hebben ervaren en waarin hun eigen kinderen weer zullen worden opgevoed.

Emotioneel
Die weerstand leidt dan ook tot het oprichten van privé-crèches en kleuterscholen, die niet alleen aan het toezicht van de overheid ontsnappen, maar die ook cellen van opstandige ouders en toekomstige revolutionairen bedoelen te zijn. En van dat soort cellen houden overheden niet. Het tweede nadeel zit wat ingewikkelder en op het eerste gezicht wat minder politiek relevant in elkaar. Het idee van de strikte gehoorzaamheid en de netheid is praktisch alleen te realiseren in een gesloten leefpatroon.
Het vereist een gezinssysteem dat niet "verontreinigd wordt" door boze invloeden van buitenaf en een schoolsysteem waarin een gesloten circuit van normen en waarden de opvoeding bepaalt. Vandaar ook dat wat betreft de scholen de meest autoritaire vormen van opvoeding te vinden zijn in de klassieke kostscholen. Wie zich van dat schooltype geen voorstelling kan maken, kan ik aanraden de film "If" te gaan zien zo gauw hij (weer) draait - een erg amusante en intelligente film over de opstand in een Engelse kostschool.
Maar goed, terug naar het gezin.
In een gesloten gezin zijn het de ouders die de alleenheerschappij over het jonge kind hebben en die in ieder geval het kind diepgaand emotioneel beïnvloeden. In open opvoedingssystemen, waarin ouders en opvoeders ieder het hunne bijdragen tot de opvoeding, raakt het kind minder gebonden aan één absolute normering, aan één of twee ouders. Het kind krijgt meer kans te vergelijken, te constateren dat van A niet mag wat B wel toelaatbaar vindt, dat er dus geen absolute normen zijn en dat, om met Brecht te spreken, "de mens vele mogelijkheden heeft". In het gesloten systeem worden vele mogelijkheden afgesneden.
Frau Stange, ambtenaar van de Senaat, formuleert het zo: "Het probleem van de geïsoleerde opvoeding is, dat de opvoedingsmoeilijkheden bijna erfelijk zijn. De grootouders hebben de moeder slecht opgevoed, en vaak zie je dat de moeder die fouten weer herhaalt in de opvoeding van haar eigen kind."
Ze heeft niet beter geleerd - want daar komt het op neer - en als het dan stukloopt met haar eigen kinderen, dan moet de overheid bijspringen met sociale diensten. Dat is op zichzelf niet zo erg, maar het bezwaar is dat de sociale zorg in de regel niet veel meer kan doen dan de brokken lijmen. Ondertussen wordt aan het structurele probleem dat het gesloten gezinstype meebrengt, niets gedaan en groeit het aantal jonge mensen dat balen heeft van thuis, zich tegelijk buitenshuis niet redden kan en in moeilijkheden komt. Wat een deel van de bevolking dan weer noopt te roepen om de sterke man, die dit jeugdig gespuis wel eens zal leren wat wet en orde is. Een oproep die op zijn beurt de spanning tussen links en rechts doet toenemen.

Huiverig
Terwijl de Senaat in Berlijn dus wel ziet dat het traditionele opvoeden ook niet alles is, kijkt ze zeer wantrouwend naar de oprichters van de antiautoritaire crèches, die het allemaal anders willen aanpakken. De crèches, al dan niet verbonden met een commune, doorbreken het traditionele opvoedingsmodel, door kinderen in groepen op te voeden.
De opvoeders zijn niet in de eerste plaats de betaalde vakkrachten, maar de ouders die bij toerbeurt dienst doen. Het is echter niet het model dat het wantrouwen oproept: de motivering van de ouders maakt de overheid huiverig. Want die motivering is letterlijk een politieke: de crèches zijn verzonnen door ouders die niet meer aan politieke werkzaamheden toekwamen omdat zij altijd bij het kind thuis moesten blijven.
Een schandelijk motief, zeggen veel weldenkende mensen, die een crèche alleen acceptabel vinden als de ouders de vrij gekregen tijd gebruiken om geld te verdienen.

Springer
In het najaar 1969 telde West-Berlijn een tien tot vijftien antiautoritaire crèches. Behalve tot de toerbeurt in de crèche zelf, hadden de ouders zich ook verplicht tot het bijwonen van een wekelijkse praatavond over de gang van zaken.
Aanvankelijk waren die avonden openbaar, maar daar kwam snel een eind aan. Pers en ook overheid toonden een te gretige belangstelling. In maart 1969 publiceerde een van de geïllustreerde bladen uit het Springer-concern (een firma die niet direct populair is bij links) een uitgebreide reportage over de crèches met alarmerende koppen als: "Zo worden nu Duitslands kinderen opgevoed". Want in de gedachtegang van de Springers horen kinderen toe aan Duitsland, niet aan zichzelf of aan de ouders.
Het nummer dat de reportage bevatte, was al snel uitverkocht in West-Duitsland, maar bleek - toen het eenmaal uit het Senaatsarchief tevoorschijn was gehaald - nog veel boeiender dan ik reeds vernomen had. Het is een voortreffelijke illustratie van de Gehorsam und Sauber-Ideologie, die ik aanvankelijk toch met enige korreltjes zout genomen had. Het schandelijkste van de crèches, aldus de reportage, is dat de kinderen vuil zijn. Vuil valt prachtig te fotograferen, beter dan ongehoorzaamheid bijvoorbeeld, en pagina's smerige kinderen sierden het blad.
Overigens van een soort smerigheid die verklaard wordt door een mengsel van waterverf, klei, scheurpapier, Brinta en ander voedzaam of creatief spul, zoals dat in ieder enigszins genoeglijk Nederlands gezin met regelmaat kan worden gefotografeerd.
De onzedelijkheid en ongedisciplineerdheid van de crèchekinderen werd vervolgens geïllustreerd met een foto van een kleuter die, zoals dat meestal het geval is, met blote billen van de po opstaat. Schande, schande, in een natie waar het bloot voorbehouden is aan de pornohandelaren.
Niet voor niets werd in de hete zomer van vorig jaar een crèche de huur opgezegd, omdat de buurt aanstoot nam aan de naakte kleutertjes die zichtbaar vanaf de straat zich vermaakten in teilen water.

Subsidie
De overheid vind dit soort hetzes tegen de crèches niet leuk, evenmin als ze de Springer-journalistiek in dezen waarderen kon. Maar wat doet de overheid nog meer behalve iets niet leuk vinden? Inkapselen. Ze is erin geslaagd een aantal crèches te subsidiëren (geld is zo ongeveer het enige waar West-Berlijn geen gebrek aan heeft) en ze van politieke centra om te vormen tot sociaal-pedagogische centra. Wat een stuk onschuldiger klinkt. Verder doet de overheid verwoede pogingen in contact te blijven met de niet gesubsidieerde crèches. Met name de belangstelling voor het informatiemateriaal van de centrale werkgroep die de politieke crèches coördineert, is bijzonder groot. De eerste afleveringen van de Informatiebulletins (Info's) liggen dan ook alle ter Senaat - de latere afleveringen mist zij smartelijk.
Sinds de overheid er in geslaagd is materiaal dat voor intern gebruik bestemd was, op te kopen, en vervolgens de politiek wat zwakkere broeders uit het Berlijnse radicalenwezen met geld ontpolitiseerd heeft, is de verhouding ouders-overheid niet wat ze geweest is. Waarbij de vraag rijst hoe groot de invloed van de subsidiegelden is. In ieder geval: als ik ter Senaat vraag of er mogelijkheid is een gesubsidieerde crèche te bezoeken, wordt er stralend gezegd: "Natuurlijk, wij bellen wel even op om een afspraak te maken. Wij betalen toch immers!" maar als ik de volgende dag ter afspraak kom, is de crèche mooi dicht.
Behalve het aanbieden van subsidie heeft de stad Berlijn ook een tegenzet gedaan. Annex stadsscholen heeft ze ouders-kindergroepen opgezet die als volgt werken. In een wijklokaal of schoolgebouw wordt een speelgroep georganiseerd waar de kinderen gratis heen kunnen en waar ze nog te eten krijgen ook.

Vieze smaak
De voorwaarden voor de toelating is dat de vader of moeder een à twee keer per week meekomt om onder leiding van een vakpedagoog te spelen met eigen en andermans kinderen en zo wat buiten het beperkte eigen ervaringswereldje met kinderen te komen. Tegelijk subsidieert de stad Berlijn honderden van deze groepen die door woningbouwcorporaties en kerken gedreven worden. Op zichzelf een aardig initiatief, maar over het politiek motief er achter wordt met geen woord gerept.
Politiek in de opvoeding, dat geeft nog altijd een vieze bijsmaak. Het doet denken aan de Hitlerjugend en dat is begrijpelijk, maar niet altijd rationeel. De indoctrinatie zoals die in de Hitlerjugend werd bedreven berust op een scheiding van machten: enerzijds is er het gezin, anderzijds de jeugdorganisatie of de school en beide zijn autonoom en dulden elkaars invloed niet.
En als dan de politiek machtigsten zich aan de kant van de jeugdorganisatie opstellen of haar infiltreren, dan heeft de indoctrinatie zijn kans. Bertold Brecht heeft dit mechaniek van de tegenstelling tussen gezin en partij uit de doeken gedaan in een treffende tiende scène uit Furcht und Elend des Dritten Reichs, waarin een kleine jongen zijn ouders bespioneert en verraadt.
Waar indoctrinatie is, daar is een - vaak verholen - belangentegenstelling tussen ouders enerzijds en de maatschappij anderzijds. Waar omgedraaid ouders proberen een goed contact tussen thuis en het opvoedingsmilieu buitenshuis te creëren en te onderhouden, daar neemt de kans op indoctrinatie af en aangezien de stichters van de antiautoritaire crèches bij uitstek tot die ouders gerekend kunnen worden, is het verwijt dat 'ze het alleen maar om politiek doen' niet erg relevant.

Natuurlijk beïnvloeden ze hun kinderen, en natuurlijk zoeken ze gelijkgezinden om hun kinderen op te voeden. Maar de ouders die dat niet doen moeten nog geboren worden.
TESSEL POLLMANN


maart 1970
Johanna Fortuin in De groene Amsterdammer

Zien wat je gelooft of geloven wat je ziet

"Ethan kwam met een natuurlijke geboorte ter wereld en is nu 'blijzijn'. Hij geniet van ieder aspect van zijn leven met heel zijn wezen. Maar… er zal iets met Ethan gaan gebeuren, zoals het met ons allemaal gebeurt. In de meesten van ons wordt dat blijzijn uitgedund, misvormd, verwrongen. Schuld en angst beginnen hun bezoedelend werk; de cultuur begint hem al te pakken te krijgen. Ethan ziet eruit of hij zich bang en schuldig begint te voelen."
Dit citaat komt uit een, volgens Johanna Fortuin, doodeng boekje van WC Schutz: Blij, uitgegeven door de NVSH. Ze vraagt zich af of die dat uitgegeven heeft omdat er op pagina 169 wordt gepleit voor het meer genieten van kortdurende relaties.

We staan hier voor een der schitterendste heilige koeien van onze cultuur: Het Onschuldige Kind. Arme kinderen, want daarmee wordt hun plezier noch hun verdriet serieus genomen.
Het kernpunt van het samenspel tussen mensen en culturen ligt natuurlijk wanneer opgroeiende kinderen met hun eigen aangeboren eigenschappen hun cultuur door hun opvoeders krijgen aangeboden. Sommige aangeboren eigenschappen (waaronder intelligentie en agressiviteit) hebben binnen bepaalde culturen betere ontwikkelingsmogelijkheden dan binnen andere. Onze hedendaagse cultuur bijvoorbeeld, moedigt agressie bij jongens aan en remt intelligentie bij meisjes.

Fortuin haalt het boek Kind en Milieu aan, van Lily van Rijswijk, over verschillen tussen kinderen uit lagere en hogere sociale milieus. Wat voor factoren verklaren die verschillen? Dat begint al met het voedingspatroon. De kinderen uit de lagere milieus blijven achter, ze zijn kleiner, de kinderen zijn vaker ziek en hun sterfte is hoger. Ook hebben ze minder speelgoed, de taalontwikkeling loopt achter en daarmee krijgen ze minder abstracte begrippen mee. Ouders in lagere milieus hebben ook domweg minder tijd voor hun kinderen. Daarmee brengt Van Rijswijk terecht de materiële bestaansvoorwaarden binnen de discussie over opvoeden.
Het is nodig om tegen deze maatschappelijke verschillen 'nee' te zeggen. Dat 'nee-zeggen' tegen ongelijkheid en onrechtvaardigheid, het niet aanpassen is (zo zegt Fortuin Milikovski na) de enige mogelijkheid tot voortgang van de evolutionaire ontwikkeling. Verder haalt Fortuin op een kritische manier ook dr Jaap Kruithof aan, die een boek over 'zingeving' schreef en die agressie ziet als niet aangeboren


1970 april
Christel Bookhagen, Eike Hemmer, Jan Raspe, Eberhard Schültz in de Volkskrant over: Kommune II
De opvoeding van kinderen in de kommune
In de oude maatschappij was het traditionele gezin de belangrijkste socialisatieplaats van het kapitalistiese machtssiesteem. Daar wordt het onderworpen passieve burgerlijke karakter van de (jonge) mens gevormd.
Voor het kapitalisme was dat gezin tevens de geschikte konsumptie-eenheid van lukse artikelen (TV, wasmachine) die in een onbenodigd groot aantal geproduseerd werden.
Tegelijkertijd maken binnen dat gezin het grootste deel van de gehuwden elkaars leven tot een hel, waardoor het gezin individuen produceert die afhankelijk en labiel zijn en gefikseerd op behoeften en autoriteiten.
De burgerlijke moraal dwingt het individu ertoe zijn spontane emoties verregaand te onderdrukken. In een maatschappij waarin elk mens de konkurrent is van de ander, mag niemand zijn innerlijke zwakten (angst, bedroefdheid, het verlangen naar tederheid en liefde) bekennen. Prestatie-eisen brengen de mens tot steeds vernieuwde verharding t.a.v. zijn eigen wensen en tot de meest kwaadaardige agressies.
De nieuwe maatschappij
Het socialisatieproces kan en mag door een kommune niet worden overgenomen. Het hele idee van socialisatie is fout. Je moet kinderen zich niet laten aanpassen. Ze moeten immers autonoom worden.
Het is raadzaam de kinderen, zeker tot hun vierde levensjaar, op te voeden in een kollektief. Zo'n woonkollektief kan pas aanspraak maken op een revolutionerende pretentie als het verbonden is met politieke organisaties die de bestrijding van instituties en produktieplaatsen tot doel hebben. In de kommune wordt ervaren dat er geen biologies onderscheid tussen mannen en vrouwen bestaat wat betreft hun zin en vaardigheid in koken, dansen, uitkiezen van kleren, en uitingen van de behoefte aan tederheid. Zo krijgt elkeen een grotere mogelijkheid zijn individuele talenten te ontplooien. Ook blijkt de kommune een soort zelfhulpgroep avant la letre. De ouders herkennen bij elkaar hun problemen door ze bij elkaar te zien en ze te bespreken in de groep. Het heeft iets weg van wat kort daarna ook welt sensitivity training wordt genoemd. De rest van dit artikel gaat over de praktijk op de crèche e.d.

1970 april
Tanja Beima in Folio Civitatis over: de start van "de Kosmos-crèche" (Prins Konstantijn) interview met Piet de Vries over wat praktische zaken.
Wat als de kinderen naar de lagers school moeten?
Een paar scholen zijn minder autoritair, zoals Geert Grote en Montessori. Misschien zijn er over een paar jaar wel antiautoritaire lagere scholen. Of we doen onze kinderen zoveel mogelijk samen op één school, zodat er vanzelf een antiautoritaire klas ontstaat.

1970 april
VPRO over: KABOUTER - ORANJE VRIJSTAAT
'Eksperimentele' film over het utopia van de Kabouterbeweging in de late jaren zestig: Oranje Vrijstaat. De film is een impressie van de ideale samenleving van ex-provo en opperkabouter Roel van Duijn; gemaakt door Paul Haenen en Ruud van Hemert. Met o.a. kraakactie in de Sarphatistraat. VPRO, 29-4-1970; (CD1/827.2, 37 min))
IS IT A SIN TO BE SUBJECTIVE?
Over Kabouter, Oranje Vrijstaat en de kraakacties van Aktie 70 in maart, april en mei 1970, film van René Coelho; (CD1/831.3, 49 min)


1970 juli
Elizabeth van den Bosch in Elzevier.
In de crèche wordt sinds vier maanden gewerkt aan de vorming van 'de nieuwe mens'. Het doel van de crèche is het kind zonder enige onderdrukking en zonder angsten te laten opgroeien tot een sociaal voelend en kritisch denkend mens.
Degenen om wie het allemaal draait, een groepje peuters en kleuters vanaf twee tot vier jaar, zijn zich nergens van bewust en spelen onbekommerd in de zandbak op het binnenplaatsje achter de Kosmos. Ze roeren in het zand en smijten elkaar met water en wanneer er eens een te hardhandig wordt volgt er geen vermaning of straf. De ouders die oppassen proberen zelf de klappen op te vangen en de aandacht af te leiden. Agressie wordt niet onderdrukt, net zo min al kritiek, initiatief en lustgevoel. Wanneer een kind werkelijk schade aandreigt te richten wordt hem verteld waarom hij dat beter niet kan doen. Maar belangrijke ris nog om uit te vinden waarom hij het doet, om zo de ware oorzaak weg te nemen of uit te praten. Dat alles vergt grote eensgezindheid van de ouders die in een rouleersysteem een dag per week oppassen. Vaders én moeders, want de moeder heeft het alleenrecht op het kind hier volledig verloren. Twee woordvoerders van de ouders zijn Ferdinand Ruhwandl, student psychologie en de 27 jarige Jacques Meerman, gitarist.
- Jacques Meerman:
"We hebben hier nu negentien kinderen, en de ouders passen één dag per week op, ook de vaders. We hebben met vooropgezette bedoelingen voornamelijk gezinnen waarin de vader niet de hele dag weg is, maar bijvoorbeeld studeert of een part time job heeft. De crèche is ook niet bedoeld als opbergplaats voor het kind van de moeder die een volledige baan neemt om extra geld te kunnen verdienen, of voor het kind van carrièrejagers. Een voorwaarde is dat beide ouders bij de crèche betrokken worden zowel met het oppassen als met de avondbesprekingen. De kinderen zien hier voortdurend dezelfde vertrouwde gezichten en we streven er naar om ook buiten de crèche contact met elkaar te hebben, zodat de kinderen eigenlijk collectief door alle ouders samen worden opgevoed. De kinderen eten en slapen vaak bij elkaar en voelen zich bij iedereen thuis. Eén avond in de week komen de ouders bij elkaar en dan bespreken we alle problemen die gaan niet alleen over het gedrag van de kinderen maar vooral ook over ons eigen gedrag." Het is sinds de oprichting van Prins Constantijn in maart wel gebleken dat het vooral de ouders zijn die zich moeten aanpassen.
- Ferdinand en Jacques:
"Onze generatie is wel autoritair opgevoed, de een misschien wat meer dan de ander. We hebben wel gemerkt dat het broodnodig is om steeds bij elkaar te komen en de problemen door te spreken. Tot hoe ver moet je de kinderen hun gang laten gaan? moet er geen enkele regel gesteld worden? Trekken we de lijn thuis wel consequent door? Eén regel die we nu duidelijk ingevoerd hebben is dat de oudste kinderen bij de broodmaaltijd eerst de korstjes moeten opeten voordat ze een nieuwe boterham krijgen. Er zijn iedere dag vijf ouders aanwezig. Hun taak is om te letten op gevaarlijke situaties, om voor de kinderen een veilige en liefhebbende omgeving te creëren, om antwoord te geven op alle vragen en om spel en onderzoekingen te stimuleren. Maar de kinderen moeten zoveel mogelijk zelf hun conflicten oplossen in plaats van onmiddellijk hulp bij de ouders te gaan zoeken."
- Jacques Meerman:
"we hebben al gemerkt dat de oudste kinderen, zo tussen drie en vier, een heel solidair groepje vormen. Ze zijn erg op elkaar ingesteld en wanneer er een moeilijkheden heeft, wordt hij door de anderen opgevangen. Ze begrijpen nu ook dat het veel leuker is om met elkaar te spelen dan er een grote bende van te maken. Dat hebben ze zelf in de praktijk ondervonden en dat vinden wij veel waardevoller dan dat het er door een oudere was ingeprent. Met een bende bedoel ik bijvoorbeeld slaande ruzie, of het vernielen van speelgoed. Maar verder is dat natuurlijk een erg autoritair begrip."
Het idee voor deze crèches is afkomstig uit Duitsland, waar in Berlijn de Kinderladen al geruime tijd functioneren. Het principe van de antiautoritaire opvoeding dateerd uit 1921, toen de Russische pedagoge Vera Schmidt in Moskou een kindertehuis stichtte. Daar experimenteerde zij met een nieuwe vrije opvoeding, zonder dreigingen zonder straf of vernederingen, met vrij spel en vrije ontplooiing. De ASVA organiseerde vorige herfst een reeks vergaderingen om tot de oprichting van een crèche op die basis te komen.
- Ferdinand:
"Wij hebben wel op het thema voortgeborduurd, maar we hebben nu niets met de ASVA te maken. We organiseren het helemaal met onze eigen mensen. We krijgen een kleine subsidie van de NVSH. De Universiteit van Amsterdam heeft ons een beter gebouw toegezegd,m maar we willen de zaak wel in eigen hand houden. We hebben nu, na vier maanden, duidelijk voor ogen wat we willen en daar laten we ons niet van af brengen. Overigens zijn we als groep op gene enkele manier, ook niet politiek, gebonden."
Hoe ziet nu de toekomst van deze kinderen er uit? Komen ze niet erg in de kou te staan wanneer ze straks de vrije en vriendelijke crèche verlaten en in de autoritaire maatschappij terecht komen, bijvoorbeeld op de lagere school?
- Ferdinand:
"We zijn hard bezig om in het kader van het Witte Kinderenplan, dat nog dateert uit de provotijd een antiautoritaire kleuterschool van de grond te krijgen. We hebben al een gebouw aan de Keizerstraat en twee kleuterleidsters. En er bestaan ook plannen voor een dergelijke lagere school. Maar dan zullen we de medewerking moeten krijgen van bestaande scholen van de gemeente, en vooral van veel ouders. Natuurlijk stelt een school, waar kennis wordt bijgebracht, hele andere eisen dan een crèche, dat realiseren we ons heel goed. Maar toch moet het mogelijk zijn ook dat onderwijs op een antiautoritaire manier te geven. we hebben zelf werkgroepen die bezig zijn met studies en onderzoeken op dat gebied. Er moet een leerplan komen dat tegemoet komt aan e behoeftes van e kinderen en niet aan dat van de ouders, zoals nu het geval is. we willen ook graag de buurtbewoners bij onze plannen betrekken. Ons idee moet meer algemeen goed worden, we vinden onszelf een wat te intellectuele groep. Het is de bedoeling dat de kleuterschool aan de Keizerstraat voor de hele buurt beschikbaar is, ook 's avonds na schooltijd is iedereen er welkom. Er wordt nu een film gemaakt over onze crèche waarvoor we misschien subsidie krijgen van CRM. We gaan die in verschillende buurthuizen draaien zodat de mensen kunnen zien waar het om gaat."
Ondertussen rolt het leven in Prins Constantijn vrolijk verder. Het is erg warm geworden en drie kleuters hebben zich van hun kleren ontdaan, ze sjouwen poedelnaakt emmertjes water aan om het opblaasbad te vullen. Joost ruziet ongestraft met Marijke om een driewielfietsje, hij wint en laat het na een triomfaal rondje voor haar neus staan. Kleine Bas heeft inmiddels voor het eerst gebruik gemaakt van de wc. Hij vond zelf uit dat dat prettiger was. Prestatiedrang wordt principieel niet aangemoedigd en niemand staat dan ook te juichen om de pot. De vaders en moeders bakken een zandtaartje mee, vrijen wat met een verdrietig kind en smeren de boterhammetjes.
Zo op het ook een vrolijk kinderpartijtje, maar vanavond worden de rapporten over deze dag weer diepgaand besproken. Prins Constantijn is een zeer serieus experiment; is het ook de kweekbak van een nieuwe generatie voor een vernieuwde maatschappij? Over een jaar of twintig weten we meer.


1970 juli
Jaques Meerman in De Groene Amsterdammer over: de Kresj Prins Konstantijn
Groene-18-07-70 (173K)

Een kind dat anti-autoritair is opgevoed,
zal dwang gemakkelijker als dwang kunnen onderkennen.
Dwang van de kant van de ouders,
dwang van de kant van de maatschappij.


"De mensen van de Kresj"


In onze maatschappij worden de meeste kinderen in gezinsverband opgevoed. Dat is niet toevallig. Het burgerlijke gezin, zoals dat bij ons ook nu nog overheerst, vervulde in een pre-kapitalistische fase een belangrijke ekonomische funktie: een dominerende positie van de man en echtelijke trouw van de vrouw waren noodzakelijke voorwaarden voor een produktie-systeem, waarin de man de produktiemiddelen beheert, waarin vrouw en kinderen aan de totstandkoming van het product meewerken, en waarin de kontinuering van het bezit niet mag worden bedreigd door slippertjes van de vrouw. Al was het alleen maar vanwege de 'arbeidsvrede'. In een dergelijk produktie-systeem (men denke bv aan thuiswerkers, handwerkers, kleine middenstanders, kleine fabrikanten etc.) beschermde de man zijn positie verder onder andere door een beperkte verkrijgbaarstelling van voorbehoedsmiddelen en door erfrechtelijke benadeling van onechte kinderen.
Maatschappij en gezin weerspiegelen elkaar. Een maatschappij die uit superieuren en ondergeschikten bestaat, kan in principe geen opvoedingswijze dulden, waarin vader en kind zoveel mogelijk op voet van gelijkheid met elkaar omgaan. Maar ook hier geldt Marx' stelling, dat het kapitalisme de kiem van de revolutie noodzakelijk met zich meebrengt. Zodra namelijk de man zijn arbeidskracht buitenshuis gaat verkopen (en dus geen produktiemiddelen meer te beheren heeft), zodra ook de vrouw gaat werken (waarmee voor haar de ekonomische noodzaak voor haar echtelijke trouw vervalt), is de grondslag van het burgerlijke gezin in feite ondermijnd. Dat de heersende klasse, die bij die ondermijning geen belang had, er met de welwillende hulp van de Kerk desondanks in geslaagd is de zaak nog zo lang min of meer bij elkaar te houden, mag met recht een bewonderenswaardige prestatie worden genoemd, al is er natuurlijk wel het een en ander voor nodig geweest: moeizame en vernederende echtscheidingsprocedures, lagere betaling voor de vrouw plus fiskale beperkingen, en, eveneens van belang, een chronisch tekort aan betaalbare crèches.
Voor werkende moeders is een crèche voor haar jongere kinderen noodzakelijk. Toch zijn crèches niet alleen maar belangrijk als een soort kinderstalling. Aan een opvoeding in gezinsverband kleven namelijk een aantal bezwaren, die in de praktijk vrijwel niet te ondervangen zijn. Die bezwaren hebben vooral te maken met het feit, dat het kind zich thuis voortduren heeft aan te passen aan de omstandigheden, in plaats van dat de omstandigheden worden aangepast aan de behoeften van het kind. Het kind kan niet vrij op straat spelen vanwege het verkeer, mag niet te hard stampen vanwege de buren, niet met speelgoed gooien vanwege de TV, niet zomaar fruit eten vanwege de chemische gifstoffen, niet op het balkon klimmen vanwege de hoogte van de flat etc., allemaal zeer nuttige en noodzakelijk beperkingen die gedachteloos worden aangelegd als de ouders ervan uitgaan dat maatschappelijke omstandigheden als verkeer, bespuitingen, televisie en slechte huizen onveranderbare gegevens zijn waartegen ieder verzet zinloos is.
Een kind ontwikkelt gemakkelijk tweeslachtige gevoelens ten aanzien van zijn omgeving. Aan de ene kant is het vrijwel geheel op zijn omgeving (incl. ouders) aangewezen, aan de andere kant perkt diezelfde omgeving zijn lustbevrediging voortdurend in. In maar heel weinig huisgezinnen heeft het kind de vrijheid het tafelkleed naar eigen goeddunken te beschilderen. Maar met de onveranderbaarheid van het tafelkleed, leert het kind de onveranderbaarheid van het politionele apparaat, van bezitsverhoudingen, van neo-kolonialistische oorlogen te accepteren, en in ongunstige gevallen zelfs te respekteren. Een kinderkollektief in kresj-verband is een alternatief.

Tot zover ongeveer de redenering van een aantal marxisten en marxistische psychoanalytici (Wilhelm Reich, Vera Schmidt, Edwin Hoernle e.v.a.) die in de jaren twintig en dertig van deze eeuw de grondslag hebben gelegd voor wat wij nu kennen als de anti-autoritaire opvoeding.
Die lange inleiding was nodig om aan te geven dat een a.a.-opvoeding niet alleen maar uit wat a.a.-truukjes bestaat, maar dat een fundamenteel veranderde instelling tegenover het kind noodzakelijk gepaard gaat met een fundamenteel veranderde instelling tegenover de maatschappij. En hier beginnen natuurlijk de moeilijkheden. Want met het constateren van een "veranderde instelling" is nog niets gezegd over de aard van die verandering, die in de praktijk het hele scala kan doorlopen van, grof gezegd, Kabouter tot CPN. Bovendien: a.a.-kresjes worden gemaakt door studenten (dat dacht u natuurlijk al), en de positie van de studenten in de marxistische revolutie-theorie is op zijn zachtst gezegd nogal dubieus (zie daarvoor bijvoorbeeld het bandje van de Arche-Verlag meet bijdragen van Sowjet-auteurs over de westerse studenten-onlusten).
Je kunt misschien stellen, dat de studenten een soort avant-garde vormen, of een soort voorlopig-plaatsvervangende funktie hebben ten opzichte van het proletariaat (Reimut Reiche), maar het proletariaat is de uitgebuite klasse, het proletariaat neemt een maatschappelijke sleutelpositie in, het proletariaat zal het moeten doen, en studenten blijven burgermanszoontjes. Dat is te merken ook, helaas.

De kresj "Prins Konstantijn" in de Kosmos

In het gebouw van "de Kosmos" (ex Fantasio) aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam is een anti-autoritaire kresj gevestigd onder de naam "Prins Konstantijn". Er zijn 18 kinderen. De jongste is dik één, de ouste vier. Ze zijn naar leeftijd in twee groepen verdeeld. De ouders van elke groep hebben eens in de week een groepsvergadering, bovendien is er eens in de week een plenaire vergadering. In principe heeft elke ouder één dag in de week dienst in de kresj. Voorts houden ze een aantal praktische en theoretische werkgroepen draaiend. Voor het gemak hoef je je kind niet in de kresj te doen.
Naar aanleiding van een vorig jaar in Amsterdam gehouden congres over anti-autoritaire opvoeding hebben Theo, een zacht sprekende "top-ideoloog", en Ferdinand de eerste initiatieven genomen om tot oprichting van een dergelijke kresj te komen. Voor dat doel werd iedere week een vergadering belegd, waar iedereen welkom was: achteraf gezien een nogal ruïneuze zaak. Praktisch elke week had de vergadering een andere samenstelling, zodat praktisch elke week opnieuw moest worden uitgelegd, hoe de vork in de steel zat. Daarbij had niemand de autoritaire vermetelheid,, om gewoon een vergadering te leiden. Politieke discussies stuitten vaak op gebrek aan kennis of, wat ongeveer hetzelfde is, op emotionele weerstanden. Toen Nico Torenstra in februari van dit jaar op korte termijn de ruimte van de "Kosmos" aanbood, is er ijlings gestart in een nogal toevallige samenstelling zonder uitgebouwde theorie.
Twee groepen kinderen dus, aanvankelijk in twee verschillende ruimten. De gevolgen van die splitsing waren nogal merkwaardig. Aan de ene kant bleek vooral de oudste groep kinderen vaak voortreffelijk te 'boeren'. Ze gingen een homogene en solidaire groep vormen, zonder al te veel elitaire neigingen. Aan de andere kant ontstonden tussen de groepen ouders ogenblikkelijk een aantal theoretische verschillen van mening, antipathieën en misverstanden, die ook door uitpraten niet oplosbaar bleken. De oudergroepen verschilden ook qua samenstelling. Bij de ouders van de oudere kinderen waren tamelijk strak-linkse inzichten plus een grote mate van theoretische belangstelling overwegend, terwijl bij die van de jongere kinderen anarchistische en liberalistische tendensen een grotere rol speelden. In ieder geval hadden al die impliciete of expliciete verschillen van opvatting natuurlijk pedagogische gevolgen. Voor de oudste groep was "anti-autoritair" niet verenigbaar met directief optreden: ze speelden meer met de kinderen mee, boden ze speelgoed aan, probeerden agressieve excessen te voorkomen enz. In deze groep ontstond ook een discussie over de vraag, of de anti-autoritaire opvoeding niet zou moeten worden vervangen door een socialistische. Bij de ouders van de jongere groep overheerste een "laat begaan" houding, die zoveel mogelijk een beroep doet op de kinderlijke vindingrijkheid en hun vermogen interne conflicten zelf op te lossen. Nadeel van de directieve houding is, dat de autoriteit van de ouder niet vermindert, maar alleen wordt 'omgefunctioneerd', terwijl het 'laat begaan' de confrontatie tussen ouders en kinderen uit de weg gaat, waardoor bij de ouders de dwang vervalt, hun eigen gedrag voortdurend kritisch te toetsen.

Dat alles neemt natuurlijk niet weg, dat ook binnen de groepen verschillen van mening een rol speelden. Vooral de gedachte, dat je ideologievrij zou kunnen en moeten opvoeden, bleek een taai leven te leiden. Er waren mensen die de kresj vooral vanuit de praktijk wilden benaderen, en daarmee de theoretische consequenties gemakkelijk uit het oog verloren, en er waren mensen die het omgekeerde deden. Uberhaupt bleken veel misverstanden te bestaan over de verhouding van theorie en praktijk. Bovendien kwamen in dit verband nog andere grappige zaken aan het licht: bij het mannelijke deel van de ouders overwoog een theoretische en politiek-sociologische, bij het vrouwelijke deel een individueel-psychologische benaderingswijze. Ook dat is waarschijnlijk niet toevallig. Studenten zijn immers burgermanszoontjes, en in het traditionele burgerlijke gezin is het contact met de maatschappij verregaand geïnstitutionaliseerd: vader midden in de branding, de stormen trotserend van een boze buitenwereld, moeder knus aan de huiselijke haard, bescherming biedend aan haar kinderen, en ook zelf weer beschermd achter vaders brede rug en geldbuidel.
Toch konden die verschillen van mening binnen de groep verregaand worden opgevangen door een soms verheugend grote mate van groeps-solidariteit. Solidariteit tussen de groepen bleek lastiger te verwezenlijken. De moeilijkheden waren voor een groot deel terug te voeren op emotionele weerstanden tegen de leidende ideologen, die ook organisatorisch de zaak min of meer in handen hadden. Die koppeling van functies leidde ertoe, dat veel mensen bang waren een mening en een gedragspatroon opgedrongen te krijgen, die de hunne niet was. 't Ging beter, toen Joost en Ulie de organisatie van Theo en Liesbeth overnamen. Groepsvergaderingen werden nu ook door leden van de andere groep bijgewoond, er werd een soort werkgroep gevormd, die ging praten met mensen, die duidelijke moeilijkheden hadden, of die leken te lijden aan motivatie-zwakte. De plenaire vergaderingen, die een tijdje waren stopgezet om iedereen zich te laten bezinnen op zijn motivatie en doelstellingen werden weer hervat, zij het ook met matig succes. Omdat voorts gebleken was, dat mensen hun wekelijkse roeleerbeurt in de kresj nog wel eens vergaten of zoiets, werd tot een reorganisatie besloten, die in september zijn beslag moet hebben.

Maurice en Marga zijn uit elkaar, Theo en Liesbeth ook, Marga en Willie zijn naar een commune in Drenthe vertrokken, Huib heeft zich teruggetrokken. De situatie van verschillende echtparen is niet buitengewoon rooskleurig te noemen. Anti-autoritaire kresjes zijn altijd al geheide breekijzers geweest tussen mensen (ik ken een kresj in Berlijn, waar alle ouders gescheiden zijn). In kresj-verband blijkt de eensgezindheid van echtelieden vaak aan dezelfde beperkingen onderhevig te zijn als die tussen de andere leden van de kresj. Op het moment dat ze zich moeten bezinnen op hun verhouding tot het kind en tot de maatschappij, op het moment, dat ze zich kritisch moeten opstellen tegenover alles, wat ze zelf thuis geleerd hebben, op dat moment komen verschillen van mening aan de dag, die alleen nog maar milieu-bepaald of individueel-psychologisch verklaarbaar zijn, en heviger worden, naarmate de mensen zich geëngageerder opstellen. Het is ook niet zo moeilijk om gefundeerde kritiek te hebben op het instituut gezin, maar daarmee heb je nog geen alternatief.
We hebben de geschiedenis van de Berlijnse studentenbeweging nauwlettend gevolgd. Zolang iedereen zich daar on scharen rond de demagogische kwaliteiten van Rudi Dutschke was er geen vuiltje aan de lucht. Op het moment dat hij neergeschoten werd, zetten een fractionering in, die zijn eindpunt nog niet bereikt lijkt te hebben, een fractionering, die karakteristiek is voor alle links-kritische bewegingen. Als we geen charismatische leider willen, dan zal juist op basis van die fractionering een rationele effectieve vorm van samenwerking en een redelijke mate van eensgezindheid gevonden moeten worden. Ik denk ook wel, dat dat kan.

JACQUES MEERMAN
DE GROENE 18 JULI 1970


1970 juli
E. Warries in De Nieuwe Linie over de toekomst van het onderwijs.
Onderwijsdoelstellingen moeten meetbaar zijn. Er moeten objectieve metingen komen, waarbij multiple choice toetsen de objectiviteit moeten waarborgen.
Verdere trends: democratisering van het onderwijs gaat op een of andere manier gebeuren. Meer openheid. Verantwoording afleggen aan leerlingen, ouders en maatschappij. Betere studievaardigheden.


1970 augustus
Barend Wijtman in De Groene over: Ander Onderwijs, Nieuwe Cultuur
Maatschappijvernieuwing die autoritair handelen en hiërarchisch denken wil vervangen door democratisch besef en kritisch nonconformisme zal noodzakelijkerwijs met een hervorming van het lager- en kleuteronderwijs moeten starten. Onbegrijpelijk daarom dat WO en VO zoveel meer prioriteit heeft gekregen.
Ons onderwijssysteem richt zich op: traditie, efficiency, selectie en productie
En niet op: vrijheidsbeleving en creativiteit.


1970 Jacques Vroemen in: De Nieuwe Linie van 21 februari 1970
Gesprek over de antiautoritaire crèche
LAAT DE KINDEREN MERKEN DAT GEZAG ZICH ALTIJD MOET VERANTWOORDEN
Na zorgvuldig overleg, mede over verandering in de maatschappij, kon dit gesprek plaatsvinden. Het kan belangrijk zijn dat andere mensen leren van hun ervaringen. Ze ondervinden weliswaar problemen bij hun experiment, maar ze zijn nog steeds sterk gemotiveerd om door te zetten. Het valt Vroemen op dat ze een grondige theoretische kennis hebben, maar niet steriel uit het boekje: hun sterkste overtuigingen zijn kennelijk gevormd door de eigen concrete mislukkingen en vorderingen.


De leiders van de crèche aan het woord:
Het komt vanuit een sterke behoefte aan een ander soort maatschappij. Wij geloven dat je dan bij het kind beginnen moet.
We willen bevorderen dat de kinderen kritisch blijven, dat ze zich later niet voort alles laten gebruiken, zoals we nou bij de meeste volwassenen om ons heen zien.

We hopen dat ze twee dingen verwerven: zelfstandigheid en solidariteit. Zelfstandigheid moet je niet individualistisch opvatten. Pas een echt zelfstandig mens kan echt solidair zijn. We hopen dat het revolutionaire mensen worden.
Wie beslist, moet autonoom zijn, maar zijn beslissing wel laten toetsen door de anderen. Zo vormt zich een ander mens dan de individualist van de consumptiemaatschappij. Mensen die autonoom kunnen beslissen, kritisch zijn en tevens onderling hecht met elkaar verbonden, kun je niet meer manipuleren.

Het is niet gek dat de revolutionaire studenten hun begrippen halen uit de marxistische zowel als uit de psychoanalytische literatuur: Marx, Reich, Adorno, Marcuse. Adorno heeft geprobeerd het fascisme te verbinden met de autoritaire persoonlijkheidsstructuur.

Soms ben ik wel eens bang: isoleer ik die kinderen niet? Straks komen ze toch in een autoritaire omgeving. Je kunt dan hun frustraties niet opvangen. Je moet ze dus antiautoritair opvoeden, maar tegelijkertijd weerstand bij ze opbouwen. Maar ook hopen we op toekomstige onderwijzers die begrip hebben van antiautoritaire kinderen. Moeilijk. De kinderen moeten toch leren zelf antiautoritair te worden.

Je ziet tegenwoordig wel dat onderwijzers en ouders niet meer lichamelijk straffen. Maar wat hoor je nu? "Ik sla je niet, maar mama vindt je niet lief, als je zo doet." Of mama zegt dat ze daar verdriet van heeft. Of ze gaat het kind afleiden.
De vuistregel in antiautoritair opvoeden zou moeten zijn: probeer de impulsen van een kind niet af te remmen.

Ik zag een kind mijn eigen kind met een blok slaan. Ik gaf dat kind spontaan een tik. Dat was natuurlijk niet juist, want kinderen moeten zoveel mogelijk zelf uit hun conflicten komen. Het is niet gemakkelijk van je eigen opvoeding los te komen. De grootste moeilijkheid ligt niet bij de kinderen, maar bij de ouders. Kinderen zijn in aanleg antiautoritair.

Ouders moeten afstappen van het idee dat kinderen hun "bezit" zijn. Voor de kinderen zijn we met z'n allen verantwoordelijk inclusief de ouderen zonder eigen kinderen. Ouders moeten elkaar meer gaan helpen om hun eigen burgerlijke opvoeding te relativeren. Bijvoorbeeld de autoritaire man-vrouw-relatie. Ook kunnen ze elkaar helpen om na de studie niet opgeslorpt te worden door een beroep.
Misschien moeten we er ons bij neerleggen dat wij, 'kinderen van de bourgeousie, nog niet geschikt zijn voor nieuwe (seksuele) relaties. Maar we moeten minstens onze kinderen de ruimte bieden om een vrijer, minder angstig leven te hebben.

Kun je nou echt helemaal zonder dwang opvoeden?
Het vraagt soms het uiterste van je. Maar je kunt ze beter zo vroeg mogelijk laten rotzooien en knoeien. Je moet voortdurend bedenken dat het probleem niet bij het kind ligt en je steeds afvragen: is het reëel wat ik van het kind vraag? En zorg ervoor dat je mensen vindt met wie je erover kunt praten. Als een kind vraagt wat jij ervan vindt, dan moet je niet met verboden komen, maar met informatie. Daar kan het dan de volgende keer zelf iets mee doen.
Nog iets: maak het kind duidelijk dat, als je autoritair optreedt, je dat niet wilt zijn. Het kind moet merken dat er een legitimatie moet zijn voor als iemand ingrijpt. Het moet contant kunnen vragen aan het gezag: waarom doe je 't? en in de tweede plaats moet het kind in de gaten krijgen dat iemand met gezag zich toch altijd bij anderen moet verantwoorden.



1970 Jacques Vroemen in: De Nieuwe Linie van 12 december 1970

Gesprekken met Peter van Lieshout en Joke In 't Riedel
over de crèche-beweging in Amsterdam-Noord.


Peter van Lieshout(24) en Joke In 't Riedel(27) zijn twee jeugdige ouders die mij verteld hebben over de manier waarop zij en vele anderen ouders bezig zijn elkaar kinderen en zichzelf op te vangen. Hier in Amsterdam-Noord heb ik het gevoel gekregen dat er iets lukt van een reële maatschappijvernieuwing, ondanks gebrek aan materiële en financiële mogelijkheden.
HEEL LANGZAAM EEN ANDERE GENERATIE KRIJGEN
Peter(24) woont met vrouw en twee kinderen in de "steenwoestijn" Amsterdam-Noord.
Toen we hier kwamen wonen, hebben we gewerkt als onbetaalde maatschappelijk-opbouwwerkers. We leden onder het isolement. Met een paar jonge stellen hebben we afgesproken dat we om de beurt een avond beschikbaar zouden zijn om alle anderen te ontvangen, de eerste keer hier in deze kamer. Al gauw bleek hoe ze met de kinderen omhoog zaten. Behalve huizen staat niet niets.
Amsterdam-Noord is een mislukte stad en Peter betwijfelt of je hier de maatschappij kunt veranderen.
"Maar als je heel optimistisch blijft, kun je geloven dat je langzaamaan door samen je kinderen op een andere manier te gaan opvoeden en daar heel veel tijd in te steken, een generatie van mensen krijgt die het gewoon niet meer nemen."
Door het samen opvoeden zouden de vrouwen meer tijd overhouden, maar daar klopt niets van. Ze zijn juist méér tijd kwijt. De groep kinderen vraagt veel aandacht en bovendien hebben de ouders 's avonds regelmatig vergaderingen.
De kinderen komen bij toerbeurt in elkaars huizen van 's morgens 9 tot 's middags 2. Alle moeders gaan 's ochtends met hun kinderen naar het afgesproken huis en op twee na vertrekken ze weer. De kinderen trekken met elkaar op, één van de moeders begeleidt ze en de andere observeert en maakt een verslag. Regelmatig komen de ouders bij elkaar en bespreken de verslagjes. Veel tijd blijken de moeders er niet mee te winnen. Ze zijn te druk met de crèche. Slechts een paar hebben een baan. Soms doen er ook echtparen mee die zelf geen kinderen hebben.

Er is een denkrichting onder de antiautoritairen, volgens Peter, die de kinderen maar wil laten aanrotzooien. Niks te begeleiden dus, je moet nooit tussenbeide komen, ook al smeren ze de stroop en de poep door de kamer. In Noord geloven ze daar niet zo in. Je moet kinderen helpen en dat is heel iets anders dan je voortdurend met ze bemoeien, allerlei kleinigheden verbieden, tegen ze aanpraten en lopen te regelen.
Wat echt belangrijk is, is het groepje, waarin vaste patronen ontstaan, dat de ouders leert kennen. Ze maken geen onderscheid meer; het zijn allemaal mama's.
Het antiautoritaire van de situatie blijft tenslotte dat je de groep primair blijft stellen. De ouder zit er niet om te leiden en standjes uit te delen, maar om de kinderen te helpen, als het zonder meer duidelijk is dat ze zelf niet uit hun gerezen moeilijkheden komen.

In Noord zijn de ouders veelal wel academisch, maar ze hebben niet dat doctrinaire. Er wordt wel gepraat over ideologie; dat is nuttig en noodzakelijk, maar je moet tegelijk ook praktisch zijn. Je moet niet een club scherpslijpers worden van trotskisten, leninisten en maoïsten. Ze weten hier dat zo'n gevaar bijvoorbeeld dreigt bij studenten die zelf geen kinderen hebben en vanuit de theorie en de ideologie - en misschien wel uit modezucht - iets antiautoritairs willen doen. Met name als ze dat in samenwerking met 'burgers' proberen, gaat het experiment vaak kapot.
In Noord zijn ze meteen in de praktijk gesprongen, maar nu zitten ze in de fase dat ze verder willen met hun theorie. Ze laten literatuur komen en discussiëren samen over de opvoeding. Het gaat er bij deze vaders en moeders niet meer om hun kinderen onder te brengen; ze willen een ander soort leven, minder geïsoleerd, dichter bij elkaar.

Geld en plek, dat zijn de hoofdproblemen. Als alles uit eigen zak moet, kun je het best maar zo goedkoop mogelijk werken. De crèche kost niets. De ruimte is ook kosteloos. Het speelgoed hebben de kinderen van elkaar. Het stencilwerk doen ze gratis op de universiteit.
Wat wel geld kost is een beroepskracht, die ze willen inhuren - misschien kunnen ze een van de ouders een cursus laten doen. Zo iemand is namelijk voorwaarde voor eventuele subsidie. Ze kennen een gemeenteraadslid, dus wie weet kunnen ze subsidie aanvragen voor het samenvoegen van enkele bergruimtes in de flat tot een echte crècheruimte, maar dat kost ongeveer 25.000 gulden. Daar zouden ze dan ook met zand en water kunnen spelen. Een extra flat huren zou ook een mogelijkheid zijn, maar daar hebben ze echt geen geld voor.
moeder Joke: "Ze worden vroeger sociaal dan andere kinderen. Je ziet hier kinderen van drie jaar met elkaar spelen, iets voor elkaar doen. En ze kunnen ook meer, geloof ik. Als je bij andere mensen komt, willen die zo'n kind tegenhouden: pas op! Dit kan niet, dat mag hij niet …. Terwijl je zelf weet dat het kind al lang die trap op kan, dat heb je hem al lang laten doen."
De ouders verdiepen zich samen in de verslagen en praten met elkaar over hun kinderen. De theorie komt ook aan de orde, maar niet zo star of doctrinair. Iedereen ziet het weer anders in de groep. Een van de ouders vindt dat ze eigenlijk ook een eigen kleuterschooltje moeten opzetten. Anderen vinden het beter om de kleuterleidsters van de bestaande officiële scholen te betrekken bij wat ze aan het doen zijn.

Een probleem waar ze mee zitten is het elitaire. Met arbeiderskinderen is het niet gemakkelijk een crèche te beginnen. Ze hopen dat hun beweging op een gegeven moment onderdeel zal kunnen zijn van maatschappelijke veranderingen, ook in hun buurt.

Tien tegen een dat de minister in het jaar 2010 in een crèche is opgegroeid.


DE GROENE, Kerst 1970 Jacques Meerman
Antiautoritaire en socialistische opvoeding

"Mam, wat doet de postbode?"
"Meestal brengt hij brieven rond,
maar vandaag staakt hij,
omdat hij niet genoeg verdient."
Een paar maanden geleden verscheen Sunschrift 34 over 'antiautoritaire en socialistische opvoeding", een uitgave van de Socialistische Uitgeverij Nijmegen. Het is een aantal artikelen van Nederlandse en Duitse herkomst, die heel goed laten zien, hoe het antiautoritaire denken zich heeft ontwikkeld, en waar de ideologische meningsverschillen liggen. Om de hele zaak nog eens kort samen te vatten: één van de belangrijkste praktische belemmeringen voor de emancipatie van de vrouw is het feit dat zij voor haar kinderen moet zorgen (als ze die heeft). Daarom werd in februari 1968 tijdens het Vietnamcongres van de Technische Universiteit in Berlijn een provisorische crèche ingericht, om de 'vrouwen-kameraden' de gelegenheid te geven, deel te nemen aan de bijeenkomsten en de acties. De discussies over deze en dergelijke problemen gaven de stoot tot de oprichting van de nog verscheidene andere soortgelijke crèches, in Berlijn, in Duitsland en zowaar zelfs in Nederland.
Het antiautoritaire denken kreeg zijn beslissende inspiratie van een tweetal marxistische psychoanalytici uit de jaren 20 en 30: Vera Schmidt en Wilhelm Reich. Er waren van het begin af aan praktische grenzen gesteld aan de bruikbaarheid van Vera Schmidts ideeën: een paar jaar na de Russische revolutie begon zij een kindertehuis in Moskou, en als marxiste was het er haar natuurlijk op de eerste plaats om te doen, de kinderen een positief begrip voor de nieuwe klasseloze Sowjet-maatschappij bij te brengen. Reichs werksituatie was daarentegen in zoverre vergelijkbaar met die van de Berlijnse nieuwlichters, dat opvoeding ook voor hem, als Duitser in een pro-fascistisch Duitsland, een opvoeding tot strijdbaarheid betekende. De kritiek op Reich komt de laatste jaren vooral van twee kanten: aan de ene kant van Reimut Reiche, die weliswaar verder bouwt op Reichs uitgangspunt (een concubinaat van psychoanalyse en maatschappijkritiek), maar die tevens tot de slotsom kwam dat de gewijzigde maatschappelijke omstandigheden Reichs belangrijkste conclusie hadden achterhaald. Het belangrijkste punt op Reichs program was immers de vrije lustbeleving. Reiche toont aan dat een vrije lustbeleving in deze (consumptie)maatschappij alleen maar een nieuwe vorm van aanpassing tot gevolg heeft. Ten tweede kwam er kritiek van de kant van een aantal marxisten, die zich verzetten tegen een volgend punt van Reichs program: namelijk de opstand van de kinderen tegen de ouders. Je kunt de structuur van het klassieke burgerlijke gezin beschrijven in termen van klassenverhoudingen, en dan zijn de kinderen (en in mindere mate ook de vrouw) te beschouwen als het proletariaat, dat bevrijd moet worden. Reich legde daar sterk de nadruk op, maar zijn critici vragen zich af of je daarmee de noodzakelijke klasse-solidariteit niet bij voorbaat verscheurt. Ze keren zich bovendien niet alleen tegen Reich, maar ook tegen de psychoanalyse überhaupt, als zijnde burgerlijk.
Eén van de artikelen in Sunschrift 34 is van de hand van Harrie Teunissen, die het maatschappijkritische kader beschrijft, waarbinnen de antiautoritaire / socialistische opvoeding bestaan, en schrijft:
"Een tweede misvatting is, dat deze opvoeding een voortdurende indoctrinatiecursus in verzet zou zijn. De politisering van het kind vindt niet plaats door met behulp van dwang of manipulaties socialistische dogma's te verinnerlijken, maar doordat het kind zijn eigen belangen moet verdedigen in een autoritaire kapitalistische maatschappij. Het voorbeeld van de ouders kan dan meehelpen om aan de agressie, die opgeroepen wordt bij deze confrontatie, richting te geven."
Identiteit ouders
In dit citaat worden de grenzen van de antiautoritaire opvoeding al direct duidelijk: die grenzen liggen bij de eigen identiteit van de ouders. Want als je als ouder werkelijk politiek bewust bent, dan zal dat blijken uit wat je doet en zegt, en dan is het ook niet meer nodig om je kind socialistische dogma's in te hameren. Antiautoritaire opvoeding is voor een belangrijk deel een kwestie van zichtbaar making: wie praat over solidariteit, moet solidair gedrag vertonen; wie praat over gemeenschappelijk bezit, moet het niet altijd over zijn eigen spulletjes hebben. In zoverre is deze opvoeding in hoge mate een opvoeding van ouders.
Maar daarmee blijven er nog een paar vragen onbeantwoord. Op de eerste plaats: wat betekent 'autoriteit' in deze samenhang? De antiautoritaire opvoeding richt zich in de eerste instantie tegen die vorm van autoriteit die economisch is bepaald: mijnheer Philips heeft honderdduizend maar meer invloed dan ik, omdat hij honderdduizend maar meer productiemiddelen tot zijn beschikking heeft. De antiautoritaire opvoeding keert zich bovendien tegen al die instanties, die het kind psychologisch voorbereiden op de onontkoombaarheid van dergelijke economische machtsstructuren en het kind het bestaan ervan leren respecteren. Tot die instanties horen zowel de autoritaire vader in het klassieke gezin als bijvoorbeeld de veel te grote klassen op school, die de onderwijzer tot autoritair gedrag noodzaken.
De tweede vraag: hoever kan die zichtbaar making anno '70 worden doorgevoerd? Het antwoord moet nogal pessimistisch zijn, want in de praktijk zijn aan die zichtbaar making duidelijke grenzen gesteld, grenzen die voor een belangrijk deel worden bepaald door de maatschappelijke achtergrond van de opvoeders. Antiautoritaire opvoeding wordt nog altijd in overweldigende meerderheid bedreven door studenten en beoefenaren van vrije beroepen. Daarvan getuigt niet alleen de organisatie van de crèche (ook de mannen rouleren), maar ook hun kleding, interesses, huisinrichting, voedsel, manier van praten, manier van werken, aard van het werk, werktijd, etc. dat betekent concreet dat in zo'n gezinssituatie een heleboel voor een kind onzichtbaar blijft. Want er is een grote kloof tussen deze manier van leven en die van veel andere mensen (sla er de Telegraaf maar op na en de rancune walmt je tegemoet) en bovendien is er nog die kloof tussen ons en de zgn. 'arme landen'. Als je het belangrijk vindt dat kinderen zich leren verzetten tegen economische autoriteiten, dan zal het zuiver verstandelijke uitleggen een grote plaats moeten krijgen.
Waarom zou je het kind wel vertellen dat de postbode de brieven brengt aan de mensen, maar niet dat ze staken? In een ideale antiautoritaire gezinssituatie zijn kinderen emotioneel moeilijk aanspreekbaar voor zoiets als 'uitbuiting'. Ze weten niet aan den lijve wat dat is. Je zult ze dus moeten uitleggen dat sommige mensen veel geld hebben dankzij het werk van andere mensen, die veel minder geld hebben, en als je dat probleem aansluitend vertaalt in termen van speelgoed, dan snappen ze best dat dat geen rechtvaardige verdeling is.

Isolement
Dat zoveel maatschappelijke problemen niet zichtbaar zijn, is natuurlijk geen probleem van de antiautoritaire opvoeder alleen. Hoeveel kinderen weten hoe een fabriek er van binnen uitziet? Voor een klein kind komt de melk niet van de koe, maar van de melkboer. Het maatschappelijke isolement van het kind wordt daardoor versterkt. Dat betekent natuurlijk niet dat een antiautoritair opgevoed kind niet zou kunnen spelen met een arbeiderskind (ook al geeft dat in de praktijk genoeg moeilijkheden), het betekent wel dat kinderen steeds minder worden geconfronteerd met hun eigen bestaansvoorwaarden. Het kind wordt op zijn kind-zijn vastgeprikt, zoals de puber op zijn puberschap (ongecoördineerde protestbewegingen: net doen of je er aandacht aan schenkt), de adolescent op zijn adolescentie (baard dragen en zwaar constructief bomen over allerhande problematiek: raakt zijn baard nog wel kwijt), en de volwassene op zijn volwassenheid (wilde haren kwijt, baard nog niet, goeie baan in de reclame, en verder geen flauwekul). En nog steeds besturen dezelfde mensen ongestoord het hele maatschappelijke marionettentheater. De emancipatie van het kind is een noodzakelijke voorwaarde voor een werkelijk democratische gezinssituatie, en die is een noodzakelijke voorwaarde voor een democratisch denkend kind.
Kinderen zijn vaak al verbluffend vroeg geïnteresseerd in hoe dingen worden gemaakt. Ik vind dat je daar als ouder zo goed mogelijk op in moet spelen en die interesse ook moet stimuleren. En je hoeft niet altijd te wachten tot ze er naar vragen: dingen die onzichtbaar zijn, kunnen ze niet vragen. Maar ze hebben er recht op om te weten in welke samenleving ze opgroeien. En wie eerlijk geïnteresseerd is in zijn kind en een beetje objectief probeert te kijken ziet gauw genoeg of ze aan bepaalde informaties toe zijn. Wachten met uitleggen tot ze er naar vragen, kan betekenen, dat je je onttrekt aan het uitleggen van bepaalde belangrijke zaken en daarmee handel je, bewust of onbewust, naar een kapitalistisch opvoedingsmodel.

Over dit soort dingen, zij het ook op een andere manier, gaat de discussie in Sunschrift 34. Aan de ene kant zijn daar de artikelen van Erik van de Hoeven, voor wie antiautoritaire opvoeding niet meer lijkt te zijn dan een toverdoosje waar je wat ongedefinieerde begrippen als vrijheid, geluk en spontane strevingen in gooit, en zie! Daar komt de waarlijk vrije samenleving reeds tevoorschijn. Voor hem geen strategische problemen, geen economische uitbuiting, geen derde wereld. Hij heeft een hoekje afgezonderd, ver van de boze listen van de manipulerende consumptiemaatschappij en speelt daar zijn vrijheidsspelletjes. En aan de andere kant zijn daar de artikelen van de Berlijnse ROTKOL en ROTZEG, groepen die proberen dit elitaire stadium te doorbreken, de bewustwording van de onderdrukte klassen op gang te brengen en een revolutionaire pedagogie te ontwikkelen. Alleen: bijna al hun experimenten zijn mislukt door elitaire denk- en gedragspatronen van de studenten. Er zal nog heel wat moeten gebeuren!
JACQUES MEERMAN


Meer artikelen uit 1970

Eric van der Hoeven over: Reimut Reiche en de antiautoritaire opvoeding.
Seksualiteit moet losgemaakt worden uit het culturele harnas. Een commune zou een oplossing kunnen zijn, maar de dogmatiek binnen de communes bederft veel. Soms word je zo ongeveer gedwongen tot promiscuïteit.
Reiche ziet het vertrek van de opgevoede persoon uit het ouderlijk huis niet als de bereikte autonomie. Hij vreest dat er sprake is van blijvende puberteit. Het verzet tegen de instanties, waarvan men flink profiteert overigens, is een puberaal verzet. Het is voor deze personen moeilijk zich naar eigen inzicht te gedragen omdat ze daar niet krachtig genoeg voor zijn. Hij heeft behoefte aan erkenning door anderen, in de vorm van status, bijvoorbeeld.
De kinderen van de antiautoritaire ouders moeten later de vormen van dwang kunnen herkennen en zich er niet bij neerleggen. Dat vereist niet alleen een gevecht tegen de autoritaire persoonlijkheid, maar ook tegen de modern aangepaste persoonlijkheid.
De aangepaste persoonlijkheid kan moeilijk in verzet komen. Steeds moest die zich aanpassen aan de wensen van de ouders, bijvoorbeeld omdat er steeds een emotioneel beroep op het kind werd gedaan om datgene te doen dat de ouders plezierig vonden. De antiautoritaire opvoeders moeten hiervoor wel degelijk oppassen.
Eric van der Hoeven stelt tenslotte de relativerende vraag:
"Zijn wij wel in staat onze kinderen die antiautoritaire opvoeding te geven? Uiteindelijk zijn wij allemaal nogal autoritaire of aangepaste persoonlijkheden, en waarschijnlijk allebei een beetje…"


Kees de Boer in Sextant over:
NOODZAAK VAN ANTIAUTORITAIRE EN SOCIALISTISCHE OPVOEDING

De autoritaire opvoeding tot Brave Hendrik is niet zo best voor het kind. Dat wordt inmiddels wel algemeen aanvaard. Maar nog altijd gaat het om dwangmatig conformisme en is de opvoeding nog ver verwijderd van echt vrije opvoeding. De gevestigde orde heeft nu eenmaal groot belang bij handhaving van het burgerlijke gezinsleven. Daar vindt het socialisatieproces plaats die het maatschappelijk bewustzijn van de burgers bepaalt. De opvoeding dwingt de kinderen tot hun 18de of zelfs 21ste jaar zich aan de ouderlijke autoriteit onderwerpen. Al die tijd wordt de kinderen geleerd zich aan te passen, gehoorzaam te zijn.
In het gezin leert het kind dat de rolverdeling tussen man en vrouw vastliggen. Pa werkt en moe zorgt. Pa vertegenwoordigt het principiële gezag en moe het uitvoerende. Pa verdient elders de centen en moe controleert de kinderen. Het kind weet niet beter dan dat zo de rollen zijn verdeeld en dit gevoel voor autoriteit (met de bijbehorende angst daarvoor) wordt door het kind verinnerlijkt.
Het gaat erom de volledige ontplooiing van het kind de bevorderen. Opvoeden moet gericht zijn op de maximale ontplooiing van alle capaciteiten van het kind, en daarvan vooral de kritische zelfstandigheid. Dit moet mensen opleveren die werkelijk autonoom durven te leven.
Niet alleen opvoeding, maar ook onderwijs heeft hervorming nodig. Kinderen moet niet geleerd worden hoe ze hun behoeften moeten beperken en onderdrukken, maar juist hoe ze die kunnen bevredigen. Kinderen zijn nieuwsgierig en hebben een groot leervermogen. We moeten ze niet weghouden van de echte wereld en al hun vragen beantwoorden.


Tine Schouwenburg-Knigge over:
ANTIAUTORITAIRE OPVOEDING EN ONDERWIJSVERNIEUWING

Groningen
De maatschappij moet veranderen. Zal het onderwijs daarbij helpen?
Het gaat om democratisering, individualisering, gelijke kansen, e.d.
De opvoedkundige ideeën zijn niet nieuw. Waarom komen ze weer op, waarom wekken ze zoveel beroering? De praktijk ervan verschilt teveel van de gangbare opvoedingspraktijk. En daar gaat het juist om. De antiautoritaire opvoeding levert een concreet stuk maatschappijkritiek. Ze vindt dat de huidige maatschappij in haar regels en normen onbewustheid en aanpassing produceert. Ze wil dat het kind de opgelegde regels kritisch in twijfel trekt.
Antiautoritaire opvoeding betekent opvoeding tot autonomie, ontwikkeling tot ik-sterk individu. Daartoe moet het kind opgroeien in een groep leeftijdsgenoten.
Enerzijds wordt het kind zich in het kindercollectief bewust van de grenzen van zijn macht, door waarneming van de pogingen van de andere kinderen tot beheersing van de omgeving, zonder dat de frustratie zo volledig is als in de omgang met de volwassenen die immers 'alles weten en kunnen'. Als het kind tekortschiet, hoeft het niet meteen bang te zijn voor straf en verlies van liefde. Ze worden niet in een bepaalde richting gedwongen, er worden geen grote dingen van ze geëist, ze kunnen zich vrij ontwikkelen. De volwassenen bieden wel de mogelijkheden aan en de kinderen bepalen of ze deze mogelijkheden willen benutten. De opvoeder moet niet veel meer doen dan gunstige voorwaarden scheppen.
Antiautoritaire opvoeding betekent niet dat het kind alles mag. Het moet ook in aanraking komen met onlust en frustraties, om er zich tegen te kunnen wapenen. De beperkingen die je het kind oplegt mogen echter niet voortkomen uit eigenbelang of rolverwachting van de ouders.
Verboden moeten voor het kind begrijpelijk zijn.
Antiautoritaire opvoeding is opvoeding tot solidariteit en zelfstandigheid. Deze twee horen bij elkaar. zelfstandigheid moet je niet individualistisch opvatten, je bent het om echt solidair te kunnen zijn.
De maatschappij moet fundamenteel veranderen. Het is een autoritaire consumptiemaatschappij waarin het leven bepaald wordt door aangeprate behoefte (door industrie en economie) en niet door eigen behoeften.
Is antiautoritair onderwijs mogelijk? Een antiautoritaire school voor kinderen van 5 tot 15 jaar? Het is bedacht en uitgeprobeerd onder de noemer 'vertrouwen'.
"Je moet er vertrouwen in hebben dat het kind wenst te leren, nieuwsgierig is van nature. In vrijheid zal het kind kiezen om te leren."
(Summerhill)
"Hoe onzinnig om kinderen de beste uren van de dag en de mooiste jaren van zijn leven tot stilzitten en stilzwijgen te veroordelen."
(Decroly)
Het onderwijs kan bijdragen tot maatschappijvernieuwing, maar alleen dan als het zich werkelijk richt naar de behoeften van het kind. De antiautoritaire groep kan alleen invloed hebben als zij zich niet beperkt tot een elitair groepje.


Harry Teunissen & Eric van der Hoeven in Sunschrift over:
ANTIAUTORITAIRE EN SOCIALISTIESE OPVOEDING

Harrie Teunissen studeerde cultuur- en godsdienstpsychologie in Nijmegen en Parijs en islamwetenschappen in Leiden en Damascus. Van 1979 tot 1987 was hij werkzaam bij de vakgroep Theoretische en historische pedagogie (UvA) en publiceerde hij over opvoeding en psychoanalyse. Daarna verzorgde hij HOVO-cursussen, o.a. over 'De Mythe van de Reconquista: Moslims, Joden en Christenen in de Spaanse Middeleeuwen'.
Harry:
"Wij voeden ons Borisje antiautoritair op." Betekent dit: geen enkele beïnvloeding door de ouders, het kind volkomen vrij laten om dat te doen waar het zin in heeft?
Dit is niet alleen onmogelijk, maar ook gevaarlijk. Dit leidt namelijk tot egoïsme en onzekerheid. Zo iemand zal nooit in staat zijn zich ergens tegen te verzetten.
Antiautoritair betekent niet het ontbreken van manipulatie. Het kind moet wapens in handen krijgen waarmee het zelf vormen van manipulatie weet te beëindigen. Dat wil niet zeggen dat zo'n kind voortdurend geïndoctrineerd wordt; het manipuleren moet zo minimaal mogelijk zijn.
Ook de antiautoritaire opvoeding hanteert bepaalde waarden: autonomie en solidariteit.
Vanuit een verregaande vrije bevrediging van behoeften van het kind worden mogelijkheden geschapen die tot zelfregulatie leiden. Het kind leert autonoom beslissingen te nemen. Dit kan alleen in een collectieve opvoeding waar kinderen zich met meerdere ouders kunnen identificeren evenals met de (vele) andere aanwezige kinderen.
Eric
Met de antiautoritaire opvoeding beoogde men bij te dragen aan: Toen de psychoanalyse hierbij een belangrijke rol speelde werd de antiautoritaire opvoeding gekenmerkt door: Wat er aan ontbreekt is het zich bewust zijn van de nieuwe aanpassingsmechanismen die in de maatschappij hun intrede hebben gedaan. Je moet kinderen opvoeden tot niet aangepaste persoonlijkheden.
Het idee van opvoeden zonder dwang is niet reëel. Als je dat toch probeert en het kind behandelt als een zelfstandig persoon, dan doe je aan liberalistische opvoeding. Dat kweekt juist aangepaste persoonlijkheden. Deze opvoeding gaat uit van een laisser fair houding waar de gedragingen van het kind eerder gedoogd, of zelfs ontkend, dan gestimuleerd worden. Je moet het kind juist stimuleren tot het doen waar het zin in heeft.
De kinderen moeten zo opgevoed worden dat ze vormen van dwang die hen worden opgelegd als zodanig kunnen herkennen. Er zijn altijd beperkingen die je moet opleggen aan het kind, zoals het gevaar van een auto, kou of hitte enz. Maar je kunt gewoon deze beperkingen aan het kind uitleggen; verdoezel het niet. Zo'n opgelegde beperking kan agressie oproepen bij het kind. Het is belangrijk die agressie te accepteren en zeker niet bestraffen.
Antiautoritair opvoeden betekent dat het kind wapens in handen krijgt waarmee het vormen van manipulatie kan beëindigen.


E. Beyst over: GEVAAR VAN LIBERALISTISCHE OPVOEDING
Studiecentrum voor pedagogie, Hasselt, België
Liberalistische laisser fair vergelijken we met het socialistische principe van zelfregulering.
In beide gevallen worden de kinderen vrijgelaten, wordt er geen dwang op de kinderen uitgeoefend.
In een socialistische maatschappij worden alleen 'natuurlijke' behoeften bevredigd. Anders gezegd: alleen ware behoeften worden bevredigd en geen schijnbehoeften. We moeten onderscheid maken tussen primaire behoeften en afgeleide behoeften. Alleen de eersten zijn echt bevredigbaar. Je kunt eten om je honger te stillen (primaire behoefte) of 'gastronomisch' eten. In het eerste geval wordt een behoefte bevredigd, in het tweede geval is er altijd wel iets nog lekkerder en is er geen bevrediging.
De maatschappij is vooral gericht op het bevredigen van afgeleide behoeften.
Je moet het kind dwingen om bevrediging van gemakkelijke secundaire behoeften op te geven.
Een kind dat troost zoekt moet men dwingen om aan deze behoefte te verzaken (dat kan geweldloos, men weigert gewoon) omdat het hier gaat om een secundaire behoefte. Tegelijk moet men het kind dwingen om aan de primaire behoefte te voldoen: het uitschakelen van frustrerende omstandigheden. Evenwel elke vorm van dwang moet rationeel worden gemotiveerd. We zijn zelf zeer irrationeel opgevoed en dus zal ons eigen über-ich zeer irrationeel zijn. groepstherapie kan deze irrationaliteit onder controle krijgen.
De vooruitgang die we van kinderen verwachten, moet eerst bij de ouders worden gerealiseerd.
Kinderen hebben een zeer gevoelig waarnemingsvermogen voor onbewuste bedoelingen. Daar moeten de ouders zich van bewust zijn.
Kinderen van de laisser fair hebben een gering weerstandsvermogen tegen frustratie. Ze moeten capituleren voor de hoge frustratiedrempel waarvoor iedereen in de maatschappij zich geplaatst ziet.
Dit artikel staat stijf van de vreselijkste theorieën. Niet te pruimen in woordkeus en in idee.
Het is ook een voorbeeld van theoretiseren waar ouders op afknappen en het heeft geleid tot splitsingen van crèches.



Economische faculteit Groningen, MANIFEST 'Naar een socialistische economie'
Oorspronkelijke titel: Toward socialist economics, uit 1969.
De burgerlijke economie is een techniek voor de consolidatie van het kapitalisme.
(Ernest Mandel) De universiteit ondersteunt de hegemonie der heersende bourgeoisie over de bevolking, door de vorming van de persoonlijkheid en geest van de studenten, zodat zij voldoen aan de behoefte van het kapitalisme. De functie van het onderwijssysteem als geheel is om de gehoorzaamheid aan de heersende klasse op te wekken.
De Keynesiaanse theorie stelt de vraag: wat veroorzaakt inflatie? Terwijl de werkelijke vraag is: wie veroorzaakt inflatie? We treffen hier een moeilijk navolgbaar theoretisch stuk over economie, m.i. humorloos en niet te lezen.


De Heilige Familie (film) De VPRO zond in 1971 de documentaire De heilige familie, een reportage van Jan van den Brink over de opvoeding van kinderen in een anti-autoritaire crèche begin jaren-70.


1971 april
F.W.D. in Trouw over: Een huisvrouw is niet automatisch thuisvrouw.
Over een uitgave (Huisvrouw-Thuisvrouw) in de sociale en culturele reeks van Samson, door Hedy d'Ancona.
"Het is de hoogste tijd dat we ophouden om van iedere huisvrouw automatisch een thuisvrouw te maken. Het wordt tijd dat we ophouden om mensen tot een gedrag te forceren in plaats van hun keuzemogelijkheden in dit opzicht te vergroten."
Hedy d'Ancona komt tot de conclusie dat er van al die 'typisch' mannelijke en vrouwelijk eigenschappen bij nadere beschouwing maar weinig overblijft: de vrouw heeft bepaalde eigen biologische kenmerken die echt niet als verklaring kunnen dienen voor alle stereotypen die als typisch vrouwelijk gelden. De praktijk heeft bewezen dat dat projecties zijn van sociale ideeën. Begaafdheid en talent liggen in beide seksen verzekerd, sommige karaktereigenschappen zoals emotionaliteit zijn niet typisch vrouwelijk, maar menselijk. Alleen worden zij bij de opvoeding van meisjes aangemoedigd en bij jongetjes onderdrukt. Aldus de schrijfster.


1971
R GRIGAT & R KEMMLER psychologen
Titel van het boek: autoritair of antiautoritair opvoeden?
vertaald door Monique Roosen-Dony
Uitgegeven door De Nederlandse Boekhandel
Eerste Duitse uitgave in 1971
uit de tekst achterop:
'De eeuw van het kind is begonnen! Het is wel tientallen jaren te laat, maar het is er uiteindelijk toch van gekomen.'
Voor de ouders wordt de situatie er niet eenvoudiger op. Velen voelen zich onmachtig en vertonen één punt van overeenkomst: een enorme onzekerheid.
Is de opstandigheid van de jeugd gerechtvaardigd? Is de opvoeding van de ouders van nu werkelijk zo hopeloos ouderwets en autoritair? Is zij inderdaad waardeloos voor de toekomst?
Spreekt men tegenwoordig zoveel over opvoeding, omdat ouders er meer voor openstaan en onbewust aanvoelen dat het jongerenprotest gerechtvaardigd is?

Met deze en nog meer vragen in het achterhoofd hebben de auteurs een vijfentwintigtal conferenties over antiautoritaire opvoeding gehouden. Daarin probeerden zij uit te zoeken hoe de ouders van nu hun kinderen opvoeden, welke plaats die opvoeding in hun leven inneemt en wat de kinderen voor hen eigenlijk betekenen.
Om een zo volledig mogelijk inzicht van het complexe probleem te krijgen, hebben de schrijvers contact opgenomen met communes, woongemeenschappen, antiautoritaire kleuterscholen en kinderbewaarplaatsen.
Naast een beschrijving van de opvoeding in al haar huidige vormen wordt de lezer een kritische doorlichting geboden van de verschillende opvoedingssituaties en de vooronderstellingen die aan de opvoedingsmodellen ten grondslag liggen.
Nieuwe intermenselijke verhoudingen en gezinsstructuren komen hier aan bod.
Enkele concrete aanduidingen uit de dagelijkse opvoedingspraktijk sluiten het boek af.
Opvoeding moet en mag geen sleur zijn. Door het hele boek heen blijkt hoe het een groots gebeuren kan worden, dat tot doel heeft zichzelf overbodig te maken, tot onafhankelijkheid en vrijheid van de mens, wars van elke voorbereiding op het grote systeem dat als in een netwerk het individu gevangen zet.
Uit de inleiding:
De ene keer wordt ons aangeraden streng te zijn, de andere keer de kinderen zo vrij mogelijk te laten. Dit kan niet anders dan onrust en verwarring zaaien.
Omdat zij zelf vroeger streng opgevoed werden, menen vele volwassenen dat zij hun kinderen ook op die manier moeten opvoeden. Zijzelf hebben immers 'iets bereikt in het leven'. Andere ouders echter redeneren precies andersom: 'mijn kinderen moeten het beter krijgen dan ik'. Dan zijn er ouders die waarschuwen: wacht maar tot je derde of vier kind eraan komt, dan spreken we elkaar nog eens nader.

Na de oorlog waren niet alleen onze huizen en steden verwoest, maar onze ganse maatschappij lag ik puin. De democratie werd ons min of meer opgedrongen. Wij waren er nog niet rijp voor.
De huizen waarin we leven zijn veel te klein en bovendien te duur. Onze steden zijn oorden van verschrikkelijke ongastvrijheid.
Het beroepsleven is harde geworden. Vaak gaan beide ouders werken, komen na een dagtaak in de kleine woning, vader moe, moeder zenuwachtig, de kinderen rumoerig. Grootmoeders zijn een zeldzaamheid geworden; er is geen plaats voor hen.
En wat te doen met de vrije tijd? Meer en meer worden we gedwongen tot consumptie.

De jonge generatie is kritisch geworden. Een hoge levensstandaard bevredigt haar niet. Zij rebelleert tegen de prestatiedwang van onze maatschappij. Zij weigert zich nog langer te laten opslokken door het slopende ritme van deze tijd.
Wat hun ouders een leven lang moeizaam opbouwden, verachten zij. Ze weigeren zich aan deze maatschappij aan te passen. 'stank voor dank' zeggen hun ouders.

De eeuw van het kind is begonnen!


1972titel van het boek: SOCIALISTISCHE OPVOEDING
Samengesteld door Jacques Meerman
uitgegeven door de: Kritiese Biblioteek
met bijdragen van Karl Marx, Friedrich Engels, Clara Zetkin, Hoernle, Lenin, Krupskaja, Makarenko, Hofmann, Mirosjnitsjenko, Engelander, Nyssen.
Uit het nawoord van Jacques Meerman
Waar zou het kind in vredesnaam 'neutrale categorieën' vandaan moeten halen? De ouders hebben ze niet, de samenleving evenmin. Het kind zou ze mee moeten brengen bij zijn geboorte, als het even kan ver van verkeerde invloeden.

Ook antiautoritaire ouders waren niet of nauwelijks in staat om positieve doelen te formuleren. Een dergelijke formulering zou immers een expliciet-autoritaire ingreep van de kant van de ouders betekenen.
De beweging, zo hoopvol begonnen in 1968, is ondermijnd door liberalisme en ontmoediging.
Toch hebben Marx en Freud aan hun wieg gestaan. Wat ze van deze voormannen gretig overnamen, was de kritiek op de burgerlijke gezinsstructuur als afspiegeling van de kapitalistische productiewijze.

De marxistische kritiek is bij de 'echte' antiautoritairen nooit meer geweest dan een snuifje psychologie. Tegen iedere vorm van autoriteit gerichte ideeën reduceren de revolutie in feit tot een psychologische problematiek.
Vermijden van ouderlijke beïnvloeding en indoctrinatie, zou het kind in staat moeten stellen zijn eigen waarden te scheppen. De volwassene mag geen centrale rol meer spelen en er is geen plaats voor concurrentie en prestatiemoraal. De kinderen leren niet meer de 'mannetjes-vrouwtjes'-rol. Het zijn nobele pogingen, maar een dergelijke opvoeding is geen kleinigheid. Zoiets vraag veel kennis, veel vrije tijd en een permanente zelfkritiek. Wij zijn immers allemaal 'autoritair' opgevoed. De autoriteit zit in onze botten. Bijna alles wat we ongecontroleerd doen, getuigt daarvan.
Aan deze vereisten kan slechts door een deel van de intellectuele bovenlaag worden voldaan. Ziedaar de klassegebondenheid van de antiautoritaire opvoeders.

Onder de huidige omstandigheden heeft iedere opvoedingswijze politieke achtergronden en politieke gevolgen. We moeten vragen welke inhouden worden overgedragen en ten gerieve van wie.
We zullen onze eigen politieke betrokkenheid zichtbaar moeten maken voor het kind, bijvoorbeeld door lid te worden van een partij of actiegroep, vergaderingen en demonstraties bijwonen, enzovoort, dingen waar de kinderen op kunnen reageren, vragen over stellen, over nadenken.
Waarom zou een kind zich wel Nederlander, maar geen socialist mogen voelen? Indoctrinatie? Nonsens. Wie een voetbalclub traint, houdt rekening met de psyche van de voetballers; wie kinderen opvoedt zal rekening moeten houden met de denkwijze van kinderen. Waarom zou je ze iets onthouden dat ze later nodig hebben voor de strijd voor een betere samenleving? Juist in de eerste tien jaren worden bij het kind de hardnekkigste loyaliteitsgevoelens aangekweekt.

Het kind moet worden gestimuleerd tot vragen stellen, tot reageren op de dingen die het ziet, tot zelfwerkzaamheid en initiatief. We moeten in een situatie van dwang en geweld toch autonome individuen voortbrengen, die toch in staat zijn tot een disciplinaire werkwijze. Discipline kan een noodzakelijk middel zijn voor de bestrijding daarvan.

Tenslotte:
Socialistische opvoeding kan niet zonder historisch perspectief. Ze houdt zich bezig met de vraag aan welke materiële en geestelijke voorwaarden moet zijn voldaan om geluk voor iedereen zo veilig mogelijk te stellen. Door een historische aanpak hoef je je niet te verdedigen tegen het verwijt van dogmatisme.


1972
STRUKKEL
Tweemaandelijks strijdschrift 1972
enkele artikelen uit Deel 1

WAAROM HET STRIJDSCHRIFT "STRUKKEL"?
Zeer lange tijd is nadere informatie over een onderwerp dat nog steeds enorme belangstelling blijkt te hebben, uitgebleven: de antiautoritaire opvoedingsexperimenten. Deze waren eind 1969, begin 1970 van start gegaan in Nijmegen, Amsterdam, het Belgiese Hasselt, Leuven en Antwerpen, in de zogeheten antiautoritaire kresjes of kinderkommunes. Doen van deze groepsgewijze opvoeding voor kinderen van 2 tot 4 jaar was (en is nog steeds):
Het mogelijk maken van een maximale zelfontplooiing en zelfregulering op basis van een vrije lustbeleving.
Het zich bevrijden van autoritair gedrag door de opvoeders, het tegengaan van onderdrukking (meestal onbewust) van de kinderlijke lustbeleving, bleek in de praktijk niet doenlijk zonder dat de ouders zich bewust werden van de oorzaken van hun goed bedoelde, maar negatief uitwerkende houding tegenover het kind. Deze attitude werd namelijk bepaald door de eisen van een autoritaire, prestatiegerichte samenleving als de onze, zodat het nodig zou zijn "to struggle" tegen de bestaande "struk"turen, juist om een goede ontplooiing van "uk" te verwerkelijken.

Waarom heeft u ruim twee jaar niets meer gehoord over de verdere ervaringen in de kresjes? Enerzijds hangt dat samen met het karakter van de burgerlijke pers: zolang iets nieuw, spektakulair en liefst nog sensationeel is (en dus 'verkoopbaar'), wordt er geschreven. Zodra die aspekten van een fenomeen er af zijn, laat men het onderwerp eenvoudig vallen.
Anderzijds is het van de kant van de landelijke werkgroep antiautoritaire en socialistische opvoeding bij de uitgave van Sunschrift 34 'antiautoritaire en socialistische opvoeding' gebleven. Het was oorspronkelijk de bedoeling dat 'Proletarische opvoeding' in dezelfde serie bij de Socialistische Uitgeverij Nijmegen zou uitkomen (een Duitse vertaling van Edwin Hoernles' Proletarische Erziehung), maar dit boek zou te ver vooruitgegrepen hebben op de ontwikkeling van theorie en praktijk in Nederland en België.
Wat er wel gebeurde was het volgende:
  1. Er werden nog talloze kresjes opgericht die zich al of niet terecht het predikaat 'antiautoritair' aanmatigden, vooral na de tv-uitzendingen, zowel in België als in Nederland, van de Duitse film 'Opvoeding tot ongehoorzaamheid', die het a.a.-opvoeden mede tot een modeverschijnsel maakten.
  2. Er verschenen in diverse vakbladen (o.a. twee NVV-periodieken) negatieve reakties vanuit traditionele hoek (mej. M.W. Nijkamp) op de antiautoritaire opvoedingspraktijk: antwoorden in de vorm van ingezonden stukken van onze kant werden niet opgenomen; een uitzending over de Antwerpse kinderkommune voor de gewestelijke zender Antwerpen werd door de direktie van deze zender afgelast.
  3. Er kwam een Nederlandse film, De Heilige Familie, tot stand die handelt over de a.a.-kresj Prins Constantijn te Amsterdam. Voor deze film blijkt een overweldigende belangstelling te bestaan. Avond aan avond vinden er vertoningen plaats van ettelijke in roelatie gebrachte kopieën. In een enkel geval wordt een lid van de Amsterdamse kresjgroep uitgenodigd voor een toelichting, maar voor 99% mist de film eigenlijk zijn doel omdat hij natuurlijk geen systematies inzicht kan bieden in de zo langzamerhand vrij omvangrijke teoretiese ontwikkelingen en praktiese ervaringen.
  4. De destijds opgerichte 'Landelijke Werkgroep' waarin mensen uit Nederlandse en Belgiese kresjes zaten, bleek het niet te doen. Dit blad kan als iets gelijkaardigs gaan functioneren, ter ondervraging van de informatieve en coördinerende functie van de gestrande 'Landelijke Werkgroep'.
  5. Er valt een malaise waar te nemen in heel wat bestaande a.a.kresjes. Men wil afstappen van het goedbedoelde, maar vrijblijvend liberalisme. Een manier om dat te helpen realiseren is informatie geven aan hen die van ver of dichtbij wat te maken hebben met de antiautoritaire opvoeding. Iedereen die van mening is dat de opvoeding voor een kind erg belangrijk en bepalend is, zal in dit blad herhaaldelijk verwezen worden naar de totaliteit van de strukturen waaraan eerst wat moet veranderen, wil men tot een betere en vrijere opvoeding komen.

Gegeven deze situatie leek de uitgifte van een eigen blad een onontkoombare noodzaak. De eigenlijke motivatie voor het verschijnen van 'Strukkel', zoals die ook uit de inhoud (c.q. de rubriekenindeling) kan worden afgeleid, kan in vijf punten worden samengevat:
    1. Teorie. Opvoeden is allerminst een vrijblijvende aangelegenheid. Iedere opvoeder zou verplicht moeten zijn zich een duidelijke opvatting eigen te maken over het doel van opvoeden. Vooral zij die het inpassen van kinderen in het bestaande produktie- en konsumptiepatroon nu niet bepaald als ideaal beschouwen, zullen gebaat zijn bij het toegankelijk maken van (veelal uit het Duits te vertalen) literatuur en teorie over antiautoritaire opvoeding.
    2. Podium. Gezien het feit dat aandacht in de massamedia meer bepaald wordt door het winstmotief dan door een zekere verantwoordelijkheid tegenover de opvoedende lezers-kijkers-luisteraars, die zou moeten betekenen dat berichtgeving over bijv a.a.-opvoeding niet plotseling kan stoppen als het niet meer "in" is, zullen we onszelf een podium moeten verschaffen voor verslagen uit de verschillende kresjes. We zullen zelf regelmatig beschrijven hoe het nu eigenlijk verder gaat met de eenmaal begonnen experimenten en zullen afrekenen met vooroordelen en misvattingen van de burgerlijke pedagogie.
    3. Onderwijs. Een van de meest bestelde vragen rond antiautoritaire opvoeding is: "Wat gebeurt er met de kinderen als ze naar de lagere school gaan?" In dit nummer brengen we een verkorte tekst van een reportage over antiautoritaire kinderen in het eerste schooljaar, uitgezonden door de Duitse televisie op 10 januari van dit jaar. Het betrof hier een vervolg op "Erziehung zum Ungehorsam", de film die de kresjpraktijk in een aantal Duitse Kinderläden in beeld bracht. Het ligt voor de hand dat wij in moeten gaan op de relatie tussen school en antiautoritaire opvoeding, wat we dan ook doen.
    4. Correspondentie. Het is natuurlijk niet zo dat iedere a.a.-opvoeder het in alle opzichten met elk antikapitalisties opvoedingskonsept in zijn konsekwenties en uitvoering eens is. Alleen al de kwestie: antiautoritair of socialisties of proletaries opvoeden zal stof voor diskussie opleveren. Daarnaast bestaat uiteraard de mogelijkheid om vragen aan de redaktie voor te leggen of allerlei praktiese problemen aan de orde te stellen. Het gaat hierbij o.a. om de uitwisseling van ervaringen, het ventileren van meningen, enz.
    5. Boek- en filmbesprekingen. Relevante literatuur (en films) voor het a.a.-opvoeden plus het kritiseren van burgerlijke pedagogie zal niet in de laatste plaats van belang zijn. Tevens wordt een agenda bijgehouden.

    "Strukkel" is een Belgies-Nederlands koproduktie van mensen uit de a.a.-praktijk, die zich op het standpunt stellen dat een evolutie van antiautoritair naar socialistiese opvoeding geboden is. Dit eerste nummer wil een bescheiden, nog niet direkt scherp kontroversieel begin maken met de publikatie van materiaal dat in de loop van tweemaandelijkse toekomstige verschijning meer zal worden uitgediept. Wij streven naar een ruim mogelijke verspreiding onder die linkse kringen die vinden dat een echte linkse opstelling niet gepaard kan gaan met de voorgezette onderdrukking van de vrouw, de handhaving van het burgerlijke gezinspatroon en een burgerlijke opvoeding.

    De redaktie.
    **********



    teorie

    Deze rubriek zal bestaan uit teoretiese bijdragen ten behoeve van hen, die a.a.-opvoeding in praktijk wensen te brengen. Ter inleiding een tweetal meer algemene artikelen over de wisselwerking tussen maatschappij en opvoeding.

    ANTIAUTORITAIRE OF SOCIALISTISCHE OPVOEDING
    1.
    Je kunt je een samenleving voorstellen, waarin ieder juist voldoende voedsel en werktuigen kan produceren om in leven te blijven. Dat is het geval in een primitieve samenleving op de laagste trede van zijn ontwikkeling. Er komt een moment dat men door de toepassing van een arbeidsbesparend werktuig, zoals een visnet of een ploeg, meer kan gaan produceren dan strikt noodzakelijk is voor het eerste levensonderhoud. Er ontstaat dan een produktie-overschot. Er kan dan een strijd gaan komen voor de verdeling, verdediging en vergroting van dat overschot. Bovendien verschaft zo een produktie-overschot aan een deel van de bevolking de mogelijkheid zich geheel of gedeeltelijk bezig te houden met andere taken dan de voedselproduktie. Er gaat dan een elite ontstaan, vorsten, militairen, grootgrondbezitters, priesters die zich niet meer direkt met de produktieve arbeid bemoeien. En bovendien door hun machtspositie geneigd zijn zich steeds meer van het produktie-overschot toe te eigenen, zodat ze steeds rijker worden. Het andere deel van de bevolking zorgt dan dus vrijwillig voor het eigen levensonderhoud, maar bovendien meestal niet meer vrijwillig voor het onderhoud van de elite.
    Ook in onze moderne hoogontwikkelde samenleving bestaat een produktie-overschot. De mensen die met het werkelijke produceren van goederen belast zijn, produceren ook voor dat deel van de bevolking dat geen produktieve arbeid verricht. Het noodzakelijke gevolg daarvan is dat zij voor de goederen die zij vervaardigen minder loon krijgen dan de vervaardigde goederen waard zijn. Een meubelmaker in een fabriekje kan bv. twintig stoelen maken in een week. Hij ontvangt daarvoor als loon 20 fr. De direkteur in wiens dienst hij werkt, verkoopt de stoelen voor 1200 fr. Het verschil ad. 1000 fr - gebruikt de direkteur om investeringen te doen in machines, belasting te betalen enz. Maar ook als beloning voor zijn eigen organisatorische arbeid. In ieder geval komt dus een deel van dat verschil, soms een klein, maar vaker een onevenredig groot deel, ten goede aan de drekteur en eventueel de kommissarissen en aandeelhouders van de fabriek. Deze laatsten verrichten zelf geen produktieve arbeid maar profiteren toch direkt van het werk van de arbeiders. En het verschil tussen het loon en de waarde van de vervaardigde goederen, die 1000 fr, komt niet maximaal ten goede aan ons allemaal, maar belandt in werkelijkheid in de zakken van slechts een klein deel van de bevolking. De mensen die op deze manier bestaan van het produktie-overschot in de maatschappij, hebben er natuurlijk belang bij dat deze maatschappelijke verhoudingen blijven bestaan. Bewust of onbewust zullen ze de anderen bij proberen te brengen dat deze verhoudingen goed zijn, dat organiseren een zeer belangrijke produktieve bezigheid is waartoe slechts zij in staat zijn. Deze situatie kan worden bestendigd als het hoger onderwijs een privilege is van deze zelfde groep mensen, zoals ook in onze samenleving het geval is. Slechts 5% van de studenten aan een universiteit zijn arbeiderskinderen. God heeft de standen gewild, leerde de Katholieke Kerk vroeger en misschien geloofde ze dat zelf ook wel.
    2.
    Door middel van opvoeding kan men de mensen zeer effectief iets laten geloven. Wie als kind altijd alleen maar de geschiedenis heeft geleerd van vorsten, soldaten en miljardairs, wie alleen maar heeft teren rekenen in winst en verlies, wie bij het godsdienstonderwijs alleen maar hoorde van het paradijs in de hemel en de hel op aarde, van zuinigheid en vlijt op aarde om het hemels paradijs deelachtig te worden; wie altijd door middel van rapportcijfers is aangezet tot prestaties leveren en karrière maken op kosten van anderen, wie altijd is voorgehouden dat je man wordt in dienst en als vrouw in het huishouden hoort, die zal zonder veel nadenken (want nadenken wordt niet geleerd) bereid zijnde bestaande verhoudingen te accepteren zoals ze zijn.
    3.
    … en als vrouw in het huishouden hoort … we noemden dat voorbeeld niet toevallig. Want bij het standsverschil in de maatschappij hoort ook een gezinsvorm met een standsverschil: eerst de man, dan de vrouw en tenslotte de kinderen. De kinderen zijn er daarbij vaak het slechtst aan toe. In het huis waar zij wonen heerst de orde van de volwassenen: de kinderen mogen niet stampen, omdat het huis zo gehorig gebouwd is, en de buurvrouw dreigt de politie te bellen: ze moeten stil zijn als de TV aanstaat of, wat bijna nog heiliger is, als de grote mensen praten; ze mogen niet met zand of verf of klei spelen, vanwege het tapijt of het nieuwe parket, niet op straat spelen vanwege het idiote verkeer… zo zijn er honderden beperkingen te bedenken. Genoeg mensen vragen zich af of al die beperkingen van de kinderlijke levenslust wel zo nuttig zijn voor hun ontwikkeling tot een vrij en alzijdig ontwikkeld mens. Maar de mensen die zich dat afvragen, hebben niet genoeg macht om de omstandigheden zo te veranderen dat de kinderen beter tot hun recht kunnen komen; ze kunnen geen betere huizen maken, niet het verkeer afschaffen enz. Maar er is nog een reden waarom die beperkingen niet zo gemakkelijk kunnen verdwijnen: wie van jongs af aan gewend is om onderdrukt te worden, zal dat ook als volwassen in dienst of in de fabriek of in het huishouden gemakkelijk kunnen accepteren.
    In ieder gezin zijn er wel eens moeilijkheden tussen de ouders. De man kan moeilijkheden hebben in zijn werk, de vrouw in het huishouden. Kinderen merken dat en ze lijden er vaak heel wat meer onder dan de volwassenen vermoeden. Ze kunnen er, als de moeilijkheden erg groot zijn, hun leven lang geestelijk onder te lijden hebben. De moeilijkheden van de ouders kunnen meestal niet voorkomen worden, maar de kinderen hoeven daar veel minder onder te lijden hebben dan normaal het geval is. Het eenvoudigste middel daartoe is een crèche: de kinderen spelen een belangrijk deel van de dag met leeftijdsgenoten (wat ze fijn vinden), en staan veel minder bloot aan de moeilijkheden van de ouders.
    4.
    Een crèche heeft voor de kinderen verschillende voordelen, natuurlijk op voorwaarde dat de crèche goed wordt geleid. Want in een crèche hoeft de kinderlijke levenslust veel minder beperkt te worden dan thuis, ze krijgen de kans om met leeftijdsgenoten te spelen, en ze krijgen - wat misschien nog belangrijker is - eerder de kans om hun konflikten zelf op te leren lossen.
    Bovendien zijn ze minder aan de spanningen van thuis onderhevig. Zo hebben bijv onderzoekingen bij kibboets-kinderen, die kollektief in kibboets-crèches en scholen waren opgevoed, uitgewezen dat de verhouding van deze kinderen tot hun ouders in de puberteit veel beter was dan bij kinderen die geheel in het gezin waren opgevoed.
    Je kunt de noodzaak van crèches ook nog op een andere manier beredeneren. We hebben in het begin al gezien dat het produceren van dingen heel belangrijk is in onzer maatschappij. Zonder produktie zou bijna iedereen op slag gedoemd zijn te sterven van honger dorst en ziekte. Produceren is zo ongeveer het belangrijkste wat er in onze maatschappij gebeurt. Traditiegetrouw hebben mannen in het algemeen volop deel aan dat allerbelangrijkste, en vrouwen in het algemeen niet. Maar als de produktie inderdaad zo belangrijk is, dan is het voor de maatschappelijke emancipatie van de vrouw absoluut noodzakelijk dat ook zij volop deel kan hebben aan het produktieproces. Nu is het natuurlijk zinloos om te zeggen dat dan de man maar in het huishouden moet: ook hij heeft recht op een plaats in het produktieproces. Blijven over de kinderen die dan overdag buiten het gezin kollektief zouden moeten worden opgevoed. En we hebben al gezien dat zo'n kollektieve opvoeding veel goede kanten heeft.
    5.
    Crèches zijn op zichzelf dus al een goed ding. Waarom dan nog een speciale antiautoritaire crèche? De eerste reden is heel in 't algemeen dat veel 'gewone' crèches toch doelbewust blijven aansluiten bij de normale autoritaire opvoeding thuis en op school. De opvoeding dus tot gehoorzaamheid en het aanvaarden van de voorgeschreven en bestaande maatschappelijke verhoudingen. Dat betekent dus dat in gewone crèches toch vaak niet alle mogelijkheden worden uitgebuit. Vaak worden aan kinderen in gewone crèches toch nodeloze beperkingen opgelegd om ze niet aan een vrijheid te wennen die ze 's avonds thuis toch ook niet kunnen hebben. De tweede reden is dat in een gewone crèche dus ook niet de eventuele maatschappij-veranderende mogelijkheden worden uitgebuit.
    In een antiautoritaire crèche wordt geprobeerd die mogelijkheden wel te benutten. Daarbij worden fouten gemaakt, zoals overal waar dingen worden geprobeerd. Des te meer, omdat er nauwelijks een antiautoritaire traditie bestaat. Dat betekent dat we vrijwel alle problemen zelf moeten oplossen, en we zijn niet opgevoed om zelfstandig te denken. We moeten de kinderen leren dat de bestaande ekonomische verhoudingen geen dingen zijn waar ze zich bij neer moeten leggen.
    En wijzelf als ouders moeten zien wat er konkreet voor nodig is om de maatschappelijke verhoudingen te veranderen. Toegepast op de crèchesituatie betekent dat, dat de kinderen leren samen te werken omdat niemand alleen iets klaarspeelt. Ze moeten solidair en strijdbaar zijn. En ze moeten inzicht krijgen in de maatschappelijke verhoudingen omdat hun strijdbaarheid anders in de lucht hangt. Een noodzakelijk gevolg daarvan is, dat ze ook bereid moeten zijn om een stuk van hun persoonlijke vrijheid op te offeren, anders is de verwerving van de noodzakelijke kennis niet mogelijk en ze zouden niet kunnen werken in het kader van een organisatie of partij die op werkelijke veranderingen is gericht.
    Antiautoritaire opvoeding betekent dus niet dat iedere autoriteit wordt afgebroken. De eerste autoriteit waartegen ten strijd wordt getrokken is de politieke en economische autoriteit, de kapitalistische staat die door zijn leger, zijn politie, zijn onderwijssysteem de belangen behartigt van diegenen die van de welvaart het meeste profiteren. Om de strijd voor een gelijke verdeling van de welvaart zo effektief mogelijk te maken, kan het heel goed nodig zijn sommige andere autoriteiten wel te accepteren. Antiautoritaire opvoeding betekent dus helemaal niet zonder meer dat de ouderlijke autoriteit wordt afgebroken. Ook de ouderlijke autoriteit kan best gerechtvaardigd zijn, als ze tenminste op kennis, ervaring en strijdbaarheid berust, en niet op traditionele machtsverhoudingen en prestige-behoeften. Solidariteit tussen de ouders en kinderen zal noodzakelijk zijn om strijd te kunnen leveren voor een betere verdeling van de macht en de welvaart. Wij zijn niet meer alleen verantwoordelijk voor ons eigen welzijn, voor onze eigen kinderen, maar ook voor die van anderen, van alle anderen.

    JACQUES MEERMAN
    **********



    KUNNEN WE DOOR EEN ANDERE OPVOEDING EEN ANDERE MAATSCHAPPIJ KRIJGEN?

    In zijn geschrift Kinderheim Baumgarten van 1921 bescrhijft Siegfried Bernfeld zijn ervaringen met wat hij noemt "een ernstige poging tot nieuwe opvoeding in socialistische zin" in een inrichting voor ongeveer 300 joodse oorlogswezen in Wenen. Het eksperiment duurde van augustus 1919 tot april 1920.
    Het behoort tot een van die weinige eksperimenten waarbij een antiautoritaire opvoeding met een vrije socialistische visie gecombineerd wordt. In de voorbeelden die Bernfeld geeft, herkennen we allerlei situaties die we uit de antiautoritaire opvoeding kennen: de kinderen maken zich vuil, lopen naakt, kletteren met lepels, krassen op tafels, spelen eindeloos voetbal in plaats van te leren. De staf gedraagt zich als mensen die een andere mening kunnen hebben, maar die niet opdringen. De staf vormt ook een opvoedingskollektief en er is vergaand zelfbestuur waarbij van onder op de chaos bedwongen wordt door een stelsel van afspraken.
    Er ontstaat een soort antiautoritair opvoedingsdorp en het is aandoenlijk om te lezen hoezeer Bernfeld worstelt met het probleem van de leider die niet onderdrukkend wil zijn, maar ook de versluierde vormen van onderdrukking (die van slimheid en aardig zijn) niet aanvaardt. Opvallend is ook hoe hij beschrijft dat jongens die in de schoolraad gekozen worden van gedrag veranderen en fanatieke voorvechters kunnen worden van gezag en orde. Als er dan stemmen opgaan onder de kinderen om de schoolraad af te schaffen en Bernfeld weer gewoon direkteur te laten zijn, wordt dit afgewezen. Waarin een periode ontstaat van intensieve betrokkenheid van de kinderen bij alles er gebeurt. Er is niets meer waar zij zich niet mee bemoeien.
    Deze procesvoortgang, dat weten we nu, is een buitengewoon moeilijke zaak. Heel deze ontwikkeling stuitte bij het stichtingsbestuur op de heftigste tegenstand. Men aanvaardde dat niet, men voelde zijn eigen overbodigheid, met werd onmogelijk. En Bernfeld werd ervan beschuldigd - zoals dat dan gaat - dat hij niet kon organiseren en dat hij alle macht aan zich wou trekken.
    Het eksperiment moest worden beëindigd en zo ging weer een eksperiment, waarbij in de opvoeding ernst werd gemaakt met wat Bernfeld met mooie woorden noemt: "de afschaffing van opvoedingsbelustheid" en "ikgeilheid", de mist in. Bernfeld wordt ontslagen, de gehele staf neemt kollektief ontslag. Dit alles was voor Bernfeld een grote schok en hij gaf de hoop op de opvoeding werkelijk te kunnen veranderen. Bernfeld heeft zelf ervaren dat de verwerkelijking van antiautoritaire opvoeding in de huidige maatschappij op een bepaalde grens stuit. Hij is een der weinigen die dit grenskarakter van de opvoedingsarbeid goed geanaliseerd heeft.
    Dit doet hij in zijn "Sisyphos, of de grenzen van de opvoeding", een geschrift uit zijn Berlijnse tijd van '24, waar hij een genadeloze en nog steeds geldige kritiek geeft op wat hij noemt de burgerlijke opvoedingsideologie. Hij noemt die grens de maatschappelijke grens van de opvoeding. die grens wordt door de verontruste burgers aangetrokken en deze grens kan men alleen ontdekken vanuit een opvoedingspraktijk die in konflikt komt met de heersende, dat is de aan-de-macht-zijnde opvoedingsopvattingen.
    De affaire rondom Kosmokomplot II, om de lijntjes even door te trekken naar nu, heeft deze grens bijvoorbeeld ook zichtbaar gemaakt. Deze maatschappelijke grens, zegt Bernfeld, kan men niet vanuit de opvoeding zelf doorbreken. Deze grens is geen pedagogische, maar een politieke. Bij het zichtbaar maken van de grens ontdekt men dat de opvoeding een dienstknecht is van de bestaande orde. Dit betekent dat de bestaande opvoeding een door politieke grenzen afgebakend gebied is en dus zelf politiek terrein. Het zijn de heersende machten die het kader vaststellen waarbinnen 'de' opvoeding zich kan voltrekken.
    We kunnen heel deze welzijnssektor (onderwijs, opvoeding, vormings- en ontwikkelingswerk) dan ook het best beschouwen als een soort pedagogisch reservaat dat goed bewaakt wordt en waar ook wilde beesten mogen ronddartelen.
    De laatste jaren van zijn leven - Bernfeld moest in 1933 uit Berlijn vluchten - heeft hij de tegenstelling tussen wat hij noemt de burgerlijke opvoeding en de socialistische opvoeding voortdurend uitgediept.

    En daarmee zitten we dan ook nu weer in het hart van twee heropende diskussies: in de eerste plaats die over de inhoud van het socialisme, waarbij niet die naam voorop staat, maar het scheppen van gelijke ekonomische en kulturele kansen voor ieder mens, en de organisatie van de maatschappij op basis van zelfbestuur in diverse werksituaties. En in de tweede plaats die over de samenhang van levensbeschouwing en maatschappelijke wanorde, die bij de jongeren centraal staat.
    Bij het noemen van de begrippen 'burgerlijk' en 'socialistisch' zullen intussen wel veel wenkbrauwen omhoog zijn gegaan. Maar als Bernfeld deze tegenstellingen op de opvoedingssituatie betrekt, dan doet hij niet iets dat nu ouderwets is, maar dan hanteert hij een stuk marxistische maatschappijleer. Daar worden o.a. drie grote ideologieën onderscheiden die elk behoren bij een bepaalde organisatievorm van de maatschappij: "de feodale, de burgerlijke en de socialistische". Een ideologie levert een wijsgerige verklaring van de maatschappij zoals deze is, op basis van de belangen van de heersende groepen.
    De feodale ideologie is de belangenideologie van de adel en geestelijkheid (1ste en 2de stand) en daarbij staat de wereldlijke en geestelijke hiërarchie centraal. Vanaf de 16de eeuw wordt deze vervangen, zonder overigens te verdwijnen, door een ideologie die belangen dient van de opkomende derde stand, de burgerij en waarbij het individu, het individualisme en het vrije ekonomische spel voorop staan. En in de 19de eeuw, als de burgerij haar revolutie is vergeten, ontstaat met de opkomst van de arbeidersklasse de vierde stand, de socialistische ideologie. Deze wijst de hiërarchie boven de mens af, maar ook - en dat is inmiddels vergeten - de hiërarchie buiten de mens. Zij stelt de onderdrukkingsvrije relatie tussen mensen voorop die alleen in een klasseloze maatschappij kan worden waargemaakt. In zijn vervalsvormen koppelen sommige socialismen terug naar het herstel van die hiërarchie en aanvaarden ze de klassen.

    Bernfeld wijst erop dat we allen bepaald zijn door en handlangers worden van de burgerlijke ideologie door ons individualisme, door onze aanpassing aan de autoritaire en hiërarchische verhoudingen, door eigenbelang centraal te stellen, allerlei konkurrentieverhoudingen te aanvaarden, door onze passiviteit bij het exploiteren en uitbuiten van mensen, groepen, rassen en hele werelddelen. Wat wij nu noemen: het militair industrieel komplex is met zijn ongebreidelde hebzucht de harde kern van deze ideologie. De taak van de burgerlijke opvoeding nu, zegt Bernfeld, is het inbakken van deze ideologie in de nieuwe generaties. Zij kan dat alleen goed doen als haar instituten die maatschappij ook goed weerspiegelen. Dit is een politiek gebeuren en opvoeding is dus per definitie een politieke aangelegenheid. De theoretische pedagogiek moet dit grondproces versluieren, onbekend maken bij de mensen en alles ontpolitiseren.

    Daartoe staan haar vele middelen ten dienste: het breed uitmeten van wijsgerige schijndoelen, het veredelen van de straf, het ontwikkelen van een zogenaamde neutrale, algemeen geldende maatschappijvisie in schoolboeken, het doodzwijgen in de handboeken van de socialistische pedagogen, enz. We komen daar straks op terug. Zij doet dat vooral door van twee abstrakte gegevens uit te gaan, de zogenaamde natuurlijke aard van het kind en het doel der opvoeding. Dat opvoedingsdoel pint zij geheel vast aan de levensbeschouwelijke achtergronden. Daarmee wordt gesuggereerd dat het opvoedingsdoel en het opvoedingsgebeuren door algemene geestelijke waarden wordt bepaald. Maar de socialistische opvoeding gaat ervan uit, zegt Bernfeld, dat het kind geboren wordt in een bepaald klasse en dat het opvoedingsgebeuren bepaald wordt door deze klassesituatie en niet door een abstrakt opvoedingsdoel. In ditzelfde kader verbindt de burgerlijke opvoeding allerlei idealistische gedachten aan al haar instituten die haar ideologie moeten toelichten, van schone spinsels moet voorzien, en die haar maatschappelijke orde moeten helpen voortbestaan: het gezin, het onderwijs, het vormingswerk, en in breder vorm de rechtspraak, het leger en het bedrijfsleven.

    Een opvoeding die dwars komt te liggen, komt onherroepelijk in moeilijkheden en stuit op die autoritaire maatschappelijke grens: een werkelijk vrije school zou haar diploma's bijvoorbeeld niet erkend zien of zou een noodlijdend bestaan moeten lijden. In deze tijd denken wij aan allerlei ontslagen in heel die sektor van het welzijnswerk, bij de kritische leraren, in het open jongerenwerk, aan de moeilijkheden met het vormingswerk voor werkende jongeren, ideologische ontslagen in de personeelssektor van het bedrijfsleven.
    Een socialistische opvoedingsleer, zegt Bernfeld, zou dan ook vooreerst een grootscheepse ideologiekritiek moeten zijn op de burgerlijke pedagogiek die er een machtige bijdrage toe levert dat de klassentegenstellingen niet meer als zodanig beleef worden. Werkelijke opvoeding kan dan ook alleen een antikapitalistische zijn, die wat we nu zouden noemen tot een rekonstruktie komt van het klassenbewustzijn, die een oogopener wil zijn voor het inzicht in de gruwelijke samenleving die we hebben opgebouwd. En dat is nu juist de stap die men binnen de antiautoritaire opvoeding in de jaren '60 - '70 heeft gemaakt: die van antiautoritaire opvoeding naar socialistische en van socialistische opvoeding naar proletarische opvoeding, waarbij nu onder proletariaat verstaan wordt alle mensen die in loondienst zijn en hun denk- en spierkracht moeten verkopen tegen een door anderen te bepalen waarde.
    Terugkomend op de vraag "Kunnen we door een andere opvoeding een andere maatschappij krijgen?" zou ik deze dus met een onomwonden neen willen beantwoorden. De maatschappelijke grens die aan de opvoedingsvernieuwing is gesteld maakt de verandering van de maatschappij door middel van de opvoeding tot een illusie en de idee tot een idealistische filosofie. Deze fiktie wordt wel juist levend gehouden vanuit het burgerlijk opvoedingspatroon en dit houdt dan ook in dat in heel deze welzijnssektor nogal wat vrijheid kan worden toegestaan. Op voorwaarde dat men maar in het reservaat blijft, kan er zelfs strijdbaarheid tot ontwikkeling worden gebracht. Want veel kwaad kan men niet doen. Ook zijn we er nu weer goed met de neus opgedrukt dat in deze sektor de eerste bezuinigingen vallen en dat die bezuinigingen mede gehanteerd kunnen worden om de bevolking van het reservaat wat uit te dunnen of om de bewaking te verscherpen.
    Maar anderzijds zou juist deze welzijnssektor, juist ook omdat hij niet behoort tot de produktieve maatschappelijke sektoren, voorbereidingen kunnen treffen om een antiautoritaire, een gehumaniseerde gestalte te geven aan menselijke verhoudingen en deze in de organisatievorm van de instituten tot uitdrukking te brengen door allerlei vormen van werkelijk zelfbestuur. Men zal dan bespeuren op hoeveel verzet dit stuit bij al die besturen die gewend zijn geheel zelf de touwtjes in handen te hebben en die vaak vervreemd zijn van hun eigen werkterrein, dat ze geacht worden te besturen. Verticale beslissingsstrukturen zijn zonder meer ondemokratisch en onhumanistisch.

    Als dit in deze sektor al zo ligt, dan kan men begrijpen dat men de relaties in de harde kern van onze maatschappij niet simpel door opvoeding zal kunnen omturnen. Een wettelijk verbod van de bedrijven om zelf vormingswerk te doen en het organiseren van vormingswerk in gevangenissen en het leger door volstrekt autonome vormingsinstituten zou dan toch wel een eerste voorwaarde moeten zijn. En dat is, gezien de funktie die de opvoeding in de huidige maatschappij heeft, een idealistische fiksie. De pedagogische revolutie, waarbij de geesten rijp gemaakt moeten worden voor werkelijk vrije, dat zijn niet hiërarchische relaties tussen mensen en waarbij de instituten in de welzijnssektor als de grote voorbeelden zouden moeten fungeren, vraagt dus veel tijd. Als we die tijd maar hebben. Wij moesten maar niet te diep de vuile lucht inademen.

    Ik heb de inhumaniteit van heel ons leven willen benadrukken en hoe voorzichtig men moet zijn met het begrip 'geestelijke waarden'. Men moet zich daarbij steeds afvragen in dienst waarvan die waarden worden gesteld; in dienst van de versluiering van inhumane toestanden, in dienst van zinloos gepraat of in dienst van de ontmaskering, opdat wij weer kunnen zien hoe het tussen mensen zou moeten wezen.
    Dat laatste heb ik gewild. En dat staat geheel in dienst van het humaan maken van onze wereld, opdat we weer gewoon met elkaar kunnen praten.

    SIMON RADIUS
    **********



    De heilige familie


    Reportage (in STRUKKEL) over een antiautoritair opvoedingsexperiment

    Eindelijk is nu ook een Nederlandse film over de praktijk van antiautoritair opvoeden beschikbaar. Lange tijd hebben maatschappijkrities ingestelde groepen, die wilden nadenken over de rol van de opvoeding in een autoritaire samenleving, het moeten doen met de Duitse film "Erziehung zum Ungehorsam", waarbij als nooduitgang altijd kon dienen: 'de situatie is hier toch wel heel anders.'
    Alom wordt de laatste tijd gekonstateerd dat de persoonlijkheidsontplooiing niet volledig tot zijn recht komt binnen een vooral op prestatie en konkurrentie gerichte samenlevingsvorm. Er ontstaat verzet tegen het onderdrukkende karakter van een maatschappij waarin het vooruit-willen-komen, desnoods ten koste van de ander, belangrijker wordt gevonden dan het leren samen leven, in solidariteit in plaats van in konkurrentieverhoudingen. Een ander type maatschappij is voorwaarde om die fundamenteel andere waarden een kans te geven, en om die andere maatschappij gestalte te geven is politieke strijd nodig - en misschien ook het voorleven hoe het dan wel moet. In dit licht kunnen o.a. kommune- en antiautoritaire opvoedingseksperimenten het best bezien worden.
    In ieder geval is op zo groot mogelijke schaal een bewustwordingsproces noodzakelijk over de vraag of andere samenlevingsvormen niet beter aan onze behoeften tegemoet komen dan de instituties als gezin, huwelijk en opvoeding-in-traditionele zin. Wat is eigenblijk het doel van opvoeding? Is het eigenlijk vanzelfsprekend dat mensen gelukkig kunnen zijn in de overgeleverde sociale strukturen of is massieve kritiek op de bestaande situatie op zijn plaats, omdat men wel tot aanpassing, tot gehoorzaamheid aan gezag wordt opgevoed, maar niet tot het leren dragen van eigen verantwoordelijkheid, tot zelfstandigheid? Dergelijke problemen komen in de film aan de orde.
    Het best zou De Heilige Familie wellicht kunnen dienen als uitgangspunt voor diskussie in groepen op vormingscentra, pedagogiese en sociale akademies en volkshogescholen e.d., omdat er niet naar gestreefd werd een afgerond beeld te geven wat antiautoritaire opvoeding nu eigenlijk is. Uit de diskussies en interviews blijkt eerder hoe moeilijk het is een bepaald ideaal dat niet overeenstemt met de belangen van de omringende maatschappij, te verwezenlijken. De moeilijkheden van de groep zelf krijgen nogal wat aandacht; een poging om een kommune te vormen mislukte, aan kritiek op de politieke stellingname van de groepsleden ontbreekt het niet.

    In het tweede gedeelte van de film wordt ingegaan op de opvoedingspraktijk.
    Ten aanzien van de kinderen wil een antiautoritaire opvoeding:
    1. De fiksatie van een kind aan het ene ouderpaar tegengaan door het meerdere kontaktperonen te bieden.
    2. Verhinderen dat de gezagsafhankelijkheid zich in de karakterstruktuur van het kind vastlegt.
    3. Alle ruimte geven aan kreativiteit, niet alleen in het spel en het leerproces, maar ook bij in het ontdekken van lustaspekten van eigen en andermans lichaam
    4. Het aankweken van solidariteit in plaats van het bijbrengen van een konkurrentiehouding o.a. door het doorbreken van de geïsoleerde gezinssituatie en het daaraan inherente individualisme.
    Daarnaast wil ze de opvoeders hun eigen autoritaire gedragswijzen tegenover kinderen leren onderkennen en door groepsbesprekingen trachten een deel van de verdringing bij de opvoeders zelf op te heffen. Ook hier zijn vele aangrijpingspunten voor diskussie voorhanden. Duidelijk wordt waarin de onderdrukking van de maatschappij tot uiting komt als het gaat om de verwerkelijking van een repressieloze opvoeding die noodgedwongen nog moet worden gevolgd door een gang naar het autoritaire onderwijssysteem dat eveneens op psychiese onderdrukking is gebaseerd.

    De film kan voor niet-kommersiële vertoningen worden aangevraagd bij de filmotheek van de Rijksvoorlichtingsdienst, Noordeinde 43, Den Haag, 070-183830. Aanvragen 14 dagen voor vertoningsdatum, vertoningskondities: fl 3.75 plus verzendkosten heen en terug.

    Wil men één van de leden van de kresjgroep (AA-Kresj-Amsterdam) inschakelen als diskussieleider of voor het geven van een inleiding of lezing, dan kan men zich wenden tot Piet de Vries, 3de Helmersstraat 5'', Amsterdam, 020-162564

    TITEL: De Heilige Familie, FORMAAT: 16 mm
    KLEUR: zwart/wit. GELUID: opties, DUUR: 23 min
    SAMENSTELLING: Jan v.d. Brink
    CAMERA: Albert v.d. Wildt, Hans Menke, Theo v.d. Sande
    GELUID: Jan-Wouter v. Rijen, MONTAGE: Rob Klinkert
    PRODUKTIE: Rolf Orthel, Kees Hin
    **********



    NVSH PUCLICEERT DRIE BOEKJES OVER OPVOEDING VAN KINDEREN
    In het uitgeven van vaak zeer relevante literatuur over actuele onderwerpen door de stichting NVSH weerspiegelt zich sterk de tendens tot het wat afstand nemen van de "enge seksualiteit". Dit blijkt weer eens uit drie kort na elkaar verschenen werkjes op het gebied van opvoeding van kinderen, die vooral meer bedoeld zijn als discussieboek over de vraag: waar breng ik mijn kinderen?

    Het uit het Zweeds vertaalde kinderindoctrinatieboek bevat een groot aantal erg goede tips en ideeën voor hen die hun manier van omgaan met en opvoeden van kinderen willen analyseren en veranderen. Het grootste deel van de beschreven opvattingen worden al enige tijd in praktijk gebracht in de antiautoritaire crèches, zoals die ongeveer twee jaar geleden ook in Nederland zijn opgericht. Zo wordt gesteld dat opvoeding gericht moet zijn op zelfstandigheid, op keuzevrijheid voor de kinderen en op het mee laten doen door kinderen van allerlei activiteiten die traditioneel alleen voor 'grote mensen' waren.
    Het gaat er in het algemeen om, zegt Vestin, dat de volwassene het kind als een volwaardige, integere persoonlijkheid leert zien, die slechts anders gerichte wensen en verlangens heeft, maar daarom niet minder ernstig hoeft te worden genomen.
    "Wees even eerlijk tegenover het kind als tegenover je volwassen vrienden." luidt niet ten onrechte één van de talloze voorstellen die in het boekje na elke twee bladzijden direct en in korte zinnen geformuleerde tekst opduiken.

    Toch kennen dit soort op zich zinvolle, alle argumenten voor een socialistische opvoeding op een rijtje zettende boekjes één levensgroot bezwaar: er wordt onvoldoende aangegeven waarom de opvoeding is zoals ze in onze maatschappij is, en waarom ze precies zou moeten veranderen. Natuurlijk, met een positieve kinderindoctrinatie wordt wel een 'humanistische, dus ook een socialistische' bedoeld, maar als de auteur in het geheel niet ingaat op de vraag naar het waarom, noch naar het doordenken van de consequenties en problemen van zo'n opvoeding in een vooralsnog vijandige maatschappij, krijgt zijn werk een vrijblijvend karakter. Dan kan bovendien de indruk ontstaan dat het de schrijver alleen maar te doen is geweest om het inhaken op het wat modieuze verschijnsel van je afzetten tegen een kapitalistische maatschappij, zonder je verder te bekommeren om het je eigen maken van bijvoorbeeld de marxistische theorie waarop de kritiek, ook inzake opvoeding, al of niet bewust is gebaseerd. Zonder dit theoretische fundament blijft elke beschouwing, of het nu over opvoeding of andere maatschappelijke fenomenen gaat, in het luchtledige hangen.

    Dat ook Frances Vestin wat dit betreft door de mand valt, blijkt uit een tweetal zinnetjes die onthullend zijn voor de manier waarop zijzelf nog vastzit aan het oud-liberale denken waarop een kapitalistische beschouwingswijze is geënt:
    "De ontwikkeling wordt beïnvloed door het feit dat a) de mens een geboren egoïst is, (hetgeen de basis vormt van het kapitalisme) en b) de mens een slaaf is van zijn eigen ontwikkelingsdrang, de ontdekkingsdrang".
    en:
    "Misschien is bezitten een menselijke drang".
    Kennelijk heeft iemand die dit schrijft nooit gehoord van de materialistische leer die juist laat zien waarom de maatschappelijke omstandigheden moeten en kunnen veranderen ten gunste van mensen die andere idealen willen verwerkelijken dan die welke worden opgedrukt door een kapitalistische maatschappij. Egoïstische en bezit najagende mensen zijn geen oorzaak, maar juist een gevolg van de huidige maatschappelijke verhoudingen. Ook voor een opvoeding die de concurrentie en het privébezit als waarden wil afschaffen, is het daarom noodzakelijk dat mede de materiële omstandigheden zich wijzigen, wil er van een duurzaam effect van socialistische opvoeding sprake kunnen zijn.
    Een auteur die getuigt van onbegrip voor dit wezenlijke aspect van de hele opvoedingsproblematiek, komt er dan natuurlijk ook niet meer toe zich bezig te houden met daarvan af te leiden, meer alledaagse, maar nogal dwingende problemen waarmee bijv. de antiautoritaire crèches worstelen: Wat gebeurt er met de kinderen als ze van zo'n crèche met een ander opvoedingsdoel naar een autoritair gestructureerde onderwijsinstelling gaan? Dit is, zoals gezegd, het grote manco van het Kinderindoctrinatieboek: wél uitstekende raadgevingen, praktische wenken en ideeën, maar geen uiteenzettingen omtrent problemen die kunnen rijzen zodra die ideeën consequent in toepassing worden gebracht.

    Voor opvoeders die in ieder geval de vooroordelen tegenover crèches overwonnen hebben en zich concreet willen informeren over de verschillende soorten verblijven die er zijn, geldt het boekje van Jac. Vroemen en Greet Buchner van de Nieuwe Linie. Het geeft een vrij pretentieloos overzicht, redelijk gesystematiseerd (in elk verhaal dezelfde concrete informatie over de tijden, de organisatie en de kosten), en op een uiteraard journalistieke manier - dus plezierig leesbaar - allerlei minder zwaartillende aspecten beschrijvend.
    Het meest aansprekende stukje is m.i. wel het relaas van een Haagse gescheiden vrouw die zelf een crèche begint, daartoe een vernederende gang langs de anti-geëmancipeerde autoriteiten moet maken en van haar man bij de opening van de crèche bloemen ontving met daarbij een kaartje: "proficiat, eindelijk doe je iets in je leven". Dit illustreert wel dat crèche-opvoeding van kinderen onverbrekelijk verbonden kan zijn met de emancipatie van de vrouw, maar dat hangt wel af van de motivatie waarmee begonnen wordt.
    De conclusies van dit verslag van een gang langs een aantal uiteenlopende soorten crèches zijn wat onkritisch geponeerd: de schrijvers geloven in de groeiende tendens, kinderen vrijer op te voeden dan in onze pre-welvaartstaat misschien mogelijk was. Een mogelijkheid van de crèche is, dat zij gelijke kansen gaat scheppen voor de kinderen uit de diverse milieus, door ze democratisch bij elkaar te brengen en te laten profiteren van dezelfde opvoedingsmogelijkheden.
    "En, als we het nu eens mooi mogen zeggen: zo draagt ze iets bij aan het vormen van die nieuwe mens waar we toch allemaal voorzichtig op hopen, die geweldlozer, socialer, democratischer en creatiever zal zijn dan de mens die hem voortbracht. Dat is een stuk utopie achter het crèchewezen. Waarom ook niet. Zonder dromen komt niets nieuws tot stand."
    Erg fijn, mooi en vriendelijk geformuleerd allemaal (massa's mensen zullen zich weer heerlijk bevestigd voelen in hun meningen over hoe het allemaal wel moet), maar jammer genoeg komt die nieuwe mens helaas niet zomaar uit de lucht vallen. Noch wordt hij als één of andere Messias op een goede dag in ons midden geboren.
    Er zal politiek moeten worden gewerkt voor het bereiken van wat vooralsnog een politiek ideaal is. Het meest leerzame bij het beschouwen van crèches is jammer genoeg dat duidelijk wordt onder welke omstandigheden wel en wanneer géén crèches worden opgezet: wél, als de Verkadefabrieken in de Zaanstreek getrouwde vrouwelijke werkkrachten nodig heeft (die crèche schijnt op zich erg goed te zijn, maar Verkade is nu eenmaal een levensmiddelenfabriek, zegt de hoofdleidster, dus zal de crèche wel weer verdwijnen) en niet, als het om welzijn van ouders en kinderen gaat. Maar goed, niettemin dienen ouders die langzamerhand naar het crèche-idee als vorm van optimaler opvoeden evolueren, zeker d.m.v. informatieve boekjes gestimuleerd te worden.

    Het meest doorwrochte werkstuk is wel de samenvatting van honderden onderzoeken omtrent het effect van kinderdagverblijven op de ontwikkeling van het kind; door Arne Sjölund. Het moeilijke van zo'n samenvatting is dat de resultaten enorm uiteen kunnen lopen naar gelang de wetenschappelijke methodes die zijn gevolgd en naar gelang het land waar het onderzoek is verricht. Niettemin zijn de uitkomsten vaak belangrijk voor degenen die, op een wat intensieve manier al bezig zijn aan een vorm van crèche-opvoeding.
    De meest gegeneraliseerde uitspraak over het verschil tussen bewaarplaatskinderen (van ca. 3 tot 6 jaar) en 'thuisblijvers': ze zijn minder geremd en spontaner dan de thuisblijvers. Ze zijn minder verlegen en minder angstig, ze tonen een grotere zelfstandigheid. Ze tonen en meer initiatief en zijn nieuwsgieriger naar de dingen om hen heen, ze schijnen een beter beeld van de werkelijkheid te hebben. Ze zijn onafhankelijker van volwassenen dan de kinderen die thuisblijven, maar afhankelijker van andere kinderen.

    Dat klinkt dus vrij positief allemaal, maar er zijn ook talloze resultaten die te denken geven. Zo schijnen kinderen vanaf 3 jaar weliswaar onafhankelijk te worden in een crèche, maar jongere kinderen juist niet. Opvallend is in deze studie dat sociale aanpassing van kinderen als iets positiefs wordt gewaardeerd, wat in bijvoorbeeld antiautoritaire crèches niet bepaald de bedoeling is. Maar ja, het gaat hier ook alweer om een systeemconform wetenschappelijk onderzoek…..

    P. B. DE VRIES

    KINDERINDOCTRINATIEBOEK - f 7,50 door Frances Vestin. Uitgeverij NVSH
    KINDERCRECHES - f 10,90 door Jac Vroemen en Greet Buchner. Uitgeverij NVSH
    DE INVLOED VAN DAGVERBLIJVEN OP HET KIND - f 14,50 door Arne Sjólund. Uitgeverij NVSH
    **********



    STRUKKEL
    Tweemaandelijks strijdschrift
    Deel 2 1972

    Het begrip "antiautoritair".
    Er zijn zeer steekhoudende argumenten aan te voeren voor de mening dat pas na een strukturele verandering van de maatschappij sprake kan zijn van een wezenlijk andere opvoeding. In ieder geval kan antiautoritair in de huidige verhoudingen niet betekenen: het afbreken van iedere autoriteit, omdat bijv. politieke strijd tegen autoritaire strukturen wel eens een min of meer autoritaire tegendruk in partijverband noodzakelijk kan maken.
    Dit is met name het standpunt van Jacques Meerman, die zich daarbij o.a. baseert op een tekst van Friedrich Engels die wij in dit nummer als teoretiese bijdrage afdrukken.
    De daarop volgende bijdrage van Lieven Soete koppelt de term antiautoritair rechtstreeks aan socialisties, als twee begrippen die elkaar insluiten. Anderen zijn daarentegen van mening dat er op zijn minst van een faseverschil gesproken moet worden - een opvatting die bijv. tot uiting komt in de ondertitel van dit blad. Niettemin vond de redaktie het betoog van Lieven, dat misschien nogal dogmaties overkomt, vooral zéér de moeite waard vanwege de relatie die gelegd wordt tussen de ekonomiese onderbouw van een maatschappij en de daaruit resulterende ideologiese funkties van o.a. de opvoeding. Wil de opvoeder in een opvoedingsproces niet de heersende ideologie van de heersende klasse reproduceren, dan moet hij/zij op de hoogte zijn van het ekonomies bepaald-zijn van opvoeding.

    Het laten zien van verschillende benaderingswijzen impliceert dat de redaktie niet nu al kiest voor een eenduidige uitleg - zij is dus niet dogmaties. Er dient gesteld te worden dat het begrip antiautoritair uitstekend binnen een anarchistiese konseptie past (zoals bij Simon Radius), maar zeer zeker ook binnen een marxisties referentiekader, waarbij partijdiscipline in strijd kan komen met een vooral eties begrepen (nog) niet volledig politiek doordachte opvatting van het begrip antiautoritair. Zoals al eerder is aangegeven, kiezen wij voor het in socialisties perspektief zien van opvoeding, maar dat dit een allerminst eenvoudige zaak is naar de pedagogiese kant toe - daarvan getuigt bijv. de ingezonden brief van Stijnie Walstra uit Amsterdam, opgenomen in de rubriek Korrespondentie. Andere moeilijkheden bij het politiseren van de opvoedingspraktijk komen aan de orde bij de suksessievelijke evaluaties van de diverse kresjes, de verslagen van a.a.-kongressen e.d.. Maar daarnaast zijn wij uiteraard zeer geïnteresseerd in reakties van het lezerspubliek dat wij graag aan het woord willen laten naar aanleiding van de inhoud of los daarvan, wanneer het gaat om eigen ervaringen, fouten of juist suksesvolle voorbeelden.

    De redaktie.
    **********



    WELK IS DE POLITIEKE BETEKENIS VAN EEN ANTIAUTORITAIRE OPVOEDING?

    inleiding
    1. opvoeding is altijd: opvoeding TOT….
      We hebben steeds, bewust of onbewust een bepaald mensbeeld voor ogen, waarnaar we onze kinderen willen opvoeden. We zouden willen bereiken dat ze dit en dit wél zijn, of dit en dit zeker niet zijn.
    2. Dit betekent dus dat een bepaald waarden- en/of normengeheel aan de basis ligt: welk menstype vinden we 'goed': gedwee het autoritair sisteem volgend of krities antiautoritair,….
    3. Zo'n normengeheel volgt uit een ideologie, dit is: een geheel van opvattingen die men heeft omtrent de wereld, de geschiedenis, de mens, de kennis, ….

    Hoofdbrok:
    Wij vertrekken van volgende basis-opvattingen:
    1. Dat alles verklaarbaar is vanuit en door de materie. Dat wil zeggen dat geen tussenkomst van een of andere immateriële of 'boven'-natuurlijke', of 'onverklaarbare', of mysterieuze macht bestaat noch ooit bestaan heeft om onze wereld te maken tot wat hij is, om de mens en de maatschappij te maken tot wat ze nu is.
    2. Dat er in de geschiedenis van onze wereld en samenleving een wetmatigheid zit die bepaalt dat we steeds verder evolueren: stilzetten of terugdraaien van de evolusie is onmogelijk.
    3. Dat deze evolusie juist het gevolg is van een ontwikkeling van de tegenstellingen die overal aanwezig zijn. De motor van alle vooruitgang is juist het opzoeken (=analizeren) en het oplossen van die tegenstellingen (=sinteze).
    4. Een eerste hoofdwet die we ontdekken in de geschiedenis en uit een studie van de ontwikkeling van de menselijke samenleving is: dat de manier waarop de produksiekrachten zijn verdeeld en onderling samenwerken, de basis is van de ganse samenleving. Dat wil zeggen: de manier waarop in een samenleving bepaald is wie er het kapitaal, de grondstoffen, de fabrieken en machines bezit, wie er zijn arbeid moet verkopen aan deze bezitters, dat bepaalt wie er de macht in handen heeft over het opvoedingssisteem, over de pers en kommunikasie, over leger, rijkswacht, politie, gerecht, parlement, …
    5. Een tweede hoofdwet van de geschiedenis is: dat de menselijke samenleving een steeds hogere (=betere) trap bereikt als gevolg van de strijd van de grote volksmassa's. Het is de grote massa van het volk die de geschiedenis MAAKT, en niet enkele 'leidende' helden. Het is dus ook de massa van het volk die ons nu in een verdere (= betere) maatschappijvorm zal brengen. Dit betekent: dat het feodaal stelsel (zoals nu nog in Zuid-Amerika, India, …) beter is dan slavernij. Dat de burgerlijke demokratie (zoals bij ons) beter is dan het feodalisme. Dat het socialisme (zoals nu in China) beter is dan de burgerlijke demokratie. En tenslotte, dat het kommunisme (een klasseloze maatschappij die nog nergens bestaat) een stap verder is dan het socialisme. Dus: WIJ moeten HIER en NU streven naar het socialisme.

    De kleine kliek machthebbers, kapitalisten doen alles om hun macht te behouden. Daartoe behoort ook dat ze met alle macht proberen hun eigen autoritaire optreden aanvaardbaar te maken. Daartoe trachten ze met alle mogelijke opvoedingsmiddelen bij de massa een houding aan te kweken van: lijdzaam gehoorzamen, luisteren naar het gezag, geen vragen stellen, eerbied voor de zogenaamde wetenschap, eerbied voor…. hun diktatuur.

    Wij willen af van deze kapitalistiese diktatuur. We weten volgens welke waarden en normen wij onze kinderen willen opvoeden, namelijk: volgens de waarden die aan de grondslag liggen van een ware socialistische maatschappij. De belangrijkste daarvan zijn:
    1. Het belang van de gemeenschap gaat voor het eigen individueel belang. Dus tegen persoonlijke ambisie en heldendom, en voor de solidariteit.
    2. Alleen de arbeid is een juiste meter om de waarde van iets of iemand te bepalen en bijv. niet de klasse-afkomst, de intelligentie, de graad van diploma of in de hiërarchie, het verworven recht.

    (En dan volgen er nog vier andere belangrijkste waarden… en nog eens een overzicht van waartegen de strijd gaat, om dan toch nog iets over opvoeding te zeggen:)
    We kunnen onze kinderen dus slechts echt antiautoritair opvoeden, wanneer we konsekwent strijden voor de vernietiging van het totale autoritaire, kapitalistiese sisteem; wanneer we daadwerkelijk meehelpen aan de huidige klassenstrijd, waaruit vroeg of laat het socialisme moet gevestigd worden. Doen we dat niet, dan werken we rechtstreeks mee aan een geraffineerde versteviging van de machtsposisie van de kapitalisten. Immers, zoals zo dikwijls reeds in het verleden, zullen de machthebbers voldoende elementen uit de antiautoritaire eksperimenten overnemen om hun diktatuur op een verfijnde manier 'menselijk' te maken.
    Er is geen tussenweg: ofwel stellen we ons op tegen de bestaande burgerlijke diktatuur, met alle konsekwenties van dien, of wel willen we er niet over horen en spreken, en dan werken we op een zeer gevaarlijke manier mee aan het versterken van die diktatuur.

    BESLUIT
    Het is wellicht goed om als besluit te verwijzen naar een artikel over een kinderkribbe in een staat waar men het socialisme volop aan het opbouwen is: de volksrepubliek China. Het kan zeer nuttig zijn even te kijken hoe het gaat in een maatschappij waar wij naar streven. Zie daarvoor het artikel in: 'Chine en construction' nov 1971, vertaald in 'China Vandaag' nr 1/1972.

    Lieven SOETE
    (de Belgen konden er ook wat van)
    *********



    Konsekwenties voor a.a.-opvoeders
    Van groot belang is de volgende stelling van Nyssen:
    "Een politieke vorming die zich tot taak zou stellen aan kinderen en jeugdigen een kritiese distantie ook tegenover de fundamenten van het bestaande systeem mogelijk te maken, zou waarschijnlijk op buitengewone moeilijkheden stuiten."
    Overigens zijn dit soort overwegingen waarschijnlijk puur energieverlies, want een dergelijke politieke vorming zou waarschijnlijk door geen enkel politiek systeem worden getolereerd. De repressieve maatregelen tegen de socialistiese studentenbeweging en tegen afzonderlijke leraren en organisaties in het jeugdwerk tonen aan dat politieke vorming, zodra zij de fundamenten van het systeem ter discussie stelt, onderdrukt wordt. Nyssen blijft dan ook zijn hoop vestigen op verandering door informatie, waarbij hij kennelijk vooral denkt aan studenten en leraren.

    De konklusies die Jacques in zijn nawoord trekt op basis van zijn ervaringen in kresjverband en de geweldige kloof tussen die kresjsfeer en een autoritair aandoende, maar wellicht noodzakelijke partijdiscipline, zijn het meest belangwekkend in de zin van relevant voor het a.a-kresjwezen. Het is waar: het feit dat althans de Prins Constantijn-kresjgroep nog steeds niet in staat is een eenmaal met meerderheid van stemmen demokraties genomen besluit ook werkelijk uit te voeren, duidt erop dat zelfs die minimale discipline, nodig voor elke groep die ergens naar toe wil werken, niet opgebracht kan worden. Zo heeft de term 'antiautoritair' een negatieve klank gekregen als aanduiding voor een klupje kleinburgers dat niet in staat bleek welke uit te stippelen lijn dan ook in praktijk te brengen. Niet voor niets zijn degenen die dit nu juist wel wilden, uit de kresjes gegaan om zich aan te sluiten bij politieke groeperingen.

    Ik onderstreep de zinsnede:
    "…dat organisatie weliswaar vervelend is, maar effectief kan zijn, dat autoriteit verwerpelijk, maar noodzakelijk is (d.w.z. kan zijn; het ligt er aan…) dat discipline noodzakelijk voortvloeit uit organisatie, dat kennis verwerven geen pretje is, maar een noodzakelijke voorwaarde voor het verwerven van macht, dat slecht met macht de macht van de multinationale concerns gebroken kan worden".
    De aanvankelijke vrije lustbeleving en het streven naar zelfregulatie zijn echter geen afkeurenswaardige waarden, zoals Jacques meent, mits ze gevolgd worden door een konfrontatie met de werkelijkheid, waarbij die botsing tussen wat kinderen zelf zouden willen en wat door de omgeving verboden wordt, politiek vertaald zou moeten worden. Zo'n opvoeding vereist een sterk politiek bewustzijn van ouders, die bijv. gemotiveerd zijn politieke kinderlektuur voor te lezen, maar zover is het eigenlijk nooit gekomen. Bovendien hebben de enkelen die zich teoreties wel wilden verdiepen in voorhanden literatuur vaak meer naar Freud, dan naar Marx gegrepen.

    Ook de verbinding van politieke praktijk (van de ouders) met de opvoedingsteorie is feitelijk niet tot stand gekomen, omdat de meeste antiautoritairen misschien juist door het beschermde a.a. subkultuurtje in de a.a.-fase zijn blijven steken. Jacques is één van de uitzonderingen op die regel, vandaar ook het belang van zijn standpunt. En al deel ik zijn lichtelijk gerationaliseerde voorkeur voor de 'officiële' kommunistiese partijen niet, in afwachting van aanvullende literatuur over de Chinese opvoedingspraktijk vormen de Russiese opstellen alvast een belangwekkende eerste kennisneming van socialistiese opvoeding.

    Piet de VRIES
    **********



    STRUKKEL
    Tweemaandelijks strijdschrift
    Deel 3/4 1972

    VAN ANTIAUTORITAIR NAAR SOCIALISTISCH.

    In verzet op de 'autoritaire opvoeding' die er op uit is kinderen zo te reguleren dat ze het effectiefst in te passen zijn in het maatschappelijk systeem dat de heersende klasse dient, is een opvoedingsmodel geboren dat we 'antiautoritair noemen. Grofweg geformuleerd is het doel van de antiautoritaire opvoeding:
    Kinderen zo sterk maken dat ze in deze maatschappij, ondanks deze maatschappij, hun eigen identiteit behouden en dit zou moeten gebeuren door ze in staat te stellen zelf de grenzen van zichzelf en het samenzijn met anderen te ontdekken.
    De definitieve breuk van de antiautoritaire opvoeding met de burgerlijke pedagogie zit 'm in het verschil tussen de begrippen 'zelfbepaling' en 'zelfregulatie'.
    We hebben gezien dat zelfbepaling betekende dat het kind op aandrang van 'het pedagogisch milieu' gemotiveerd raakt om dat gedrag te gaan vertonen, wat van hem verwacht wordt. De zelfregulering van de antiautoritairen wil de kinderen de mogelijkheid geven om, los van de bedoelingen die de maatschappij met ze heeft, te komen tot een eigen identiteit, tot een zelf bepaald gedrag, voortkomend uit eigen ervaringen.
    De antiautoritaire beweging baseert haar ideeën op een slecht uitgewerkte analyse van de maatschappij dat vaak gesproken wordt van antiautoritaire fase, komt omdat de meeste antiautoritairen, verder analyserend, uitkomen op een socialistische visie. Het is een verschijnsel wat Friedrich Engels al kende in 1873 schreef hij: "een van de twee dus, of de antiautoritairen weten niet wat ze zeggen; in dat geval zaaien ze alleen maar verwarring; of ze weten het wel en in dat geval plegen ze verraad aan de beweging van het proletariaat." Als je uitgaat van de eerste veronderstelling, van de beperkte analyse, dan ziet die er zo ongeveer uit: de ondoorzichtige maatschappij wordt beheerst door de willekeur en de macht van autoriteiten. De sociale onrechtvaardigheden die de maatschappij maken tot het tegendeel van een ideaal leefklimaat, ontstaan uit die individuele of institutionele autoriteitsuitoefening. Hiertegenover moet een mens komen te staan, die eigenzinnig, ongehoorzaam is. Die onafhankelijk van de autoriteit zijn eigen beslissingen neemt, zijn eigen leven inricht.

    Het a-strukturele van de antiautoritairen heeft opgang gemaakt zonder al te veel repressie te ondervinden van de kant van de heersende klasse, omdat het het kwaad niet in de kern aantastte, namelijk de economische verhoudingen, maar de symptomen ervan, namelijk de reacties van het kind op het autoritaire opvoedingssysteem probeert te helen. Dit speelt de economische verhoudingen min of meer in de kaart, want steeds duidelijker wordt dat het laatkapitalisme de ontplooiing van alle vermogens van mensen nodig gaat hebben om zichzelf te kontinueren.

    Wanneer dan de zelfregulering van de kinderen in ondernemingsraden en andere demokratisme opgevangen kan worden, omdat die kinderen nooit geleerd hebben hun zelfregulering in verband te brengen met de allesbeheersende maatschappelijke samenhang, zal de antiautoritaire opvoeding geleid hebben tot hogere rentabiliteit van de aanpassing van mensen aan de economische verhoudingen ten bate van de heersende klasse.
    Het is de vraag of je de antiautoritaire opvoeding als een zelfstandig opvoedingsmodel moet zien naast de burgerlijke en de socialistische opvoeding of als een overgangsfase, in ieder geval kun je vaststellen dat ze zich in theorie richt tegen de bestaande orde, maar in praktijk een verder raffinering van de onderdrukking betekent.

    Bij de sterkere antiautoritaire broeders is steeds meer een term als 'politieke opvoeding' te vinden. Dit kun je beschouwen als de stap naar de socialistische opvoeding. Het is niet de opvoeding die zal moeten toegepast worden, wanneer na grote omwentelingen een rechtvaardiger sociale organisatie ontstaan is; dit is de opvoeding die kinderen in staat moet stellen mee te werken aan die omwentelingen. Op dit punt gekomen, zal het iedereen die de stand van zaken kent binnen onderwijs en opvoeding, duidelijk zijn dat er weinig concreet materiaal voorhanden is om deze opvoeding vergaand vorm te geven.
    Het zal de taak zijn van alle opvoeders die inzicht hebben in de politieke en economische situatie, vanuit een analyse van de klassenmaatschappij en die vandaaruit een fundamentele verandering van de inrichting van de maatschappij voorstaan, deze inzichten juist naar hun praktijk toe uit te werken.

    Om toch verder te gaan: 'niets is in opvoedingstaken zo gevaarlijk als schematisch dogmatisme. Van fundamentele betekenis voor de pedagogische methoden is enerzijds de natuurlijke rijpingsgraad van het kind en anderzijds zijn intrede in het economische leven en zijn plaats in de sociale organisatie als geheel is het motto van het boekje 'socialistische opvoeding' van Jacques Meerman.
    Het eerste element heeft voortdurend de aandacht van de antiautoritairen gehad en t.a.v. die zaak weten we dus het een en ander.
    Het tweede element brengt me tot de volgende voorwaarden aan socialistische opvoeding te stellen:
    1. Informatie (ervaringen) t.a.v. de maatschappelijke werkelijkheid, die inzicht in de economische verhoudingen en de eigen toekomstige plaats daarin te verschaffen.
    2. Inzicht in de daaruit volgende klassentegenstellingen
    3. Training in het hanteren van maatschappelijke konflikten als middel tot verandering
    4. Het vermogen om strategisch te denken en te handelen en macht te organiseren, tegen de macht van de onderdrukkers.
    5. Kortom, leer de kinderen hun belangen bij en kansen op een maatschappij, waarin geen onderdrukking en uitbuiting bestaat, waarin niemand door uitbuiting van een ander profiteert.

    JAN SMEETS
    **********



    1973
    Ferdinand Ruhwandl in PCBO over: KIND EN GEZAG
    De antiautoritaire beweging ging uit van radicaal socialistische of anarchistische beginselen. Zij verzet zich tegen de bestaande maatschappij. De antiautoritaire opvoeding zocht haar uitgangspunt voor maatschappijkritiek en maatschappijverandering bij de opvoeding van jonge kinderen. Progressieve jonge mensen wilden hun kinderen kritisch en weerbaar maken voor de manipulatie door de moderne westerse industriële samenleving met haar steeds technocratischer en bureaucratischer karakter.
    Deze ouders stelden dat aao op een verregaande mate van vrije lustbevrediging van het jonge kind moet berusten. Daardoor zou het kind de mogelijkheid krijgen via een zelfregulatie van behoeften tot een optimale ontwikkeling van zelfstandigheid te komen.
    Deze collectieve opvoeding wil de kinderen van de verschillende ouders meerdere identificatiebronnen bieden dan alleen het eigen ouderpaar. Maar zeker ook moeten de kinderen zich onderling kunnen identificeren met elkaar, waardoor groepsvorming ontstaat. Daarin vormen zich kinderlijke solidariteit, samenwerkingsvormen, vriendschappen als tegenwicht tegen de ingegoten waarden van individuele prestatie, concurrentie en competitie. Die ouders zelf werden ooit ook opgevoed (en wel op de verkeerde autoritaire manier). De ouders hebben daarom een soort heropvoeding nodig. Ze moeten zich dan ook gezamenlijk met theorie en praktijk van de antiautoritaire opvoeding bezighouden. Dit aspect blijkt zeer zwaar te wegen en daar gaat het ook vaak mis. Ze zijn zelf producten van een maatschappij die ze furieus afwijzen. Ze moeten hun eigen autoriteit opgeven en hun man-vrouw rollen herzien.
    Emotionele relaties, zoals de kinderen die wel aandurven, schrikken de ouders af. Ze zijn vaak nog vastgebakken aan het cognitieve karakter van de grote-mensen-maatschappij. Wellicht komt dat doordat deze studenten veelal uit de intellectuele milieus komen. Hoewel ze pogingen doen tot aansluiting bij de arbeiders, blijven ze vooralsnog in de intellectuele marge.
    Hun theorie heeft in de samenleving niet veel aanhang. Maar wel was er een publiciteitsgolf en varen ze mee in het kielzog van Provo en Kabouters. Politiek wordt de antiautoritaire opvoeding niet als ernstige bedreiging gezien voor de maatschappij.
    De antiautoritaire opvoeder ontmaskert het politieke karakter van de bestaande opvoeding, waartegenover zij een andere politieke opvoeding plaatst.


    1974 Het boek Anti-autoritair opvoeden. Analyse en kritiek van Jan Buelens en Denise Wijnen
    Uitgegeven door Boom, Meppel. Wij gebruikten de derde druk uit 1977.
    Hierin analyseren deze schrijvers drie Vlaamse en drie Nederlandse antiautoritaire crèches, waaronder de Nijmeegse Pater Brugmankresj en de Amsterdamse Prins Konstantijn. Witte Kinderplannen zijn in hun boek niet opgenomen.
    Zij zien veel tegenstrijdigheden en inconsequenties tussen de antiautoritaire doelstellingen en de manier waarop de opvoeders die willen realiseren. Zo ontbreekt het volgens hen aan enige systematiek in de doelstellingen, waardoor het lastig is tot realisatie ervan te komen. Als je een socialistische staat, een klasseloze maatschappij wil realiseren, moet de opvoeding gericht zijn op het scheppen van klassenbewustzijn, klassensolidariteit en de voorbereiding van de klassenstrijd, vinden deze auteurs.
    Het komt er, volgens de schrijvers, op neer dat de antiautoritaire opvoeders, nogal naïef, veronderstellen dat veranderingen in het bewustzijn zouden leiden tot een fundamentele verandering in de maatschappij.


    1974 april De klad in de anti-autoritaire crèche
    DE GROENE AMSTERDAMMER, 10 APRIL 1974. door Peter van Lieshout

    Het kind duikt weer op uit het badwater
    Vijf jaren lagen tussen Maagdenhuis en Vrouwenhuis. (Een stap voorwaarts, twee stappen terug, zei Lenin al). In die periode viel de epidemische opkomst en de nu vrijwel volledig een feit geworden ondergang van het anti-autoritaire crèchewezen. Een moderne mythe is doorgeprikt: de kindertjes eten hun eigen revolutietje op. Of liever gezegd: de mama's en de papa's van de luttele tientallen peuters en kleuters die voor kortere of langere tijd deelnemen aan experimenten met antiautoritaire, socialistische, proletarisch of gewoon groepsopvoeding plegen de laatste tijd wat moe en mismoedig uit de ogen te blikken.


    DGA-10-04-74-a (56K)
    DGA-10-04-74-b (58K)
    DGA-10-04-74-c (57K)
    DGA-10-04-74-d (46K)
    DGA-10-04-74-e (45K)

    Moe van het eindeloos door- en uitpraten van steeds opnieuw hoog oplaaiende spanningen op theoretisch maatschappelijk, huishoudelijk, pedagogisch, echtelijk plus buitenechtelijk gebied? Teleurgesteld omdat de Maatschappijveranderende Uitstraling in de richting van het grote boze buitengebeuren afwezig bleek en bleef? Moe van de steeds weer met frisse moed gestarte en steeds weer stokkende aanzetten tot georganiseerde scholings- en diskussiegroepen en dito weekends?
    De hausse is eruit, in ieder geval. Een aantal crèche-groepen, ontstaan in het roerig voorjaar van '70 (vlak na de beroemde VARA-uitzending Goed Leven, waarin voor de eerste maal de nu langzamerhand wel grijsgedraaide Kinderladen-documentaire Opvoeding tot Ongehoorzaamheid den volke getoond werd), is na heftige explosies van het toneel verdwenen, een paar anderen sudderen voort of het de van ietwat overspannen verwachtingen bolstaande theoretische ommanteling weggemoffeld om nuchter door te gaan als een soort koöperatieve speelgroep.

    De droom is uit
    Het is langzamerhand duidelijk geworden dat, wat de anti-autoritaire wensdroom betreft, de dooi is ingevallen voor de sneeuwbal het gehoopt effekt sorteren kon. Daar zijn een aantal oorzaken voor aan te wijzen, waarvan de vergrijzing van het beschikbare peuter- en kleuterbrestand voorop staat. De meeste crèche-kindertjes zitten n u al hoog en droog op de kleuterschool, en het moet gezegd: ze rooien het er best. De entree valt immers wat makkelijker, wanneer je de helft van je leventje al vijf dagen per week met vier à vijf andere kindertjes van om en nabij je eigen leeftijd gespeeld hebt. En op de kleuterschool zit al een aantal alumni van de crèche, en van tijd tot tijd maken de nieuwe oude makkertjes de overstap. Uit een interview met een kleuterleidster:
    Is het nou zo dat onze crèchekinderen elkaar opzoeken?
    'Ik vind wel dat ze elkaar opzoeken, maar ik stimuleer ook wel om met een ander kind te gaan werken, maar als ze zelf de keus hebben, dan gaan ze naar elkaar.'
    'Hoe is het met de manier van koncentreren, de manier van werken?'
    'In mijn ogen moet ik ze wel eens verwijzen naar iets anders, anders blijven ze met iets spelen.'
    Denk je dat ze een redelijke fantasie hebben?
    'Weet je wat ik vind? Ik vind ze zelfstandig! De anderen lopen nog wel om me heen, maar zij niet. In eerste instantie proberen ze het zelf uit te zoeken. In het begin had ik er een hard hoofd in, die kinderen van de experimentele crèche dat zullen wel van die robbedoezen zijn, maar ik heb nog nooit van zulke zelfstandig kinderen gezien.'

    Blotebillencrèche
    Het spreekt vanzelf dat deze prettige kantjes van de zaak enkel maar kunnen gelden bij de crèches die op buurtniveau zijn opgezet, zoals de Stichting Experimentele Crèche Het Breed in Amsterdam-Noord, waar enige tientallen ouderparen hun kroost in drie of vier steeds van bezetting wisselende crèchegroepjes onderbrengen. De kindertjes leren tijdens hun crèchetijd dus steeds meer verschillende kinderen en bijpassende ouders kennen, waardoor op de niveaus van zowel het grut als van de verwekkers een waar spinnenweb van sociale relaties is ontstaan, dat bij het afstuderen allerminst verbroken wordt. Voordeel is daarbij dat bijkans iedereen ijn gelijksoortig ingedeelde, maar uiteenlopend ingerichte flats woont (de kinderen voelen zich op diverse adressen best thuis en weten prima te onderscheiden waar het kladden op de wand wel en waar dat minder op prijs wordt gesteld, plus dat de buurtbetrokkenheid mogelijkheden biedt tot het initiëren van aktiviteiten die niet alleen de groep zelf aangaan. Maar ja, de naam 'blotebillencrèche' is inmiddels hecht verankerd in het buurteigen idioom, en er leeft bij tal van slechts door achterklap geïnformeerde medebewoners iets van achterdocht jegens de crèchemensen die af en toe, zij het zonder goede gronden, als bolsjewieke kommandotroepen worden bekeken.
    Bij de niet buurtgeöriënteerde crèchegroepen bleef het kontinuiteitseffekt natuurlijk uit. Met name bij de voor het leeuwendeel van de antiautoritaire experimenten tekenende studentencrèches bleek dat het geval: de liefhebbende ouders zijn inmiddels afgestudeerd en hebben de bullen gepakt.
    In het algemeen geldt wel dat de buurtcrèche naar het wegebben van theorie en politiek neigt (diskussies verslappen, sommige mensen lezen driftig door, anderen bekommeren zich steeds minder oom de taaie veelal in het Duits gestelde praatpapieren), terwijl studentencrèches juist door het benadrukken van de theorie aan het risiko van schisma of ontploffing blootstaan. Maar voor beide typen geldt het probleem van de voortzetting: nieuwe deelnemers worden doorgaans met open armen ontvangen, maar vloeien vaak zeer rap weer af, enerzijds omdat de betreffende oudergroep al te hecht aaneengekleefd is om nog nieuwe gezichten te kunnen integreren in het 'groepsproces', anderzijds ook wel omdat de late beginners murw gebeukt worden door zware diskussie of juist teleurgesteld raken door het gestaag voortwoekerende verwaarlozing van al hetgeen niet op het simpel overleven van koöperatie, vereniging, kollektief of stichting is gericht.
    Hoewel het natuurlijk best mogelijk blijft dat over een jaartje of wat, wanneer de generaties die de laatste jaren bij horden tegelijk na overlegging van een skriptie omtrent de antiautoritaire opvoeding de sociale en pedagogische akademies hebben verlaten zich aan het voortplanten slaan, een opleving van het fenomeen te beleven valt. Waarschijnlijk is dat echter niet, daar de oorspronkelijke plannenmakerij van enkele jaren hier nogal hecht gekoppeld was aan de toendertijd florerende en inmiddels allang weer ingeruilde opvattingen over maatschppiijverandering.

    Baby, you're a r(e)ich man
    De term 'antiautoritair' verwijst al uit eigener beweging naar de gelijknamige fase van de studentenbeweging, in de latere Jaren zestig, toen Marcuse nog de rol van grijze eminentie vervulde en het misverstand de ronde deed als zou het studentendom niet in de marge, maar in de frontlinie van de samenleving zijn gesitueerd. Dat leidde, in de nadagen van de ongestoorde welvaartsdromen, tot tal van graag navertelde horrorstories over de 'verburgerlijkte', aan ijskast - t.v. - autootje - voetbal - Benidorm - syndromen lijdende arbeidersklasse.
    We spreken hier over de tijd dat het begrip massastaking slechts uit de overlevering bekend was. Het spreekt vanzelf dat in die atmosfeer de roofdrukken van de werken van Wilhelm Reich gretig werden verslonden. Aangewakkerd door een geringe wijziging van de sexuele folklore (een schijnbare revolutie, want hoewel er meer gepraat wordt over het geslachtelijke, bleef, naar onderzoeken uitwezen, het aktiviteitenpakket grotelijks ongewijzigd) viel Reich's tamelijk onmarxistische visie op een vermeend fundamenteel onderscheid tussen werk en vrije tijd in goede aarde. Daarbij komt ook nog dat het 'erotiseren van de intermenselijk betrekkingen' een stuk lolliger is dan pamfletten verspreiden. Tenslotte wakkerde de geïsoleerde positie van de linkse beweging een lopend vuurtje aan: slagen we er zelf niet in de omwenteling tot stand te brengen, dan kunnen we in ieder geval trachten onze kinderen te helpen zich een karakterstruktuur toe te eigenen die hen minder volgzaam en meer autonoom, meer strijdbewust zal maken. En vandaar de antiautoritaire crèches, die een eigenaardige smeltkroes vormden van theorieën en aktiviteiten uit vier onderling samenhangende, maar toch duidelijk definieerbare aktiehoeken: linkse beweging - onderwijs - emancipatie - sexualiteit. Binnen de antiautoritaire crèchegroepen kon en kun je vrij gemakkelijk onderscheiden wie de weg van links naar rechts en wie de weg van rechts naar links (in het rijtje van vier begrippen, natuurlijk) als levenspad gekozen had. Evenzeer is het interessant te konstateren hoe op dit moment, nu het feitelijke crèchegebeuren zowat afgestorven is, de voormalige participanten naar één van de vier vrijetijdsbestedingen grativeren.
    Enfin, Reich is weer wat uit de mode. De rage kreeg de doodsklap toen enkele jaren na de hausse de bekende Nederlandse auteur Harry Mulisch naar eigen zeggen per puur toeval tegen zo'n roofdruk aantuimelde (zeker in geen drie jaar een linkse boekhandel van binnen gezien, zou je haast denken) en daar vervolgens een als reuzenpocket vermomd stuk sexuele hoofdarbeid aan besteedde. Hoe heette dat boek alweer? Het Bolwerk van de Beterweters? Maar neen, dat behoort in het oeuvre van de Groninger zieleknijper Rutger van het Schedelveld. Het Sexuele Bolwerk, dat was het, zij het dan dat sommige aandachtige lezeres achteraf meer voelden voor een titel in de trant van "Tante Pollewop Komt Klaar en andere erotische aantrekkingen van de dierenriem'. Dat Mulisch naar zijn zeggen Reich niet kende, beweijst overigens dat hij de werken van zijn overzeese ambtgenoot Norman Mailer, die al ruim twee decennia lang gretig Reich pleegt te citeren, ongelezen heeft gelaten, doch dit slechts terzijde.

    De gesel van de zelfkritiek
    Na de publikatie van een reeks boeken over antiautoritaire, socialistische en/of proletarische opvoeding, doorgaans door groepen betrokken ouders samengesteld, is vorig jaar de zaak eens omgedraaid, met hoofst interessante resultaten. De Duitse gezinstherapeut Horst-Eberhard Richter heeft namelijk in zijn boek Die Gruppe (als De Groep in een voordelige Nederlandstalige Aulapocket verkrijgbaar, zij het dan dat de uitgeverij He Spectrum om redenen van plaatsgebrek of vermeend gebrek aan relevantie de toch op z'n minst hoogst belangrijke hoofdstukken over het Socialistisch Patiënten Kollektief te Heidelberg heeft geschrapt!) een tweetal crèchegroepen danig onder de lope genomen. Het blijkt dat hangijzers en wrijfpunten tussen Rijnmond en Spree gelijkelijk floreren. Richter behandelt de eertijds strakgespannen illusies over de politieke draagwijdte van het experiment met scepsis, maar ziet de nuttige konsekwenties van het samen bezig zijn met de opvoeding van je eigen en andermans kinderen wel degelijk zitten. Die medeverantwoordelijkheid immers dwingt tot voortdurende bezinning op doel en funktie van het opvoeden; het maken van verslagen en het meepraten in oudervergaderingen eist dat meningen en opvattingen over huwelijk, gezin en maatschappij steeds opnieuw geformuleerd, getoetst en aan wederzijdse kritiek blootgesteld worden. De uiteindelijke resultaten van de experimenten, zijn bij lange na niet zo spektakulair of revolutionair als de verwachtingen van eertijds. Dat leidt bij de deelnemende ouders vaak tot diepe somberheid, en lichtelijk masochistisch getinte klachten als 'We wilden de maatschappij veranderen, maar we zijn niet eens in staat om in onze eigen groep iets zinnigs te doen, we lopen op al onze problemen stuk' en 'Er wordt enkel maar geluisterd naar diegenen van ons die theoretisch een stuk voorop lopen. Wat de anderen zeggen telt in feite niet mee.' en 'Ook bij ons trekken de vrouwen nog altijd aan het kortste eind' zijn dan ook niet van de lucht. Richter toont aan dat wat bereikt is in ieder geval voor de betrokken ouders en kinderen een flinke verbetering is ten aanzien van het uitgangspunt van het één vrouwtje-één mannetje-twee kindertjes-gezin. De feitelijk geboekte winst is vergeleken met de pretenties van de antiautoritaire theorieën gering, maar in de werkelijkheid van alledag bepaald de moeite, de spanningen en de ruzies waard. Het kind duikt weer uit het badwater op, het luchtkasteel is tot bewoonbare proporties teruggebracht. Maar laten we in godsnaam de term antiautoritair door gewoon groepsopvoeding vervangen, terug naar de orde van de dag. Crèches blijven alleszins zinnig, mits de doelstelling niet verder dan een steenworp afstand wordt neergelegd.

    PETER H. VAN LIESHOUT
    Met vier leuke tekeningetjes van Jan Willem van Vugt.


    1974 juni
    An W Custers in De Nieuwe Linie over: Vijf jaar antiautoritair opvoeden.
    Antiautoritair opvoeden betekent niet dat je je kinderen nooit iets mag verbieden of gebieden. Veel mensen denken nog altijd dat juist dat het wezenskenmerk is van de antiautoritaire opvoeding. Het heeft evenmin iets te maken met een laat-maar-waaien-houding. Antiautoritair opvoeden is geen voorwendsel je zo min mogelijk met je kind te bemoeien, zoals tegenstanders wel beweren. Het vraagt daarentegen veel meer inzet dan de traditionele opvoeding.
    De auteur van onderstaand artikel is psychologe en moeder van drie kinderen. zij maakte anti-autoritaire experimenten mee (in België) en beschrijft vijf jaar ervaringen, gebaseerd op vijf jaar praktijk, met en buiten haar gezin.
    Wie durft beweren dat hij zijn kinderen anti-autoritair probeert op te voeden, krijgt al meteen te maken met een aantal vooroordelen. het is eigenlijk een beetje ongelukkig gekozen term; zij roept het beeld op van kinderen die tegen allerlei zouden reageren.

    Sommige publicaties geven de indruk dat anti-autoritair opgevoede kinderen lepels en vorken in de soep gooien, vuurtje stoken, met stoelen en tafels gooien, op de toetsen van een piano huppelen en elkaar masturberen.
    In hun latere leven zijn deze kinderen vaak veel redelijker en hebben ze eigen normen uitgedacht, die hun samenleving regelen. De term antiautoritaire opvoeding suggereert dat het hier gaat om een gedachtenstroming, waarin een zekere eenheid te vinden zou zijn. Maar dat is niet waar. In feite is antiautoritaire opvoeding een verzamelnaam van allerlei gedachtenstromingen. Als inspiratiebronnen zijn er o.m. Sigmund Freud, zijn dochter Anna Freid en zijn leerlingen Melanie Klein, Wilhem Reich, Vera Schmidt. Dit voor de opvoedkundige kant. Voor de maatschappelijke kant inspireert men zich o.m. op Karl Marx en zijn volgelingen Lenin, Marcuse, Adorno. Er waren vanaf het begin grote verschillen tussen de mensen die zich antiautoritair noemen en deze verschillen zijn nog toegenomen met de jaren. De stroming is onder deze naam ontstaan in de jaren zestig in West-Duitsland. Hier werd men vooral geïnspireerd door Wilhem Reich en door de beweging Nieuw Links. In Engeland bestaat er reeds meer dan vijftig jaar een antiautoritaire school onder de leiding van de pedagoog Neil, die onlangs overleden is. Deze school heeft nogal wat invloed uitgeoefend op het lagere schoolsysteem in Engeland, dat in vergelijking met andere West-Europese landen meer vrijheid toelaat en minder prestatiegericht is.
    In mijn persoonlijke geschiedenis werd ik het eerste geconfronteerd met de client-centered of niet-directieve stroming, met als belangrijke promotor de psycholoog dr Carl Rogers. Nog voor de Tweede Wereldoorlog toonde hij aan dat karaktergestoorde kinderen beter geholpen worden, wanneer men hen zelf beslissingen leert nemen. Heel belangrijk daarbij is dat je het kind je vertrouwen laat voelen in zijn mogelijkheden, dat je hem accepteert en begrijpt. Later bewees Rogers hetzelfde voor volwassenen die lichter of zware psychologische moeilijkheden hebben.
    Verschillende jaren heb ik volgens deze principes gewerkt met jonge volwassenen in moeilijkheden. Zowel in de praktijk als in het wetenschappelijk onderzoek dat ik deed, merkte ik dat er veel waarheid steekt in Rogers ideeën.

    Moeders hebben ook andere taken
    Later met de komst van mijn eerste kind, kwam ik in contact met de antiautoritaire stroming. Mijn man en ik kregen toen de kans om mee te doen aan een antiautoritaire kindercommune. Er waren vijf ouderparen met gezamenlijk zes kinderen tussen één en drie jaar. Ons kind was de jongste. Wij spraken af om de beurt een dag voor de kinderen te zorgen. Eén jonge vrouw, die toen nog geen kinderen had, was gedurende vier dagen bij de kinderen en werd door ons betaald als vaste kracht. Zij werd telkens door één van ons bijgestaan. De ouders zorgden ook voor de vijfde dag. In het begin waren wij erg bezig om toch maar niet autoritair te zijn. Wij durfden de kinderen niet te richten, geen invloed op ze uit te oefenen. Na enkele maanden waren zij hiervan genezen en zochten wij naar een gemeenschappelijke manier van opvoeden. De kinderen waren aan elkaar gewend geraakt en aan hun nieuwe omgeving en opvoeders; de kindercommune draaide vlot. Wij waren er erg bij betrokken en ons bewust van het feit een belangrijk experiment te zijn. Onze visie op opvoeding, de moeder-kind relatie, de man-vrouw verhouding veranderde. Wij steunden elkaar ook in onze nieuwe wijze van omgaan met de kinderen, met onze partner. Wij voelden ons niet alleen in ons anders-zijn. Een aantal waarden en ervaringen hebben sindsdien vaste vorm gekregen in mijn leven en dat van mijn man.
    "Ook vaders moeten actief zijn in de opvoeding en kunnen buiten het weekeinde bv een dag per week thuisblijven om voor de kinderen te zorgen.
    Het is helemaal niet nodig als moeder om voortdurend bij je kind te zijn. Je taak kan zeer goed overgenomen worden door een andere volwassene. Het is voor een kind zeker zo belangrijk een aantal uren per dag met andere kinderen, liefst leeftijdgenoten, om te gaan, als met zijn moeder. Het is totaal onmogelijk om zeven dagen per week en twaalf uren per dag een goede opvoeder tij zijn. Je krijgt de neiging om weg te vluchten in je huishouden. Je kan beter opvoeden als je kinderen enkele uren per dag of een paar dagen per week niet bij jou zijn.
    Moeders hebben, naast hun opvoedingstaak, ook andere taken in de maatschappij. Indien zij een zinvol beroep kunnen uitoefenen, hebben zij hier verantwoordelijkheid. Indien zij door hun opleiding geen zinvol beroep kunnen uitoefenen, zijn er actiegroepen en de politiek, waarvoor zij zich kunnen inzetten."
    Naast deze punten van overeenkomst, waren er ook de verschillen tussen de ouders. Wij hadden niet geleerd om deze uit te spreken zonder elkaar te kwetsen of in een verdedigingshouding te duwen. Er kwamen op die manier grote spanningen tussen de koppels onderling. De kinderen leden hieronder. Daarom besloten wij om na negen maanden de onderneming stop te zetten. De meeste kinderen gingen toen naar een op Monstessori geïnspireerde linkse kleuterschool. Ons kind, dat toen bijna twee was, ging naar een andere kindercommune, het "Kindercafee". Hier startten een tiental echtparen met tien kinderen van drie maand tot drie jaar.

    Kindercommune niet zo geschikt voor de kleinsten
    De ervaring met het Kindercafee leerde ons beter de grenzen van een kindercommune kennen: wanneer beide ouders fulltime werken, kunnen zij hun kinderen niet meer goed zelf opvoeden, wel verwennen: het is moeilijk voor deze ouders om veel dingen aan hun kinderen te weigeren of bepaalde zaken van hen te eisen. De kinderen voelen deze twijfel bij hun ouders en maken er gebruik van. Voor deze kinderen zou een ideaal functionerende kindercommune wel een goede oplossing zijn maar idealen bestaan niet. De eigen ouders hebben nog steeds een belangrijke taak in de opvoeding van hun kinderen, ook al gaan ze naar een kindercommune.
    Voor peuters beneden het anderhalf jaar is de kindercommune geen goede vervanging van de vader of moeder thuis. Het is beter om een baby naar een pleegmoeder te brengen, die slechts de zorg heeft over één of twee andere kinderen. Deze peuters hebben nl meer aandacht nodig van een volwassene voor de ontwikkeling van hun motoriek en taal, voor de bevrediging van hun behoeften.
    Een goede gezinsopvoeding is beter dan een slechte kindercommuneopvoeding. De kinderen zijn dan namelijk slachtoffer van de onderlinge spanningen tussen de volwassenen, hun spel en hun activiteiten wordt te weinig geobserveerd. Zij worden teveel aan hun lot overgelaten. Een goede kindercommune is te verkiezen boven een goede gezinsopvoeding, maar veel moeilijker te verwezenlijken. Het aantal volwassenen waarmee je het goed moet kunnen stellen is immers veel groter.
    Een vaste kracht in een kindercommune is nodig om de continuïteit te verzekeren. Zij moeten echter voor hun taak opgeleid zijn, d.w.z. zij moeten zowel met kinderen als met volwassenen goed kunnen opschieten, zij moeten pedagogisch bekwaam zijn. Onder die voorwaarde is het dan ook logisch dat het oudercollectief deze kracht behoorlijk betaalt en voldoende grote bevoegdheid geeft: zij moet de koers bepalen die zij met de kinderen volgt. Ouders, die meehelpen, moeten haar aanwijzingen volgen, zij kunnen haar informatie en advies bezorgen, doch geen beslissingen nemen in haar plaats. Resultaat van die jaren ervaring met mijn en andere kinderen, van diskussies, observaties, gesprekken met ouders, literatuur over opvoeding volgen is een persoonlijke visie op antiautoritaire opvoeding: ervaringsgerichte opvoeding.
    In ervaringsgerichte opvoeding gaat het erom dat mijn ervaring én de ervaring van mijn kind basis is van wat er tussen ons gebeurt. Ik ben de enige die mijn ervaringen rechtstreeks kan beleven, een ander ziet van mij alleen de buitenkant - psychologen noemen deze buitenkant 'gedraging'. Wie mij ziet kan slechts veronderstellingen maken over hoe ik mij voel. Zulke hypothesen zijn soms juist, maar soms ook verkeerd. Bijvoorbeeld: ik ben moe en een beetje terneergeslagen over mijn werk dat tegengevallen is. Mijn kind ziet dit - kinderen zijn extra gevoelig voor zulke stemmingen - en denkt dat ik boos of bedroefd ben omwille van hem, omdat hij juist die week een minder goed schoolrapport heeft. Ook ouders kunnen zich vergissen over de ervaringswereld van hun kind. Zij zien ook alleen maar de gedraging en trekken daaruit soms verkeerde gevoelens over de verlangens van het kind.
    Een ervaringsgerichte houding aanleren is leren denken en voelen in volgende termen:
    " Ik ken onmiddellijk mijn ervaring
    " Het kind kent onmiddellijk zijn ervaring
    " Ik ben zeker van mijn ervaring van de gedraging van mijn kind, doch weet hoegenaamd niet of dit overeenkomt met zijn ervaring
    " Het kind heeft een ervaring van mijn gedrag, dat niet noodzakelijk overeenkomt met mijn eigen ervaring
    Om ervaringsgericht om te gaan met kinderen, moet je enerzijds open staan voor de ervaringswereld van het kind en anderzijds leren duidelijk uit te komen voor je eigen ervaringen: tenslotte is het belangrijk om zicht te krijgen op de wisselwerking tussen mijn gedrag en de ervaringen van het kind en tussen het gedrag van het kind en mijn ervaringen. Elk van de twee punten vraagt wel een beetje meer uitleg.

    Open staan voor de kinderwereld. Het is erg fijn om je kind ook eens te observeren wanneer het intens aan het spelen is, of om eens mee te spelen, erop lettend dat hij het initiatief behoudt: zo kan je allerlei leren over zijn interesses, je leert zien wat hij goed kan, maar ook wat hij niet of onvoldoende kan en waarbij hij wellicht kan geholpen worden om het te leren. Meedoen kan ook helpen om erachter te komen wat een kind nu zo plezierig vindt aan bijv. hard roepen, rondlopen, hard lopen, morsen of smeren met zand en water. Als je beter begrijpt hoe boeiend iets voor kind is, of dat zijn kleertjes niet meer zo schoon zijn. Je inleven in de kinderwereld, mee de wereld ontdekken met je baby of peuter kan zo ook een verrijking betekenen voor jezelf. Samen met je kinderen spaghetti 'opslurpen', weer blootsvoets door het gras lopen, met verf, borstel en papier spelen en genieten van de kleuren, van de vormen die je zelf maakt, de verf voelen aan je vingers….. Allemaal gewaarwordingen die ik als kind misschien nooit heb mogen ervaren of die ik al lang weer vergeten ben. Zo word je bewust van je vervreemding. Je beseft dat je als volwassene nog maar de helft tast en smaakt van wat er te tasten en te smaken is. Dankzij je kind kan je opnieuw leren voelen, ruiken, je stembanden gebruiken, kijken naar details waar je anders overheen keek. Naarmate ik op die manier meer in de belevingswereld van het kind kom, zullen een aantal van zijn gedragingen mij minder storen.

    Hij laat niet merken dat hij boos is
    Toch zullen er altijd dingen blijven die mij wel storen. Ik verdraag niet dat mijn kind in mijn boeken schrijft. Ik heb behoefte aan avonden zonder kinderen. Ik ben lekker eten aan het maken en mijn kind vraagt mij te komen kijken naar zijn gebakjes in de zandbak, ik ben gehaast en werk liever door. Dan is het belangrijk het kind duidelijk te laten weten dat het mij stoort, dat ik het onprettig vind dat ik geen zin heb, of dat ik gewoon te lui ben om met hem te spelen. Duidelijke communicatie verdraagt geen geschipper, geen getwijfel, geen dubbele boodschappen, want dan weet het kind niet wat het aan me heeft.
    Duidelijke communicatie veronderstelt ook dat ik het juiste motief aangeef voor mijn gedraging, m.a.w. wanneer ik 'neen' zeg tegen het kind dat ik dit niet motiveer onder voorwendsel dat dit beter voor hem is, doch dat het beter is voor mij! Dit vraagt van mij dat ik open sta voor mijn eigen ervaringen. Ik hoef niet meer toe te laten dan ik aankan, ik hoef niet méér te doen voor mijn kinderen dan dat ik kan. Het evenwicht tussen mijzelf geen tekort doen en mijn kind geen tekort doen is iets dat ik als volwassene zelf moet bepalen, ik kan dit van mijn kinderen niet verwachten. Het is, met andere woorden, normaal dat mijn kind van mij zoveel mogelijk tracht te verkrijgen, een kind denkt er niet aan om te zeggen "moeke, wil jij nu eens niets voor jezelf?" Willen wij ons niet aten leegzuigen door onze kinderen, dan moeten wij opkomen voor onszelf. Dat is iets dat wij misschien wel moeten leren. Vooral mensen die zich aangetrokken voelen door antiautoritaire opvoeding kunnen hier wel eens last mee hebben. Het is echt iets dat je kan leren: leren zeggen tegen je kind "ik heb nu geen zin, ik ben een beetje lui, ik wil nu eerst dit stukje uitlezen', als wij dit bij onszelf ervaren. Wie geleerd heeft op te komen voor zijn eigen wensen, zonder de wensen van de kinderen uit het oog te verliezen, zal merken dat de omgang met zijn kinderen er een heel stuk voor vereenvoudigd wordt.
    Tenslotte is er nog de wisselwerking tussen mij en mijn kind. Hoe kan je daar meer zicht op krijgen? Een angstige overbeschermende moeder werkt in de hand dat haar kinderen bang en bedeesd worden: door haar houding hebben zij niet geleerd voor hun eigen rechten op te komen, zonder haar ervaren zij zich als weerloos. Hierdoor gaat de moeder hen nog meer beschermen, waardoor de kinderen weer ervaren dat zij redenen hebben om bang en bedeesd te zijn. Het wordt een vicieuze cirkel. Hoe raak je hieruit en hoe krijg je zicht op deze wisselwerking? Je man, een vriend of een vriendin kunnen je hier soms op wijzen. Dan is het wel belangrijk dat zij dit met veel tact en begrip doen. Angst kan je aanleren en afleren, maar het laatste moet erg geleidelijk gaan. Ikzelf was nogal bang dat mijn jongste kind van de trap zou vallen, een jaar geleden. Mijn man hoegenaamd niet. Het gekke was dat het kind bij mij gewoon ook meer viel dan bij hem: ik maakte haar door mijn angst onzeker zodat zij meer viel. Wanneer je zover bent dat je dit ziet, kan je beginnen aan het afleren van de angst, door bijvoorbeeld als je samen bent het aan je man over te laten wanneer je kind op de trap kruipt, door je verder te verplichten slechts na een paar minuten te gaan kijken, enz. Stapje bij stapje niet meer dan dat je aankan. Zo geraakte ik er echt van af. Je kan ook bang zijn voor andere zaken natuurlijk, soms heel terecht, denken we maar aan de verkeersslachtoffers, maar soms ook overdreven. Zodat je je kind remt in zijn zelfstandigheid.
    Uit het voorgaande blijkt dat ervaringsgericht opvoeden helemaal niet betekent dat je nooit iets zou mogen verbieden of gebieden aan je kind. Veel mensen denken nog altijd dat dit de essentie is van antiautoritaire opvoeding. Afgezien nog van het feit dat dit in de praktijk totaal onmogelijk is, is het even autoritair of nu de ouders, dan wel de kinderen de baas zijn. De term antiautoritair duidt erop dat je je kinderen leert te reageren tegen het gezag, niet dat je je kinderen nooit zou confronteren met gezag. In de praktijk betekent dit voor kleine kinderen dat je hen leert te reageren tegen het gezag dat je zelf als vader of als moeder voor hen vertegenwoordigt. Dat is pas echt antiautoritair opvoeden en dit heeft niets te maken met 'laissez faire'. In feite moet je dit aan een klein kind niet leren, het protesteert spontaan en hard tegen alles wat hem verboden wordt. Het komt er op aan dit protest niet af te leren, hem de gelegenheid te geven boos op je te zijn, ook al is het zeer redelijk wat je hem verbiedt of gebiedt. Maar je geeft altijd de redenen aan waarom je iets verbiedt en daarbij geen drogredenen verzint. Kinderen van nog geen twee begrijpen niet steeds deze motieven. Daarom is het beter voor die hele kleintjes verboden zaken weg te zetten, te barricaderen of hen ervan af te leiden. Uit de communicatieleer weten wij dat ouders die heel veel toelaten, vaak 'dubbele boodschappen' uitsturen naar hun kinderen. Zij laten hun kinderen bijvoorbeeld alles overhoop gooien en ruimen dan zelf de boel op met een verveeld gezicht. Kinderen zijn erg gevoelig voor niet-verbale boodschappen, zoals een verveeld of moe gezicht.

    Niemand is de baas
    Tegenover zo'n dubbele en tegenstrijdige norm: toelaten, maar niet graag hebben, staan zij vaak machteloos. Soms worden zij hierdoor erg onzeker en angstig. Soms reageren zij hierop door hun ouders te gaan uittesten en erg pesterig verschrikkelijk veel rommel te maken, zodat de ouders wel moeten ingrijpen: zij dwingen hun ouders tot duidelijkheid. Een belangrijke regel voor ervaringsgerichte opvoeders is dan ook: word je bewust van de normen die je hoe dan ook stelt aan je kind en wees hierin duidelijk, zodat je kind er tegen kan protesteren.
    Ervaringsgericht opvoeden betekent evenmin nooit boos worden op je kinderen. Agressiviteit, in de betekenis van 'zijn man kunnen staan', weerbaar zijn, is erg belangrijk in de relatie tussen ouders en kinderen. Wij legden er reeds de nadruk op dat in ervaringsgerichte opvoeding noch de ouders noch de kinderen de baas zijn. Het samenleven van mensen die tenminste twintig en vaak dertig jaar van elkaar verschillen kan niet anders dan regelmatige conflicten opleveren. Omdat conflicten de goed sfeer verstoren hebben veel mensen de neiging deze toe te dekken. Het gevolg hiervan is alleen maar dat zij terug zullen komen en nog heviger.
    Hoe moeilijk en vermoeiend het ook is, als regel geldt: dek geen conflicten toe, maar probeer ze constructief op te lossen. Gaat dit niet in één keer, begin dan opnieuw tot alle partijen een bevredigend compromis gevonden hebben. Pot je boosheid, ongenoegen, ontgoocheling niet op, maar druk meteen uit wat je tegenvalt of je niet aanstaat. Doe het bij voorkeur zo dat je kind je standpunt en je gevoelens kan begrijpen. Laat voldoende ruimte aan het kind om te reageren en luister naar zijn standpunt; probeer dat te begrijpen. Word niet boos. Als dit je niet lukt omdat je zelf nog te boos bent, druk dan eerst heel je boosheid uit en praat er wat later over met je kind, wanneer de gemoederen bedaard zijn.
    Praten is een belangrijk hulpmiddel in de zelfstandig wording van het kind: het kan door eenvoudig woorden te noemen veel gemakkelijker verkrijgen wat het wil, daar waar hij eerst moest huilen of zaken aantonen en moeder of vader dan maar moesten raden wat het wou. Een kind wordt wel eens onderschat in zijn spreekmogelijkheden. Op voorwaarde dat je vroeg genoeg begint met zeer eenvoudige woorden te zeggen tegen voor het kind interessante voorwerpen of handelingen - zoals pap, melk, koek, blok, slapen, eten, spelen, wandelen,, auto - , zal een kind van één jaar reeds een hele serie woorden kunnen zeggen en een kind van twee zich al zeer goed kunnen uitdrukken. Deze praatvaardigheid vermijdt onnodig veel gehuil en maakt dat het kind zich reeds vroeg kan uitdrukken tegen vreemden.
    Wanneer zij een beetje ouder zijn kan je hen verhalen vertellen over allerlei beroepen, over straten, huizen, appartementen en hoe de mensen dat maken, ook over bomen dieren, wat zij eten en hoe zij zich voortplanten, over regen, hagel, donder en bliksem, over geld en waarom mensen moeten werken, over kleine kinderen die groeien en grote mensen die oud worden, heel oud en dan dood gaan en wat er dan met ze gebeurt. Je kan hen ook vertellen wat een gemeente, een stad en een land is, waar de burgemeester woont en wat zijn taak is. Later kan je hen vertellen wie de minister is op de televisie en wat zij te zeggen hebben. Heel belangrijk ook is dat je hen het verschil uitlegt tussen soldaten in ons land en soldaten in een land dat oorlog voert. Een jager is geen soldaat want die schiet alleen op dieren. Zulke verhalen zijn groeibevorderend, want het maakt dat zij de werkelijkheid beter gaan begrijpen. Sprookjes kunnen erg goed zijn voor kinderen vanaf zeven à acht jaar, echter volstrekt af te raden aan kleuters en peuters. Zij kunnen nog niet zo goed onderscheid maken tussen fantasie en realiteit. Sprookjes, vooral de beangstigende, bezorgen hen onnodig veel angsten.
    Je kan hen tenslotte ook verhaaltjes vertellen met als hoofdfiguur een kindje van hun eigen leeftijd, dat gelijkaardige probleempjes heeft als hij. Onder deze vorm kun je hen oplossingen suggereren voor moeilijkheden die zij hebben met andere kinderen of volwassenen. In ervaringsgerichte opvoeding wordt niet gemoraliseerd, want morele normen vallen buiten de ervaringswereld van het kind. Wel kan je hen concrete middeltjes aan de hand doen om conflicten op te lossen. Bijvoorbeeld om de beurt met een speelgoedje spelen in plaats van enorm te vechten, boos roepen in plaats van aan de haren te trekken, iets durven vragen aan een vreemde in plaats van bij mama te zeuren, enz.
    Ik hoop dat ik met dit artikel meer klaarheid heb geschapen in de verwarring rond antiautoritaire opvoeding. een aantal vooroordelen zijn opgehelderd, hoop ik. Mijn eigen interpretatie van wat Antiautoritaire opvoeding is, is weliswaar niet de enig mogelijke, noch de Enig juiste, zij heeft in elk geval het voordeel samenhangend te zijn en getoetst aan vijf jaren praktijk. Nochtans is mijn visie hiermee zeker niet af, noch onveranderlijk. Binnen zes maanden leg ik waarschijnlijk weer elders klemtonen en verander wellicht hier en daar iets. De bedoeling van dit artikel is dan ook helemaal niet een vaste leidraad te zijn. Wel hoop ik dat het inspirerend werkt, dat het vraagtekens zet achter sommige zekerheden, versterkend werkt voor sommige vermoedens en een antwoord geeft op sommige vragen.
    A.W. CUSTERS


    1975 Ineke Jungschleger in bijlage van het NRC-Handelsblad van 4 januari

    Waar zijn de anti-autoritaire kinderen gebleven?

    Vijf jaar geleden trokken zij de aandacht door nieuwe ideeën over opvoeding: groepjes jonge ouders in Amsterdam en Nijmegen die eigen crèches stichtten, waar kinderen van 2 en 3 jaar samen de dag doorbrachten onder leiding van een paar volwassenen die minder geboden en verboden dan in de meeste gezinnen gebruikelijk was. ze noemden zich antiautoritair en hun bedoeling was kinderen van jongs af te leren zelf te denken en handelen binnen de mogelijkheden van hun leeftijd.
    De Nijmeegse groep trok daarbij rechtstreeks de lijn door naar maatschappijverandering: doorbreking van de gezinsstructuur door groepsopvoeding als voorbereiding tot een socialistische samenleving. De Amsterdamse groep, minder hecht en minder politiek gericht dan de Nijmeegse, is deze zomer uit elkaar gegaan, maar heeft zijn sporen nagelaten in de Amsterdamse crèches.
    In Nijmegen spreken de ideologen al van vier jaargroepen. De oudste kinderen zitten in de eerste klas van de katholieke St. Angelaschool, de jongsten moeten verhuizen uit de christelijke kleuterschool waar een speelzaal gehuurd werd, omdat het schoolbestuur 'niet kan wennen aan' peuters die bloot lopen en zich met verf insmeren. Ineke Jungschleger volgde het spoor van een vijfjarige antiautoritaire opvoeding.


    De antiautoritaire crèches waren in het begin een bron van sensatie en misverstanden. Het was na de roerige Provotijd die zoveel losmaakte. Er kwamen stukken in de kranten over peuters die bloot liepen en de muren van de crèches met poep insmeerden. De tv-uitzendingen van de Duitse film "Opvoeding tot ongehoorzaamheid" maakten het antiautoritaire opvoeden in Nederland en in België plotseling tot een modeverschijnsel. Er werden talloze crèches opgericht die het predicaat 'antiautoritair' gingen voeren. Particuliere initiatieven waar geen controle op was, behalve die van de naaste omgeving.
    Het schande-geroep hield op toen het nieuwtje er af was. De discussie in vakbladen kwam nauwelijks op gang. Na anderhalf jaar werd het stil rond de antiautoritairen. De oprichting van de eerste kleuterschool of lagere school bleef uit. Nu zitten de oudste antiautoritaire kinderen in de eerste en tweede klas van gewone openbare lagere scholen. Hoe gaat het met die kinderen en hoe is het gegaan met de theorie van de 'opvoeding tot ongehoorzaamheid'?

    Crèches
    Er waren in Nederland in ieder geval twee groepen ouders die het begrip 'antiautoritair' als serieus beschouwden. Zij richtten crèches op in Amsterdam en Nijmegen en houden nu, na vijf jaar, nog contact met elkaar.
    Hilde van Oostrum (28), bijna afgestudeerd pedagoge, is een van de theoretici van het eerste uur in Amsterdam. Zij heeft een dochter van zeven op de lagere school en een zoon van vier op de kleuterschool.
    "De mensen met wie wij samen de crèche Prins Constantijn oprichtten, zijn verschillende kanten opgegaan. De meesten van hen studeerden toen ze met hun kinderen van twee en drie jaar begonnen aan een groepsopvoeding waarbij maximale zelfontplooiing van de kinderen voorop stond. Het perspectief was politiek: kinderen die opgevoed waren vanuit hun eigen behoeften, zonder prestatiedwang, zichzelf regulerend in hun eerste levensjaren, zouden een andere maatschappij gaan maken.
    Dat gelooft nu geen hond meer",
    zegt Hilde van Oostrum.

    Na vijf jaar vergaderen over de inhoud van het begrip antiautoritair kijkt zij sceptisch terug op de droom van de socialistische omwenteling die ten tijde van Provo en de Maagdenhuisbezetting door Amsterdam waarde. Zij heeft nog contact met zes ouders die een kind in de Prins Constantijn hadden. Toen hun kinderen naar de lagere school moesten, hebben zij samen gezocht naar een school met een tolerante leiding en met een doorsnee uit de Amsterdamse bevolking in de banken.

    Zo kwamen verleden jaar zeven antiautoritair opgevoede kinderen in de eerste klas van de Burghtschool, aan de Herengracht. De school haalde hiermee een portie ouderparticipatie in huis die menig schoolhoofd het klamme angstzweet zou doen uitbreken. Niet de heer Nieland (42), gebakken aan zijn vak en aan de binnenstad van Amsterdam.
    "Ik heb wel eens gedacht over een nieuwe school in een buitenwijk, rustiger. Maar het idee dat je dan allemaal dezelfde soort mensen en dezelfde soort kinderen hebt, staat me tegen. Ik mag het wel, dat zootje ongeregeld in de binnenstad. We hebben hier net zo goed kinderen van gastarbeiders als van antiautoritaire studenten. En de ouders hebben allemaal evenveel te vertellen op school."
    Die opvatting maakt het mogelijk dat op de Burghtschool tussen de middag op twee manieren gegeten wordt. De antiautoritairen hebben hun eigen tafels beneden in de hal, waar zij naar believen aan, op of onder kunnen zitten. De ouders die daarbij bij toerbeurt de wacht houden, gaan ervan uit dat het van negen tot twaalf al een lange zit geweest is en dat de kinderen tussen de middag de vrijheid moeten hebben om te hollen en te klimmen. Dit leidt tot een heel ander tafelbeeld dan in het overblijflokaal op de eerste verdieping, waar dames van de stichting tussen twaalf en twee glazen melk serveren aan rustig pratende kinderen die hun broodtrommeltje uitpakken op het fris geblokte tafellaken. Beneden liggen geen tafellakens omdat er nogal eens over de tafels gelopen wordt, legt de heer Nieland uit. Persoonlijk vindt hij dat een onaangenaam gezicht, maar dat is geen reden om het antiautoritaire overblijven tegen te werken. Hij waardeert de inzet van het groepje ouders.

    Lang haar
    "Ze komen veel op school en ik vind de belangstelling erg goed. Ouders hebben er recht op om te weten wat er met hun kind gebeurt op school." Dat wil niet zeggen dat hij aan deze nieuwe ontwikkeling al helemaal gewend is.
    Ik schrik nog steeds als ik een vader met lang haar en in zo'n smerig interlockje, zoals ze van de zomer droegen, door de school zie lopen. Moet dat nou, denk je dan onwillekeurig. Maar dat is uiteindelijk niet belangrijk. Hun redenering over geld verdienen, nou, daar heb ik respect voor. Niet meer verdienen dan je nodig hebt, heel eenvoudig leven zonder te streven naar meer. Er zijn er bij die daar zeer consequent in blijven. Ik zou het zelf niet kunnen. maar het zet je wel weer eens opnieuw aan het denken als je mensen in je school krijgt die heel anders redeneren dan je gewend bent."
    Nieland noemt zichzelf een doodgewoon schoolhoofd, helemaal niet uit op experimenten of onderwijsvernieuwing. Hij heeft een goede club personeel die toevallig ontstaan is, want een gemeenteschool krijgt zijn onderwijzers toegewezen. Mevrouw Van de Valk, een onderwijzeres die al jaren achter elkaar met veel plezier de eerste klas heeft, durfde het verleden jaar best aan met de antiautoritairen. Ze heeft er een drukkere klas door gehad dan normaal, maar wel een leuke klas.
    "Ze vragen bij alles het waarom en ze zijn gewend door te denken. Het zijn kinderen waar veel mee gepraat is en die daardoor zelf goed kunnen praten. Leuke kinderen."
    Ze voegt daaraan toe dat zulke kinderen uiteraard meer voorkomen, dat zij zelf waarschijnlijk niet het verschil zou zien tussen een kind uit het antiautoritaire groepje en een ander kind uit een milieu waar veel met kinderen gepraat wordt.

    Op de Burghtschool is men het erover eens dat dit komt doordat de antiautoritairen de koplopers waren van een veel grotere groep die in de afgelopen vijf, zes jaar andere ideeën begon te krijgen over autoriteit en gezag.
    Nieland:
    "Het is goed dat ze met hun ideeën aan de weg zijn gaan timmeren. Het heeft beslist zijn invloed gehad in het onderwijs. Je hebt in dit vak nooit veel tegenspraak gehad. Ik vond het eigenlijk ook heel gewoon dat ik altijd gelijk had. Dat gelijk van de meester is nu minder vanzelfsprekend geworden."

    Makkelijk praten
    De Nijmeegse psycholoog Welsen zegt hetzelfde over de zevenjarige antiautoritairen als de Amsterdamse onderwijzeres Van de Valk. Alleen wat ingewikkelder.
    "Ze zijn meer gericht op de relatie dan de meeste kinderen in hun klas. Als ze met hun werk klaar zijn, beginnen ze meteen een praatje. Ze vervallen niet tot friemelgedrag als ze even niets te doen hebben. Ze praten makkelijk en vrij met volwassenen. Kunnen het ogencontact lang volhouden, dat is een opvallend kenmerk."
    Welsen zit zelf regelmatig in de klas bij zijn zevenjarige dochter op de Sint Angelaschool. Een katholieke lagere school, door de Nijmeegse antiautoritaire opvoeders gekozen omdat ze er aansluiting vonden wat betreft hun ideeën over het betrekken van de ouders bij het onderwijs. De onderwijzeres van de eerste klas heeft de belangstellende ouders ingedeeld in lees-hulpen en reken-hulpen die op vaste tijden meedraaien in de klas, nadat zij zich op de hoogte gesteld hebben van de methoden.
    Ze vindt de antiautoritaire kinderen in haar klas vitaal en geconcentreerd ("Kinderen waar je veel mee kunt doen"). Welsen deelt ter geruststelling mee dat de vier kinderen van de eerste jaargroep, die geïsoleerd geraakt zijn van hun antiautoritaire leeftijdgenoten omdat ze op een school in hun eigen buurt kwamen, geen stoornissen vertonen.
    In Nijmegen heeft de antiautoritaire groep de stormen van vijf jaren overleefd en hechte vormen aangenomen (in tegenstelling tot Amsterdam, waar de crèche deze zomer is opgeheven en waar dus geen nieuwe antiautoritaire generatie meer gecreëerd worden).

    Houvast
    'De groep' is in Nijmegen een houvast voor zowel ouders als kinderen. Van de twaalf echtparen die in 1969 begonnen, is de helft gescheiden. De ouders zijn in de loop van vijf jaar zelf veranderd, mede door het denken over opvoeding. De theorie dat er meer dan twee vertrouwde volwassenen in de buurt moeten zijn om het kind betere kansen te geven, om zich te ontplooien, wordt in Nijmegen bepleit. Door de hechtheid van de groep zijn de kinderen goed door de scheidingen heen gekomen. Zij staan vrij tegenover volwassenen, is de algemene indruk.

    Hoe is het gegaan met het vaststellen van grenzen?
    In de peuterspeelplaatsen ging het vooral om de vraag: waar grijp je in bij agressie? Voor de rest was het een kwestie van de omgeving aanpassen: in een afwasbare huiskamer hoeft weinig verboden te worden. Later wordt het moeilijker: een zevenjarige die 's avonds naar de televisie wil blijven kijken, kan de volgende ochtend niet op tijd op school zijn. De discussie daarover is zowel in Amsterdam als in Nijmegen gestaakt.

    Aanpassing aan de maatschappij betekent in de praktijk dat iedere antiautoritaire opvoeder die grenzen vaststelt naar eigen draagkracht. De een heeft het er voor over een ochtend vrij te nemen om zijn kind te laten ervaren dat 's morgens alles mis gaat als je 's avonds niet naar bed wil, de ander niet.

    Het resultaat van het aan de weg timmeren van de antiautoritaire opvoeders is dat hun ideeën over groepsopvoeding van twee- tot vierjarigen ongemerkt hebben doorgewerkt. Waar vijf jaar geleden moord en brand over werd geschreeuwd (bloot lopen, met verf smeren) is dat nu in heel veel peuterspeelzalen een normale zaak.


    1975
    Herman Kolk (rapporteur) over: Lustrumcongres bij "De Stichting Nijmeegse Kinderkresj"
    Met het motto: ANTIAUTORITAIR OPVOEDEN, KAN DAT NOG?
    "De zondagmiddagdiskussie gaf een verdeeld kongres te zien. Toch hopen wij dat het enthousiasme voor de antiautoritaire beweging nog lange tijd overeind zal blijven. Op zijn minst tot het volgende kongres."
    Adorno deed onderzoek naar de autoritaire persoonlijkheid (iemand die naar boven likt en naar onder trapt, orders gewillig opvolgt en geen eigen beslissingen kan nemen). De antiautoritaire beweging is hierop een reactie en ontleent hieraan haar naam. Het autoritaire waar men zich tegen verzet, betreft een maatschappelijke situatie, zoals 'de man' of 'de baas' die niet stoelt op grotere kennis e.d., terwijl anderen hun zelfstandigheid en beslissingsmogelijkheid wordt onthouden.
    De kern van de antiautoritaire beweging in de jaren 60 is dat ze ontstaat uit behoefte aan nieuwe mensen die de politieke idealen later zullen kunnen navolgen.
    Wat waren de doelstellingen van de antiautoritaire opvoeding?
    1. Kinderen moeten op voet van gelijkheid met volwassenen staan. Er is dus geen plaats voor dwang bij het opvoeden.
    2. Kinderen doen niet aan kompetitie t.o.v. elkaar. Ze moeten een solidaire groep vormen waarop het kind kan steunen.
    3. Kinderen moeten niet in vaste rolpatronen worden gebracht. Om daarbij te helpen moeten de volwassenen een ouderkollektief vormen.
      1. Het kind heeft dan verschillende identifikatiemogelijkheden.
      2. De ouders krijgen wederzijdse therapie, een soort heropvoeding van elkaar
      3. De ouders krijgen door het kollektieve karakter van de opvoeding meer tijd voor maatschappelijke aktiviteiten (studie, werk, politiek)
    4. Kinderen moeten hun eigen impulsen vrij kunnen volgen en leren er vorm aan te geven en zo hun eigen normen ontwikkelen.
    5. Kinderen moeten maatschappelijk weerbaar gemaakt worden.
    De rest van het verslag betreft een terugblik na vijf jaar + een beschrijving van de confrontatie met de school.


    1975 oktober
    MARJO VAN SOEST, De Nieuwe Linie, 29-10-'75

    De ideeën achter de antiautoritaire opvoeding zijn niet nieuw. Al in het begin van de twintiger jaren gingen er stemmen op voor een opvoeding tot vrijheid en ongehoorzaamheid. Voedingsbodem voor de antiautoritaire stroming is te vinden in het anarchisme, in zoverre men daarin een streven ziet naar het verwezenlijken van een optimale persoonlijke vrijheid. Kenners van de anarchistische stroming, zoals Anton Constandse, tekenen hierbij aan dat een individualisme dat streeft naar anarchisme, naar gezagloosheid dus, ook nooit kan worden beschouwd buiten zijn maatschappelijk verband.

    Een ernstige poging tot nieuwe opvoeding in socialistische zin werd ondernomen door de Oostenrijker Siegfried Bernfeld in 1921. Het experiment duurde maar acht maanden, maar wordt beschouwd als een van de weinige pogingen om een antiautoritaire opvoeding met een socialistische visie te combineren. In het strijdschrift
    Strukkel - Belgisch-Nederlandse coproductie van mensen uit de antiautoritaire praktijk rond 1971 - worden Bernfelds ideeën door Simon Radius nader uitgewerkt. De man trok ten strijde tegen, wat hij zelf noemde, 'opvoedingsbelustheid' en 'ik-geilheid.
    Zijn a.a.-experiment ging de mist in omdat de staf van zijn instituut niet kon accepteren dat de kinderen zo nauw bij de gang van zaken betrokken werden. Bernfeld liep stuk op de grenzen van de burgerlijke opvoedingsideologie, maatschappelijke grenzen, die in feite politiek zijn, zoals ook marxistische psychoanalytici als Vera Schmidt en Wilhelm Reich in Rusland en Duitsland moesten ervaren. Hun pogingen om, direct of indirect, een antiautoritaire opvoedingspraktijk van de grond te krijgen liepen in de jaren dertig stuk op de politieke onderdrukking in die landen.

    In 1967 volgen socialistische en antiautoritair denkende West-Berlijnse studenten het spoor van de pioniers. Zij verzetten zich tegen de kleinburgerlijke opvoedingsmethoden omdat deze een autoritaire karakterstructuur in de hand werken die, zoals onder andere door de Amerikaanse psycholoog Adorno is aangetoond in de jaren vijftig, de ontwikkeling van een fascistische denkwijze stimuleert.
    De ideologische grondslag voor de West-Berlijnse Kinderladen bestond uit de ideeën en ervaringen van Vera Schmidt, psychoanalyticus Wilhelm Reich en A.S. Neill. De laatste begon in Engeland in 1921 zijn Summerhill-school, die erg bekend werd omdat Neills praktijkervaringen duidelijk aantoonden hoe onnatuurlijk autoritair opgevoede kinderen reageren op alles wat met seks te maken heeft. Neill keerde zich tegen de "leven-ontkennende christelijke godsdienst" die plezierige dingen als zonde en kwaad beschouwt.

    Directe aanleiding tot het oprichten van de West-Berlijnse antiautoritaire Kinderladen was de emancipatiebehoefte van de vrouwelijke studenten. In 1967/'68 nam de "
    Aktionsrat zur Befreiung der Frau" de gehuwde vrouwen meer tijd moesten hebben om zich politiek te scholen en actie te voeren. Geleidelijk verschoof het accent en kwam de emancipatie van het kind centraal te staan.
    De Kinderladen kwamen vanuit ander motieven van de grond dan de eerste antiautoritaire kresjes in Nederland.
    Deze gingen eind '69, begin '70 van start in Nijmegen en Amsterdam. Later volgden Den Haag, Amstelveen, Utrecht en Groningen, en ook in België kwamen broedplaatsen voor een nieuwe opvoeding. De antiautoritaire gedachte werd in bredere kring verbreid door vertoning op tv van het Duitse filmpje "
    Erziehung zum ungehorsam" (1969). Verontruste kijkers deden hun beklag bij de VARA. Was dit nu een voorbeeld voor de Nederlandse Opvoeder en zijn Gezin, deze ontklede kinderen, hun genitaliën nauwelijks aan het oog onttrokken door verfspetters en -vegen?
    Het resultaat was wel dat kresjes in de mode raakten. Het ijveren van Man Vrouw Maatschappij en Dolle mina droeg hieraan nog bij. Al gingen ze niet zover als de echte antiautoritairen, die al snel hun eerste, later herziene en bijgewerkte doelstellingen formuleerden:
    Citaat,
    Doel van deze groepswijze opvoeding voor kinderen van 2-4 jaar: een maximale zelfontplooiing en zelfregulering op basis van een vrije lustbeleving." Citaat afkomstig uit het al eerder genoemde strijdschrift Strukkel, dat streefde naar een zo ruim mogelijke verspreiding in die linkse kringen waarin men van mening is dat een echte linkse opstelling niet te verenigen is met de voorgezette onderdrukking van de vrouw, de handhaving van het burgerlijk gezinspatroon en een burgerlijke opvoeding
    Er verschenen in totaal drie nummers van Strukkel en dat is jammer. Afgezien van de hierboven geciteerde gezwollen taal - wat heeft het vage stencilgebrabbel in die jaren allemaal niet aangericht - was het een uitstekend blad met goede medewerkers, dat een belangrijke functie had kunnen vervullen.
    De mensen van de Berlijnse Kinderladen hebben nu hevige twijfels over de opvoedingsmodellen van bijvoorbeeld Vera Schmidt en A.S. Neill. Zij schrijven daarover:
    "Bij een gelijktijdig voortbestaan van de burgerlijke, autoritaire maatschappij is een dergelijk experiment automatisch gedoemd om tot enclave-opvoeding te worden, waardoor de mislukking vaststaat. De kinderen worden na het verlaten van het internaat door de maatschappij opgenomen waar ze zich moeten aanpassen om zich te kunnen handhaven. De opvoeding was dus zinloos. Of de kinderen blijken door de antiautoritaire opvoeding niet in staat tot aanpassing en worden aan zichzelf overgelaten, noodzakelijkerwijs ik-zwak, neurotisch en misschien zwakzinnig, een veel ernstiger consequentie dan de gangbare autoritaire opvoeding heeft bewerkstelligd."
    Door mensen met praktijkervaringen en kennis wordt deze kritiek als ongenuanceerd en oppervlakkig van de hand gewezen.

    Onderstaand artikel kan duidelijk maken dat het probleem van de enclave-opvoeding de Nederlandse antiautoritaire voorlieden wel degelijk bezighoudt. Hun conclusie nu, in 1975: "De antiautoritair begeleide kresj-kinderen van de zestiger jaren zijn actieve openlijke en zelfbewuste mensen aan het worden."



    Ervaringen uit de zestiger jaren geanalyseerd en verwerkt

    De antiautoritaire opvoeders proberen het weer

    Zijn ze er nog, de antiautoritaire opvoeders? In het eind van de zestiger jaren richten ze hun eerste kresjes op, begeleid door hevige bijval en afkeuring. In de periode van betrekkelijke rust die erop volgde ploegden zij voort in Nijmegen, Amsterdam, Den Haag en enkele andere plaatsen in het land. Er was weinig politieke overeenkomst, veel vaag idealisme, uitgegoten in stencil-taal.
    De doelstelling klonk zo mooi:
    "Antiautoritair opvoeden is opvoeden tot verzet tegen de onderdrukkers"
    of:
    "Voedt kinderen op tot weerbare mensen die autonoom kunnen beslissen, kritisch zijn en onderling hecht verbonden. Dit mensensoort is niet te manipuleren, maar zal altijd zelf blijven denken."
    Begin oktober staken honderdtwintig ouders, onderwijsmensen en belangstellenden de koppen bij elkaar om zich te bezinnen op de voorbije antiautoritaire activiteiten. Zonder illusies dit keer, maar gesterkt door niet weg te cijferen praktijkervaringen. Gaat de a.a.-beweging kleiner, hechter en politiek duidelijker van snit, een nieuw tijdperk in?
    "Jasper staat op om boodschappen te doen, Marije maakt nog nauwkeuriger het bed op. Jasper komt schreeuwend terug. Er ligt een vis in het water. Marije stelt voor om hem dood te schieten. Dat gebeurt met het natte plakselkwastje, waarna Bastiaan hetzelfde procedé op Milo toepast. Weer slapen. Jeroen praat al een half uur over de meisjes met kutjes, bij Jiske noemt hij dat kutterkut en hij vergelijkt Ruthie en hem met Mary en Henk (Mary en Henk, de ouders, hadden toen veel moeilijkheden; op dit moment had Mary tijdelijk het huis verlaten). Maarten is vaak tussendoor aan het knippen, boomstammen en stokken, Gregor is weer wakker en allemaal gaan ze om hem heen zitten en spelen rommeldebom met de Orwo-blikken. Maarten is naar beneden gegaan. Ze blijven boven bezig het gruis rolt af en aan. De kastplanken zijn al donkergrijs, het is een kabaal van jewelste."
    Dit fragment komt uit het dagboek - de protocollen, noemden ze dat, naar beste wetenschappelijke traditie - van de eerste Amsterdamse antiautoritaire kresj, Prins Konstantijn, destijds gevestigd in het meditatiecentrum De Kosmos, later verhuisd naar de Huidenstraat. In september '69 werden de eerste oprichtingsvergaderingen belegd, als vervolg op een door de algemene studentenvereniging Amsterdam gehouden congres over antiautoritaire opvoeding. In de beginfase waren er zo'n twintig kinderen, begeleid door de meeste ouders, vaders en moeders, en een aantal medewerkers zonder kinderen die uit enthousiasme meededen. De a.a.-kresj Prins Konstantijn is in de zomer van '74 opgeheven.

    In dezelfde tijd dat de Amsterdamse ouders de bestaande opvoedingsidealen aan de kaak stelden, staken in Nijmegen, en later ook in Den Haag, Groningen, Rotterdam en Utrecht, een groepje mensen de koppen bij elkaar om het grote, voor velen bijna blanco begrip antiautoritaire opvoeding in te vullen. In Nijmegen begonnen studerende en werkende ouders met zo'n vijfentwintig kinderen de eerste echte antiautoritaire kresj in het zuiden des lands. En daar zat schot in.
    Nu, oktober '75, bestaan er zes Nijmeegse groepen, waarvan vijf verenigd in de Stichting Kinderspeelgroepen. De mensen van het eerste uur spreken al van jaargroepen. De oudste kinderen zitten in de tweede klas van de katholieke Sint Angelaschool, opgenomen in de groep van niet a.a.-opgevoede kinderen. De jongsten zitten in de eigen a.a.-kresj, de middengroep op een al bestaande kleuterschool. Plannen om een eigen a.a.-kleuterschool op te richten zijn mislukt, omdat in de eigen omgeving niet de negentig, voor een nieuwe school wettelijk verplichte kleuters te vinden waren. De a.a.-kresj-kinderen moeten in Nijmegen dus een aanpassingsproces ondergaan op de al bestaande kleuter- en basisscholen.

    Nijmegen: anderhalf jaar chaos
    Nijmegen en Amsterdam, twee experimenten met een vorm van opvoeding zonder onderdrukking en zonder angst, waarbij niemand de baas is. In Amsterdam is de a.a.-kresj opgeheven, in Nijmegen draaien de a.a.-jaargroepen vrolijk en stabiel verder. Ik zocht de mensen van het eerste uur op: In Nijmegen Kai Welsen, psycholoog, vader van twee kinderen, een zoon op de kleuterschool en een dochter op de basisschool. In de tweede klas.
    In Nijmegen leggen ze sterk de nadruk op groepsopvoeding, waarbij maximale zelfontplooiing van het kind voorop staat.
    Kai Welsen over die beginperiode:
    "Wij hebben ongeveer anderhalf jaar een chaos doorgemaakt.
    Er was een zeer heterogeen gezelschap ouders, met één gemeenschappelijk punt van overeenkomst: iedereen wilde een plek waar zijn kind zich vrij kon ontplooien.
    De ouders waren op zoek naar andere ouders en opvoeders die er voor pasten om hun kinderen op te kweken tot modelmensen. Dus niet meer: wat heb je dat mooi getekend, geschreven, opgeruimd, schoongemaakt. Weg met de waardeoordelen, weg met de beloningen en de straffen.
    Zo rigoureus als dit klinkt, kon het in de praktijk natuurlijk niet. Dan ga je de ene dwang vervangen door de ander. Ik herinner me een vriendin die haar kind op de a.a.-kleuterschool had waar ook mijn dochtertje zat. Fred, haar zoontje, had de neuzen van zijn nieuwe leren laarzen drastisch bewerkt met de spijkertjes uit zijn Hamertje-Tik-spel, omdat hij dat zo mooi vond. Zijn moeder, met een krap huishoudelijk budget was in woede ontstoken. De reacties van de oudergroep van de kleuterschool waren drieërlei geweest:
    Als hij dat mooi vindt, moet hij dat kunnen doen. Hij moet ermee lopen, jij niet. Je moet hem duidelijk maken dat hij natte voeten krijgt omdat er gaatjes in zijn laarzen komen.
    Een tweede groep had de spontane reacties van mijn vriendin, een fikse lel, wel kunnen begrijpen.
    De anderen hadden afkeurende geluiden laten horen.
    Kai: "Inderdaad, dat is ook voor ons het probleem geweest: waar leg je je grenzen? Bij ons diende zich dat aan wanneer we te maken hadden met zeer agressieve kinderen. Dan kun je natuurlijk niet het laat-maar-gaan-principe handhaven, vooral niet als zo'n kind zijn krachten blijft meten met de zwakkeren. En dat gebeurt meestal. Als het niet voldoende is zijn aandacht af te leiden, moet je echt ingrijpen. Het is een misvatting te denken dat a.a.-opvoeding betekent dat je de kinderen hun gang laat gaan. Integendeel, het vergt het uiterste van je aandacht. Je moet voortdurend waakzaam zijn, vooruitlopen op situaties."
    Reich, Reiche en de onderdrukking Op het gebied van de lustbeleving waren er ook problemen. Veel a.a.-opvoeders vinden, indachtig de geschriften van Reich en Reiche, dat men al op zeer jonge leeftijd vrijelijk zijn seksuele aandriften moet kunnen uiten. Immers, zo redeneerde men, is de seksuele onderdrukking niet een vorm van een algemeen maatschappelijke onderdrukking? De opvoeders zelf werden hierdoor ook gedwongen na te denken over hun remmingen op dit gebied. De praktijk maakte het dikwijls moeilijk genoeg. Coby van de kresj Prins Konstantijn:
    "Dat de kinderen er naakt bij lopen als ze daar zin in hebben, is geen enkel probleem. Dat wordt het pas als de aanwezige opvoeders op vriendelijke, maar zeer vasthoudende wijze geprest worden hetzelfde te doen. En wie het nog niet wist: veel kinderen zijn ontzettende vrijkousen, uit op de warmte en het roezerige van het lichamelijk contact. Je kunt dit afremmen, wat in de praktijk meestal gebeurt, met alle gevolgen van dien. Je kunt het stimuleren, maar daarover waren we het nooit eens. En je kunt er geen aandacht aan schenken en maar laten gaan. Moeilijker wordt het als je te midden van een groepje ouders, mensen die je niet zo goed kent, gedwongen wordt toe te staan dat je blouse losgeknoopt wordt, omdat Martijn zo graag met blote tietjes speelt. En hij zet me toch een keel op als je blozerig en schuttierig zijn aandacht probeert af te leiden. Als je dan niet een vertrouwensrelatie hebt met de dan aanwezige ouders, kun je wel inpakken. In de kresj Prins Konstantijn kreeg een meisje een schrobbering omdat zij bij het verschonen van een peuter had uitgeroepen: "Bah, wat ben je vies."
    Een van de vele voorbeelden van kritiek op ouderlijk gedrag.
    Hoe stond het met die vertrouwensrelatie tussen de opvoeders?
    Kai Welsen:
    "Bij ons was na een jaar toch een vrij hechte band. We hadden ons er toen bij neergelegd dat we politiek gezien geen hechte eenheid konden vormen en aan ideologie niet te zwaar moesten tillen, wilden we echt wat van de grond krijgen. We hebben de theoretische begrippen gerelativeerd en zijn wat pragmatischer geworden. Daardoor is de groep ook gegroeid. Er was bij ons wel een sterk besef dat we elkaar als ouder nodig hadden. Het gevaar zit er dan in dat je je onder verkeerde vlag bezig gaat houden met een soort groepstraining. We waren zeer intensief bezig met eigen problemen en die van elkaar."
    A.a.-kresjes als breekijzers. Later hoorde ik dat van de twee oudste groepen driekwart van de huwelijken op een echtscheiding is uitgedraaid. Dat zegt waarschijnlijk meer over het instituut huwelijk dan over de betrokkenen zelf, het blijft een opvallend verschijnsel. In Amsterdam lag dat aantal iets lager. Joost Schipper, vader van twee kinderen die op de kresj Prins Konstantijn meedraaide, schat dat ongeveer de helft van de ouders van de kresj uit elkaar gegaan zijn. In kresj-verband blijkt de eensgezindheid van echtelieden vaak aan dezelfde beperkingen onderhevig te zijn als die tussen de andere leden van de kresj. Op het moment dat ze zich moeten bezinnen op hun verhouding tot het kind en tot de maatschappij, op het moment dat ze zich kritisch moeten opstellen tegenover alles wat ze zelf thuis geleerd hebben, komen verschillen van mening aan de dag.
    Kai Welsen:
    "Bij ons zijn al die echtscheidingen door de kinderen goed opgevangen door de hechtheid van de groep. We hebben het allemaal van nabij meegemaakt, in alle gevallen zijn de ouders in goede verstandhouding uit elkaar gegaan."
    Hij noemt als extra opvallend verschijnsel dat vooral de vaders enorm zijn veranderd door de kresj.
    De meesten hebben ernst gemaakt met hun zoeken naar een parttime werkkring, zodat hun aandeel in de opvoeding van de kinderen niet beperkt hoefde te blijven tot het zondagse robbertjes stoeien in het bos.
    De geschiedenis van de kresj Prins Konstantijn was voor een belangrijkdeel de geschiedenis van politieke meningsverschillen. Hilde van Oostrum, bijna afgestudeerd pedagoge, was van begin tot eind bij de kresj betrokken en wijdde er een scriptie aan.
    Citaat:
    "Niet zelden moesten wij beschaamd constateren dat de kinderen het beter met elkaar konden vinden en in de kresj kennelijk gelukkiger waren dan de ouders. Twee van de oudste kinderen zijn na hun kresj-tijd naar een gewone openbare kleuterschool gegaan en ze bleken het daar beter te doen dan op grond van het sektarisme van hun ouders gevreesd mocht worden."
    Maar dit neemt niet weg dat de ideologische meningsverschillen een belangrijke en nuttige rol hebben gespeeld. Wie waren die ouders van de kresj, en wat verwachtten zij? Hilde concludeert in haar scriptie dat voor de meeste ouders persoonlijke problemen zwaarder wogen dan de op groepsvorming gerichte wijze van opvoeden, waarin ook de oudergroep moest functioneren.
    Tijdens een weekend voor ouders, kinderen en medewerkers (mei 1970) kwamen de tegenstellingen naar boven.
    Er was een groep die de nadruk wilde leggen op iets wat toentertijd solidariteit tussen de kinderen genoemd werd. Dit hield een pleidooi in voor een niet autoritaire, maar wel directieve aanpak. In deze groep ontstond ook een discussie over de vraag of de a.a.-opvoeding niet zou moeten worden vervangen door een socialistische.
    Bij de ouders van de tweede groep met jongere kinderen, overheerste een laat-maar-gaan-houding, die zoveel mogelijk een beroep doet op de kinderen zelf en hun vermogen om conflicten op te lossen.

    Een linkserig soort idealisme
    Joost Schipper, terugkijkend:
    "Ik denk dat het stukgelopen is op een gebrek aan politieke overeenstemming. De groep was verenigd door een linkserig soort idealisme. Er kwam een heleboel energie los, die zich voornamelijk ontlaadde bij groepsdiscussies. Na afloop overheerste een gevoel van machteloosheid."
    Van de Kosmos verhuisde de kresj naar een pand van de universiteit in de Huidenstraat. Een van de ouders verzuchtte:
    "Wij zijn boffers. Met een groet gesubsidieerde ruimte (subs NVSH) en een tuin. Met gratis allerhande voorzieningen zoals gas, water, licht, cv, technische onderhoud. Met een groot intellect onder de ouders en een klein kinderaantal per vierkante meter. En dat alles dankzij het a.a.-label."
    Boffers dus, in allerlei opzichten. De belangstelling van de buitenwereld voor de kresj was groot en er was geen beknotting van officiële instanties.
    Maar toch schrijft Hilde van Oostrum: "Ergens op de muur van de kleuterruimte boven de bonte afdrukken van kinderhandjes staat: Leef en werk in de geest van Lenin. Sommige ouders zijn daar erg kwaad over, anderen staan er goedkeurend bij. Tekenend voor de situatie in Amsterdam."

    In beide steden zijn de a.a.-kinderen in groepen op verschillende basisscholen terechtgekomen. In Nijmegen viel de keus op de katholieke Sint Angelaschool.
    Kai:
    "We hebben meteen gezegd, de kinderen moeten naar een doodgewone school, liefst in de buurt, maar ze moeten wel zoveel mogelijk bij elkaar blijven. Natuurlijk is zo'n schoolkeuze een compromis. We hebben tevoren contact gehad met de leerkrachten, en met elkaar gepraat. Onze voorwaarde was: deelname van de ouders aan het onderwijs en aan de opvang tussen de middag. Met de juffrouw van de eerste klas konden we het goed vinden. Na drie maanden was ze erg enthousiast, het bleek dat onze kinderen het erg goed deden. Ze hebben een socialiserende invloed gehad op de andere kinderen. Ik bedoel daarmee dat ze via een stukje gemeenschapszin, vitaliteit en inlevingsvermogen, en ook door hun verbale begaafdheid de anderen meegetrokken hebben."
    Nu, in het tweede jaar, dreigen moeilijkheden. In september bleek dat ouderparticipatie opgeschort gaat worden tot januari. Als reden wordt opgegeven dat de kinderen eerst maar aan de leerkrachten moeten wennen en andersom. Daarna kan bekeken worden of de ouders er weer bij kunnen.

    Samenwerking met de basisschool
    Een stuk of tien kinderen van Prins Konstantijn en ook enkelen van de Open School in de Nieuwmarktbuurt kwamen zo'n dikke twee jaar geleden in de eerste klas van de Burghtschool aan de Herengracht.
    Wat is er terecht gekomen van het idee van de a.a.-voorlieden om hun kinderen op die school een 'stevige socialistische kern' te laten vormen. En hebben ze er de 'psychische mogelijkheden om zich met kinderen uit andere milieus te solidariseren', zoals ooit een van de doelstellingen luidde? De ouders die ik hierover gehoord heb, zijn er niet juichend over, al halen zij nu hun schouders op over de hierboven geformuleerde doelstellingen.
    "Socialistische kern? Maak het nou; zover waren we nog lang niet. En wat de school betreft, experimenten of vernieuwingen zijn er niet bij. Je mag al blij zijn als je het een beetje goed kunt vinden met de man of vrouw die toevallig voor de klas van je kind staat.
    Toch steekt er geen onwil achter van de zijde van het onderwijzend personeel. Eerder een door angst gevoede onzekerheid. Tenslotte heeft de Brughtschool een stel zeer bewuste en kritische ouders op zijn dak gekregen die allemaal hun weetje weten: sociologen, pedagogen. Niet dat ik zo met die titels scherm, maar naar buiten toe werkt het nu eenmaal nog steeds. In elk geval geen mensen die volstaan met naar de ouderavonden te komen, braaf in het bankje van Miepje gaan zitten, het rapport en het bijbehorend preekje slikken en weer opkrassen. Dus dat er weerstand is, dat kan ik zeer goed begrijpen. Maar het is jammer dat die weerstand moet uitmonden in een krampachtig gedrag tegenover de kinderen."
    Weerstand dus op de Burghtschool ook bij de andere ouders, die zonder a.a.-voorland. Een ingezonden brief in het schoolblad, afkomstig van een moeder, spreekt voor zich.
    Zij vindt:
    "In plaats van zich te bemoeien met de lessen, doen zekere ouders er beter aan hun kinderen op tijd naar school te sturen. Gewassen en gekamd, gestoken in schone heldere hele en gestreken kleren. En daar staan gepoetste schoenen ook goed bij," meldt zij terloops.
    "Want een kind wil immers geen buitenbeentje zijn vanwege een smerige plunje? De natuur straft met infecties en ongedierte."
    Zij roept de ouders op om tijdig op te staan, ook als het de avond tevoren erg laat geworden is. Dat alles lijkt haar een betere vorm van ouderparticipatie dan meehelpen met de lessen.

    Ziezo, dat kunnen de antiautoritairen in hun zak steken.

    **********

    Kort geleden maakte een aantal voorlieden van de a.a.-beweging de balans op. Dit gebeurde tijdens een congres begin oktober, georganiseerd door de Stichting Nijmeegse Kinderkresj ter gelegenheid van haar vijfjarig bestaan. De hamvraag was: antiautoritair opvoeden, kan dat nog?
    De ruim honderdtwintig aanwezigen vonden de a.a.-idee te belangrijk om geruisloos ten onder te laten gaan. Ook bespeurde men voldoende animo en strijdvaardigheid. Er is een stuurgroep gevormd die gaat onderzoeken wat anno 1975 de gemeenschappelijke doeleinden kunnen zijn.
    Deze stuurgroep wil eerst een samenwerkingsverband tot stand brengen tussen kresjes en actiegroepen, kleuterscholen, buurtgroepen en basisscholen. In de nabije toekomst kan mogelijk aansluiting gezocht worden bij de Vereniging voor Socialistisch Onderwijs, of, wie weet, bij de aardige familie van de PvdA-gezinde Socialistische Opvoeders, waar de rode harten kloppen. Als de PvdA-ers het tenminste eens kunnen worden over de basis van zo'n club: vrijwillig of partijgebonden.

    De algemene stemming op het congres was: als we nu de draad niet oppakken, gebeurt het nooit meer. Mogelijk is nu de tweede fase van de antiautoritaire beweging ingegaan. En wie weet: misschien is dit keer de kans kleiner dat daarbij de maatschappelijke werkelijkheid uit het oog verloren wordt.


    1975 september
    Ton Elias in de NRC over het oprichten van een vereniging voor socialistische opvoeding PvdA (van der Louw) wil zo'n vereniging oprichten, maar niet iedereen voelt voor de koppeling met de PvdA. Men wil ook de mensen die al jaren aan socialistische opvoeding werken niet vervreemden van deze nieuwe vereniging.
    Kinderen moeten de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen tot vrije mensen die met elkaar willen werken aan de verandering van de huidige maatschappij.
    De oprichting mislukte.


    1978
    VPRO-televisie, brochure over: De "revolutie" van 1968
    Met daarin onder meer Rudi Dutschke en Daniël Cohn-Bendit
    Al vroeg in de jaren zeventig werd over de jaren zestig gesproken als een min of meer afgesloten, op zichzelf staande periode.


    1995

    De kresj
    Marije-M-95 (78K)
    Een documentaire van Marije Meerman over de anti-autoritaire crèche 'Prins Konstantijn' in Amsterdam. Over een groep jonge ouders in de hoofdstad, die de opvoeding van hun eigen kinderen aangrepen om de maatschappij blijvend te veranderen. Geïnspireerd door de ideeën van Marx, Lenin, Reich en Freud voelden zij zichzelf geconditioneerd door hun eigen traditionele opvoeding. De oprichting van een antiautoritaire crèche zagen zij als dé mogelijkheid om een nieuwe mensensoort te creëren.
    Marije Meerman was één van deze kinderen en gaat in de film op zoek naar haar voormalige crèche-genoten. 1995, 57 minuten, Nederlandse Televisie- en Filmacademie ism de VPRO, regie Marije Meerman; (CD1/833.2)


    2000 september
    Wietske Blokker in het Historisch Nieuwsblad over ANTIAUTORITAIRE OPVOEDING


    2002 maart
    Gerbert van Loenen in TROUW onder de titel: 'Vrije opvoeding leidt niet tot vrije mensen'

    In een reeks artikelen in het weekblad Die Zeit en uiteindelijk in haar vorige zomer verschenen boek 'Die Erziehungskatastrophe' bindt Susanne Gaschke de strijd aan met de ouders uit de generatie van de naoorlogse geboortegolf, of de 68'ers zoals ze in Duitsland heten. Want zij zijn het die met hun ideaal van de anti-autoritaire opvoeding veel van de huidige problemen veroorzaakt hebben, meent Gaschke.
    Het is de fundamentele fout van de anti-autoritaire pedagogiek het opvoedingsdoel, de vrije, verantwoordelijke mens, te hebben verward met de weg naar dit doel.
    Oftewel: om kinderen op te voeden tot vrije en verantwoordelijke mensen volstaat het niet om kinderen vrij te laten en het ze allemaal zelf uit te laten zoeken. Integendeel: kinderen hebben sterke ouders nodig.

    Die arme 68'ers: ze krijgen ook overal de schuld van. Zijn ze soms ook verantwoordelijk voor de schrijffouten die jongeren maken? Het antwoord luidt eenvoudigweg: ja, schrijft Gaschke, zelf geboren in 1967.
    De 68'ers als bepalende generatie hebben een maatschappelijk klimaat geschapen waarin men niet meer kon vasthouden aan het respecteren van spellingsregels zonder zich een beetje belachelijk te maken - en dat geldt ook voor andere soorten regels.
    Van veel ouders heeft Susanne Gaschke boze reacties gekregen, vertelt zij in het statige pand van Die Zeit in Hamburg. Die maakten bezwaar, vroegen: hoe kun je zoiets beweren. Maar leraren, en meer in het algemeen veel mensen die beroepsmatig met kinderen omgaan, zeiden: 'eindelijk'. Leraren eisen dat ouders hun kinderen weer opvoeden voor ze ze op school afleveren.

    Wat Gaschke beweegt, is dat kinderen uit sociaal-zwakke gezinnen achterop blijken te raken. Brede lagen van de bevolking hebben toegang tot hoger onderwijs en ook arbeiderskinderen kunnen gaan studeren. Maar juist in sociaal zwakke milieus werkt de tolerante aanpak van de 68'ers niet, betoogt Gaschke.
    Zo komt zij op haar belangrijkste punt: opvoeding, of het nu om ouders, leraren of maatschappelijk werkers gaat, moet eropuit zijn karakter te vormen, en dat lukt het beste als de volwassene zelf een voorbeeld is, een pedagogische persoonlijkheid waar de jongere zich aan kan spiegelen, of zich tegen af kan zetten.

    De opvoedingsboekenschrijvers blijken een gevoelige snaar te hebben geraakt. Christian Nürnberger vertelt dat hij nu al een half jaar lang door Duitsland reist om lezingen te geven. "Alleen opgevoede mensen kun je iets leren." zegt hij tegen zijn publiek. Volgens hem zijn kinderen tegenwoordig slecht voorbereid op school.
    Dat komt door ons 68'ers, maar ook doordat er een gebrek aan oriëntering is over wat de doelen zijn van opvoeding, en doordat ouders geen tijd meer hebben voor hun kinderen omdat het bedrijfsleven hen in de slag om de marktaandelen jaagt. Eénoudergezinnen doen er ook geen goed aan. Voorwaarde voor opvoeden is dat je meester bent over je eigen tijd.
    2005 juni
    De moeder van Barbara en Lajla (op het internet gevonden) over de antiautoritaire kresj.
    Onze oudste dochter Lajla brachten we op driejarige leeftijd een aantal ochtenden per week naar een peuterspeelgroep in het centrum van Amsterdam. Daar leerde ze met andere kinderen spelen, fröbelen en zingen. Het leek ons als voorbereiding op de kleuterschool een goede zaak. Barbara, die acht jaar met Lajla scheelt, ging, zodra ze twee was, niet naar een speelzaal, maar naar de antiautoritaire kresj (zo schreven we dat toen) die ongeveer een jaar eerder in Den Haag was geopend. Het verschil in werkwijze en omgang met de kinderen was enorm en van het incasseringsvermogen van kinderen en (sommige) ouders werd veel gevergd.
    We hadden ons eerst verdiept in de literatuur van de Deutsche A.A.-Kinderladen en ideologisch leek zo'n antiautoritaire aanpak ons heel geschikt. Het resultaat van een dergelijke opvoeding zou geweldig zijn: geen slaafse, saaie kinderen, maar origineel, creatief, vindingrijk, zelfstandig denkend en last but not least politiek bewust en strijdbaar.
    Dat je voor een dergelijk doel offers moest brengen was voor mij geen beletsel. Met enthousiasme gaf ik me op voor het meedraaischema en ik noteerde ook de datum van de eerstvolgende kresjvergaderingen in mijn agenda. Toch schrok ik behoorlijk bij het betreden van het pand waar het kinderparadijs gevestigd was. Het was er ronduit een grote puinzooi en het rook er vies. Overal planken, oude lappen om tenten mee te bouwen, speelgoed, meubilair en dergelijke door elkaar op de grond. Het deed me denken aan beelden op tv na natuurrampen zoals aardbevingen en tornado's. Toch liet ik me niet kennen en dapper volgde ik een andere ouder die me vertelde dat iedereen vanwege het mooie weer buiten zat.
    Tja, wat nu. Ongemakkelijk zette ik mezelf op een gammele stoel. Barbara klampte zich aan me vast en keek angstig in het rond. Een stel vuile, naakte en halfnaakte kinderen met lange ongekamde haren kropen in een soort zandbak rond, sjouwden met bakstenen en emmers water en hadden het blijkbaar reuze naar hun zin. Eén dik meisje zat daar een eind vandaan boven op een kapotte slaapzak met haar duim in haar mond en een tutlap in haar handen en kwam niet in beweging. Opvallend was dat niemand van de volwassenen daar enige aandacht aan besteedde. Haar niet probeerde ergens bij te betrekken. Tot slot ontdekte ik een paar kinderen boven in een boom. Die waren daar zelf in geklommen, plukten bladeren en lieten die onder luid gegil naar beneden dwarrelen. Ook dat hoorde blijkbaar tot de normale gang van zaken, al voelde ik als beginneling in het A.A.-gebeuren angstscheuten door mijn lichaam gaan. Straks valt er eentje naar beneden… Toen ik er wat van zei, werd me verzekerd, dat de kinderen dit vaker deden en dat men er van uitging dat wie naar boven kon klimmen ook wel weer kon afdalen. Daar dacht ik, denkend aan katten en de brandweer met lange ladders overigens het mijne van, maar durfde dat niet te zeggen.
    Barbara wende ondanks alles snel, niet in de minste plaats dankzij Manouk, een iets ouder jongetje dat de rol van beschermheer van meet af aan op zich nam. Er hoefde maar iemand bij haar in de buurt te komen met iets kwaads in de zin of hij sprong te hulp en sloeg of schopte de belagers van haar af. Barbara hield dit contact warm door hem telkens als de gelegenheid zich voordeed kleine lekkere hapjes toe te stoppen.
    Zo ontstonden er allerlei patronen. Een ander klein tenger meisje wist zichzelf wel prima te verdedigen door letterlijk van zich af te bijten. Die zette bij een gevecht direct haar tanden in een arm of been en had zo het alleengebruik van een oude poppenwagen met inhoud veilig gesteld. Het brood, uiteraard zuurdesem met tahin en ander gezond beleg mochten de kinderen zelf klaarmaken, en het resultaat laat zich raden. Boodschappen bij een natuurvoedingswinkel werden soms gezamenlijk gedaan, waarbij een grote bakfiets als vervoermiddel diende. Een keer was ik echt woest, want na een dag werken ging ik mijn kind ophalen en vond de deur van de kresj dicht. Alle kinderen waren door een van de vaders in die bakfiets geladen en het hele zooitje was vertrokken naar het strand. Geen briefje op de deur of ander bericht achterlatend.
    Tijdens een vergadering stelde ik dit aan de orde, maar kreeg hiervoor weinig begrip. De kinderen hadden het geweldig naar hun zin gehad, ik moest niet zo moeilijk doen, werd mij voorgehouden. En zo werd ik door een aantal meer ideologisch geschoolde heren al snel ingedeeld bij het clubje van de trutten, moeders die net als ik vonden dat de wc wel eens schoongemaakt zou kunnen worden. Of dat er ergens in het gebouw een EHBO-doos aanwezig moest zijn en een brandblusser. Een aantal kinderen heeft later in het gebouw een vuurtje aangestoken, omdat ze het koud hadden en... de lucifers voor het grijpen lagen.
    De tegenstelling met de harde linkse kern was groot, maar tot een scheuring is het nooit gekomen. Het was in de tijd van demonstraties tegen Amerika in verband met de oorlog in Vietnam en men ging zelfs zover om de in Den Haag gevestigde Amerikaanse ambassade te bekogelen met bloedbommen, plastic zakjes met bloed dat voor dat doel bij het abattoir was opgehaald. Ik had dezelfde kritiek maar voelde niet voor gewelddadige activiteiten, had me wel jaren daarvoor op laten pakken tijdens een sit-down demonstratie op het buitenhof voor hetzelfde doel.
    Ondanks het ontbreken van de meest elementaire voorzieningen op het gebied van veiligheid en hygiëne heeft Barbara aan het verblijf in die kresj geen nadelige gevolgen ondervonden. Ze heeft nog steeds contact met een aantal van de kinderen uit die tijd, onder andere met Panja, met wie ze urenlang in een kast zat te spelen. En ik heb op een van de kresjvergaderingen, die meestal laat eindigden en waar veel gerookt en gedronken werd, Rob leren kennen. En ben daar (ontzettend truttig, wat dat betreft ben ik weinig veranderd) al jaren heel kleinburgerlijk en tot tevredenheid mee getrouwd.


    2006 januari
    Rein Westerduin, Doctoraalscriptie Orthopedagogiek, Universiteit van Amsterdam over: AUTORITATIEVE OPVOEDING
    Titel: VAN TWEEËN ÉÉN. scriptiebegeleider: Dr. H.Q. Röling, Amsterdam
    HOOFDSTUK V DIANA BAUMRIND
    5.1 Het begrip 'autoritatief'
    Het Engelse woord 'authoritative' wordt in het woordenboek vertaald met 'gezaghebbend' of 'gezagsafdwingend'. Het begrip wordt in het Engels onderscheiden van het woord 'autoritair', wat vertaald wordt met 'authorian', wat 'eigenmachtig' betekent. Het wezenlijke van autoritatieve opvoedingshandelingen, zo stelt Baumrind (1965), is dat de gezonde ontwikkeling van het kind centraal staat en niet de machtspositie van de ouder. De autoritatieve ouder maakt gebruik van 'gezag' in plaats van een 'macht'. Het evenwicht tussen 'betrokkenheid' en 'controle' wordt verantwoordelijk gehouden voor een gezonde, effectieve gezagsrelatie: het één wordt gedaan (het kind wordt gevoelsmatig niet afgewezen), en het ander wordt niet nagelaten (het kind wordt wel gestuurd en gecorrigeerd).


    Juni 2008
    Peter de Haan op internet over: Van anti-autoritair naar a-hiërarchisch
    Kinderen die zich later als volwassene blijven afzetten tegen hun autoritaire ouders of tegen een opgelegd geloof, laten zich niet zelden blokkeren. Deze 'anti'-gevoelens van gekrenktheid en frustratie kunnen een positieve houding tegenover de ouder-kindrelatie of religie in zijn algemeenheid in de weg staan. Mensen met een sterk antiautoritaire houding staan dus niet los van de hiërarchie die ze bestrijden. Sterker nog, ze zijn aan deze hiërarchie vaak een hoop negatieve energie kwijt.


    2008 mei
    Homma en Hogeboom, afstudeerscriptie bij Chr Hogeschool Windesheim
    6.12 Overige factoren
    Naast bovenstaande factoren zijn er nog een heleboel factoren op te noemen die invloed kunnen hebben op het ontwikkelen van een negatief zelfbeeld:
    • Een neurologische en/of psychologische overgevoeligheid
    • Een negatieve (depressieve) levensinstelling en basishouding
    • Een overgevoeligheid voor de kritiek en mening van anderen, mede veroorzaakt door het hebben van te weinig inzicht in wat men kan en wie men is
    • Een negatief belast verleden, onveilige gezinssituatie, scheiding, lichamelijke of geestelijke mishandeling, seksueel misbruik, antiautoritaire opvoeding, (emotionele) verwaarlozing
    • Zichzelf met anderen vergelijken, qua: uiterlijk en fysieke mogelijkheden, geestelijke en fysieke prestaties, bezit, opleidingen, verdiensten (inkomsten), sociale afkomst, woonomgeving, (gevoelens van schaamte), partner, kinderen
    • Tegenslagen, ziekte, ongeval, faillissement
    • Et cetera
    In deze afstudeerscriptie nemen de auteurs de antiautoritaire opvoeding als een factor die een negatief zelfbeeld kan ontwikkelen en plaatsen die te midden van seksueel misbruik en verwaarlozing.


    2010 april
    Tanja Willems
    Ik zie mezelf weer rondlopen, de baas spelen over andere kinderen, elkaar opvoedend, en veel plezier maken op de antiautoritaire kresj in Groningen eind jaren zestig. Het heeft mij gevormd tot wie ik nu ben, en ik realiseer me dat ik daar nog steeds dagelijks mee te maken heb in mijn functioneren in de steeds minder vrije maatschappij. Daar snapt de wereld om me heen soms niks van. Kan me goed voorstellen dat kinderen, die niet goed voor zichzelf opkwamen, gefrustreerd raakten door de dominante kinders.


    2010 april
    Joske Janszen (van het internet?)
    Wij hebben de eerste kresj opgericht in 1965 in Wageningen met zodanige openingstijden dat vrouwen echt konden werken! Door ouders voor hun eigen kinderen opgericht en met betaalde leidsters in dienst. Dit proces staat uitvoerig beschreven in de studie van Dr. Lily van Rijswijk-Clerkx: Moeders, kinderen en kinderopvang. Hierin wordt ons initiatief zeer uitvoerig besproken en worden wij "Voorlopers van de tweede feministische golf" genoemd. Wij waren twee Amsterdamse vrouwen die elkaar kenden van het Montessorilyceum en uit de Studentensociëteit, Olofspoort. Vanwege de benoeming van onze mannen kwamen we in Wageningen te wonen.
    Het feminisme is officieel begonnen in 1968 met de oprichting van M.V.M. Ik was een van de medeoprichters, (Joke Kool Smit, Hedy d'Ancona) en in 1970 werd Dolle Mina opgericht. Er is een film over de Wageningse kresj (=kinderspeelzaal) gemaakt door Caroline Euwe rond 1970. Ener is literatuur, artikelen uit die tijd in kranten, damesbladen, kleuterwereld, ouders van nu. etc. Als echte "voorlopers" gaven wij veel voorlichting. Gaarne tot toelichting bereid. Joske Janszen


    2010 augustus
    Antoine Verbij (Berlijn) in Trouw over: Opvoeden in Europa: Duitsland
    Op kleine afstand kunnen de ideeën over opvoeding soms radicaal verschillen. Deel 4 van een serie over opvoeden in Europa: Duitsland. Daar debatteren opvoedkundigen fel over het thema discipline.
    Op orde en tucht rust een stevig taboe.
    Op een paar scholen is het weer ingevoerd. Het begroetingsritueel. Opstaan, handen op de rug, borst naar voren, en dan in koor: "Goedemorgen meneer de leraar" De een noemt het een terugkeer naar de nazitijd, de ander ziet het als een uitweg uit de opvoedingscrisis. Want dat in Duitsland opvoeders het spoor bijster zijn, daar lijkt iedereen het over eens.
    Ouders, leerkrachten, pedagogen, ze weten niet meer hoe het moet: opvoeden. En zo kan het gebeuren dat in die algehele onzekerheid een boek met het simpels denkbare recept een bestseller wordt, omarmd door overspannen ouders, overwerkte leraren en overvraagde opvoedkundigen. "Lof der discipline" heet het boek, geschreven door Bernhard Bueb.
    Bueb was jarenlang hoofd van het elite-internaat Slot Salem bij het Zuid-Duitse Bodenmeer. Met zijn provocerende traktaat wil hij opvoeders helpen kinderen grenzen te stellen, richting te geven en gezag in te boezemen. "Opvoeders zijn opgelucht dat er eindelijk eens iemand zegt dat opvoeden niet zonder discipline kan", licht Bueb zijn visie in een interview toe.
    Niet alleen opvoeders zijn enthousiast. Ook conservatieve politici. In een nota over gezinspolitiek bejubelen christendemocratische partijideologen het manifest van Bueb, zelf een hartstochtelijke katholiek. "Beleefdheid, vlijt en discipline", schrijven de CDU-politici, "zijn de sleutels naar een duurzame inperking van het geweld onder jongeren."
    Buebs boek, inmiddels al een paar jaar oud, roept onverminderd felle reacties op. Vooral van professionele zijde klinkt scherpe kritiek. "Een typisch Duitse reactie", vindt Christa Schäfer, een opvoedkundige die met beide benen in de Berlijnse onderwijspraktijk staat. "Maar de roep om discipline gaat voorbij aan de werkelijke problemen op de scholen."
    Schäfer hekelt uitdrukkingen als 'gebrek aan discipline' en 'gedragsstoornissen'. "De eerste term legt de schuld eenzijdig bij de leraren en de tweede bij de leerlingen. Ik spreek liever van 'verstoring van de lessituatie'. Daarmee richt je de aandacht op de structuur van het geheel. Dan dienen zich ook andere mogelijkheden aan om de problemen op te lossen."
    Een van Schäfers oplossingen is de 'klassenraad'. "Kai schreeuwt door de klas dat Mohamed zijn pen heeft afgepakt. Je kunt Kai straffen door hem apart te zetten. Maar je kunt het Kai en Mohamed ook voor de klas laten uitpraten. Want het gaat natuurlijk niet om die pen. Het gaat om communicatie. Door er met de hele klas over te praten, steekt iedereen er wat van op."
    Andere critici van Bueb zoeken de oorzaak van de opvoedkundige malaise dieper. Zij wijzen op het pedagogische klimaat in Duitsland. "De liefde voor kinderen is teloorgegaan", zegt de gerenommeerde gezinstherapeut Wolfgang Bermann. "Eigenlijk kunnen kinderen ons niets schelen. Ze verstoren onze zelfontplooiing, onze ambities en onze alledaagse rituelen."
    Het gezin is een geïsoleerd en kwetsbaar systeem geworden, meent Bergmann. Ouders projecteren hun verlangen naar vastigheid op het kind. Ze verwachten van het kind dat het uitstraalt wat een fijn gezinnetje ze vormen. "let maar eens in een restaurant op jonge ouders met een kind. Ze zijn voortdurend met het kind bezig en kijken elkaar geen moment aan."
    Kinderen bezwijken onder de druk die ouders in hun vertwijfeling op hen uitoefenen. Daar komen de gedragsstoornissen vandaan. "En dan rennen de ouders naar de therapeut en vragen hem of het agressieve gedrag van hun kind en de slechte cijfers die het op school haalt, misschien iets met diens hoge begaafdheid te maken hebben."
    Die onzekerheid van ouders en hun onvermogen hun kinderen met geduld en liefde tegemoet te treden leidt volgens Bergmann tot het verlangen naar discipline, controle en straf. Daarin worden ze gesterkt door het razend populaire televisieprogramma 'Super Nanny', waarin pedagoge Kaharine Saalfrank ouders uitlegt dat straf en repressie nuttige middelen zijn.
    Voor Bueb en Saalfrank is het duidelijk waar de problemen vandaan komen: van de generatie van de jaren zestig met haar ideeën over vrije opvoeding en haar afkeer van regelmaat en orde. Een 17-jarige leerling van Buebs internaat vertelt in de Frankfurter Allgemeine Zeitung wat een verademing de straffe discipline was na de chaos van zijn libertaire opvoeding.
    "In Salem was alles anders, ineens waren er vaste tijden voor eten, werken en slapen en voor de ochtendmars rond de slotmuur. De discipline van Salem vormt het karakter. Moed, verantwoordelijkheid en waarheidsliefde heet de Trias van deugden van Salem. Ik heb ze verinnerlijkt", schrijft een scholier en voegt eraan toe: "Zo'n ethos heeft Duitsland nodig."
    Allemaal onzin, meent Bergmann, die zelf tot de protestgeneratie van destijds behoort. De jaren zestig waren nodig om met de Duitse nationale tradities te breken die Bueb nu weer wil terughalen. Bovendien, argumenteert Bergmann, komen de ergste probleemkinderen niet uit links-liberale milieus, maar juist uit milieus waar discipline en onderdrukking traditie zijn.
    Daar weet Christa Schäfer over mee te praten. Tot haar werkterrein behoren ook de scholen in Berlijnse probleemwijken als Neukölln en Wedding. Daar is vaak tachtig procent van de leerlingen van buitenlandse afkomst. Ligt het op dat soort scholen dan niet voor de hand om een strenge discipline te handhaven? Die kennen de leerlingen immers al van thuis.
    "Discipline", zegt Schäfer, "levert in zulke gevallen alleen voordeel op voor de leraren. Die hebben eindelijk hun rust en zijn van het gedonder af.
    Maar op de leerlingen heeft het alleen maar een tijdelijk effect. Ze zullen steeds op zoek gaan naar wegen om onder de druk van de discipline uit te komen - op het schoolplein, op weg naar huis, bij zwakke leraren."
    Schäfer benadrukt het keer op keer: "Discipline hoort thuis in een autoritaire samenleving." In haar werk draait alles om 'ontmoeting, gesprek en communicatie' en dat zijn 'de waarden van een democratische samenleving'. "De roep om discipline", stelt de kordate conflictpedagoge, "werpt ons terug in het verleden en blokkeert elke vernieuwing van onderwijs en opvoeding."
    Buebs pleidooi voor discipline heeft een gevoelige snaar geraakt. Op discipline blijkt in Duitsland een stevig taboe te rusten. Buebs pleidooi herinnert aan alle kwalijke deugden die tot het nationaalsocialisme hebben geleid. In de jaren vijftig stelde de filosoof Theodor W. Adorno de kwestie al aan de orde: 'Opvoeden na Auschwitz', hoe moet dat? De Duitsers zijn er nog steeds niet uit.


    2010 november
    Micha de Winter TROUW, zaterdag 6 november 2010
    Een kind goed opvoeden helpt, een beetje

    Het is niet meer hip om te denken dat de wereld beter wordt als we onze kinderen goed opvoeden. Maar ze niet goed opvoeden werkt in elk geval niet.
    Er is een duidelijke relatie tussen opvoeding en de manier waarop het er in de wereld aan toe gaat. Die relatie werkt twee kanten op: als kinderen vanaf hun jeugd meekrijgen dat het goed en normaal is om er bij het minste of geringste op los te slaan, dan zullen ze als volwassenen hoogstwaarschijnlijk niet erg gediend zijn van het poldermodel. En wie opgroeit in een samenleving of buurt waarin het recht van de sterkste heerst, loop een flinke kans om van zijn ouders te leren dat praten weinig helpt.

    Beroemde filosofen en pedagogen als Immanuel Kant, John Dewey, Maria Montessori en Paolo Freire legden een direct verband tussen de sociale en politieke misstanden uit hun tijd en de manier waarop kinderen werden grootgebracht. Aan die analyse ontleenden ze de ambitie om met behulp van pedagogische hervormingen de wereld te verbeteren. Dat is, toegegeven, niet altijd helemaal gelukt, hoewel er natuurlijk ook wel successen zijn te melden. Zo heeft het onderwijs in de westerse wereld onmiskenbaar bijgedragen aan de emancipatie van meisjes en vrouwen, en hebben wetenschappelijke inzichten over de kinderlijke ontwikkeling een belangrijke rol gespeeld bij het tot stand komen van internationale verdragen over kinderrechten.

    Volgens sommigen echter kunnen pedagogische ideaalbeelden ook levensgevaarlijk zijn: dictators zijn er dol op en misbruiken opvoeding en onderwijs maar al te graag als regelrecht instrument voor indoctrinatie.
    Maar of we daarom elk pedagogisch vergezicht maar moeten vergeten….?

    Om allerlei redenen is het tegenwoordig in elk geval niet meer hip om opvoeding en 'de toestand in de wereld' met elkaar in verband te zien. We geloven niet meer zo in maakbaarheid, en als iemand het in zijn hoofd haalt om opvoeding te willen inzetten om maatschappelijke doelen te bereiken, dan wordt er al gauw het stempel van naïviteit of staatsopvoeding op geplakt.
    Bovendien draait alles om individuele kansen en ontwikkeling. In de neoliberale cultuur is opvoeding vooral een persoonlijk project geworden. Ouders voelen zich verantwoordelijk om hun project te laten slagen. Ze ervaren dat vaak als een loden last die nog leuk moet zijn ook.
    Doe vooral geen beroep op anderen in je omgeving, dat verstoort de illusie van succes en bovendien weten zij het altijd beter! Bemoei je op jouw beurt ook niet met de opvoeding van anderen, of erger nog, met het gedrag van kinderen of jongeren op straat. Voordat je het weet heb je een steen door je ruit of de Rijdende Rechter op je stoep.

    Daarentegen is het beroep op pedagogische experts de afgelopen decennia explosief gegroeid. Die experts hebben zich meer geprofileerd als specialisten in gedragsregulering. Ze adviseren ouders vooral consequent te zijn, goed gedrag te belonen en verkeerd gedrag te negeren. Opvoeding lijkt een soort gedragstherapie te zijn geworden.

    Veel ouders maar ook docenten, politici en tv-programmamakers lijken te denken dat de opvoeding is geslaagd als zich geen serieuze problemen hebben voorgedaan. Vandaar ook dat er de afgelopen jaren heel veel is geïnvesteerd in jeugdbeleid dat alle mogelijke risico's in de ontwikkeling van kinderen vroegtijdig moet signaleren, zodat bijsturing mogelijk wordt.

    Iedereen zal het erover eens zijn dat opgroeien zonder al te grote problemen een zegen is, voor ouders, voor kinderen en voor de samenleving als geheel. Maar is opvoeding een succes als het kind geen crimineel wordt? Of niet ten prooi valt aan loverboys of breezerseks?
    In opvoeding, onderwijs en jeugdbeleid zou het om veel meer moeten gaan. Bijvoorbeeld om het leren begrijpen en internaliseren van democratisch burgerschap, humaniteit en vrijheid. Wat betekent het om te leven in een democratische samenleving waarin je recht hebt op een eigen identiteit, maar waarin je ook anderen dan datzelfde recht moet gunnen? Hoe bied je weerstand aan het verleidelijke zij-zij-denken, dat enerzijds een veilig gevoel van verbondenheid geeft, maar anderzijds het risico van dehumaniseren en uitsluiten van de ander met zich meebrengt? Of: hoe geef je gestalte aan vrijheid in je leven? Wat is belangrijk: ongestoord je eigen gang kunnen gaan, of juist samen met anderen vormgeven aan het bestaan, bijvoorbeeld als het gaat om duurzaamheid of sociale rechtvaardigheid?

    Opvoeding en de wetenschappelijke bestudering daarvan hebben wel degelijk een rol als het om dit soort wereldvraagstukken gaat. Daarmee druist het in tegen de vaak impliciete opvattingen van de meeste pedagogen, psychologen en onderwijskundigen dat zulke kwesties zich niet lenen voor wetenschappelijk onderzoek. Mij lijkt dat de omgekeerde wereld: als de gevestigde methoden zich niet lenen voor het bestuderen van urgente vraagstukken, dan moet je niet de vraagstukken verdonkeremanen, maar op zoek gaan naar nieuwe methoden.

    Natuurlijk kan de pedagogiek geen wereldproblemen oplossen, maar iedereen die zich met opvoeding, onderwijs en jeugdbeleid bezighoudt, zou wat mij betreft flink wat ambitieuzer mogen worden als het om sociale, maatschappelijke en globale doelen van opvoeding gaat.
    De manier waarop kinderen worden grootgebracht maakt immers groot verschil. Niet alleen voor hun leven hier en nu en de rest van hun bestaan, maar ook voor de manier waarop mensen dagelijks met elkaar samenleven in allerlei sociale verbanden, voor de mate waarin ze bereid zijn actief te participeren in de politieke gemeenschap en uiteindelijk ook voor hun betrokkenheid bij het leven en de problemen van mensen elders in de wereld.


    2010 november
    Sarah Blaffer in Trouw, woensdag 17 november 2010
    Geïnterviewd door Iris Pronk

    'Slim, maar niet meer menselijk'

    Over 10.000 jaar is de mens slim, maar niet langer aardig of empathisch. Dat komt door de individualistische opvoeding die kinderen nu krijgen. Zegt de Amerikaanse antropologe Sarah Blaffer Hrdy in een interview van Iris Pronk
    Mensenkinderen gaan al tienduizenden jaren van hand tot hand. Anders dan chimpanseemoeders, delen mensenmoeders hun nieuwe kroost ruimhartig. Mensenmoeders hebben namelijk heel veel hulp nodig. Hun kinderen groeien buitengewoon langzaam op en hebben tot hun volwassenheid zo'n tien tot dertien miljoen calorieën nodig, die ze niet zelf kunnen bemachtigen. Een belangrijk deel van die catering verzorgt hun moeder, die daarvoor in de jagers-verzamelaarscultuur weer hulp krijgt van anderen.
    Dat zijn vaak oudere vrouwen, tantes en oma's, zelf niet meer vruchtbaar. De geheime weldoeners die de mensheid helpen voortbestaan. Baby's die het best in staat zijn om de intenties van de hen omringende volwassenen in te schatten, maakten in de prehistorie de meeste kans om niet te verhongeren. De selectie begunstigde zo empathie en sociale intuïtie. Zo werden mensen steeds socialer wezens.

    In de moderne Westerse samenleving groeien kinderen op in kleine compartimenten, in kerngezinnen, niet langer in dat zorgzame dorp, maar heel individualistisch. Sommigen noemen de kinderen van nu zelfs narcistisch. Ze hoeven zich veel minder in anderen in te leven, omdat ze minder afhankelijk zijn van de zorg van hulpouders. Voor verhongering hoeven we niet bang meer te zijn.

    Op de lange duur wordt de mensheid hierdoor 'asociaal'. Empathie is en dertig jaar afgenomen, een zichtbare recente trend. Dat zegt nog niets op evolutionaire tijdsschaal, maar mijn hypothese is dat de verdwijning van de collectieve broedzorg wel degelijk een effect heeft op de lange termijnontwikkeling van de soort. Over 10.000 jaar zal de mens ongelooflijk slim zijn, maar niet langer menselijk in de zin van 'aardig tegen een ander'.


    2010 november
    Nelleke Noordervliet in TROUW.

    Ouders hebben het altijd gedaan

    Het is duidelijk dat de problemen van sommige kinderen absoluut niet zijn terug te voeren op de ouders. Nog niet zo lang geleden werd bijvoorbeeld autisme geweten aan de kilheid van de moeder.
    Ouders zijn geen op zichzelf staande machines. Ze zijn onderhevig aan invloeden van buitenaf. De wereld om hen heen voedt de kinderen mee op, een wereld die ze niet kunnen controleren en die soms bedreigend is. Crisis, oorlog, natuurrampen, 'sociale media'. Houd in dat geweld het opvoedershoofd maar eens koel.
    "It takes a village to raise a child"
    De hele gemeenschap draagt verantwoordelijkheid voor de opvoeding van een kind. Het welzijn van een hele gemeenschap komt het welzijn van elk individueel kind ten goede. Omgekeerd geldt dus dat de staat waarin een gemeenschap verkeert van invloed is op een kind. Is die gemeenschap in verval en ontbinding, hangt de gemeenschap van conflicten en jachtigheid aan elkaar, dan kan een ouder doen wat hij wil: het is dweilen met de kraan open.
    In hoeverre ouders in staat zijn de externe factoren te dempen, bepaalt mede het succes van de opvoeding.
    In het tempo en de manier van leven is de laatste decennia veel veranderd. Er is sprake van een onvoorstelbare, niet bij te benen acceleratie. Afbraak van gezagsstructuren en het bekritiseren van autoriteit zijn normaal. Daar zitten goede kanten aan, maar dat heeft ook nadelige gevolgen. Dat kinderen rust en regelmaat nodig hebben, en behoefte aan het stellen van grenzen, is bekend. Maar hoe die grenzen te stellen in een grenzenloze wereld zonder gezag? Hoe rust en regelmaat aan je kinderen te geven als je in je eigen leven en in je eigen hoofd geen rust en regelmaat kent?


    Uitgegeven in 2010
    boek van Dick Swaab, WIJ ZIJN ONS BREIN



    Uitgegeven in 2011
    boek van Micha de Winter, VERBETER DE WERELD, BEGIN BIJ DE OPVOEDING


    Woensdag 23 maart 2011 TROUW Micha de Winter, DE OUDERS BLIJVEN VERANTWOORDELIJK
    Nederlandse kinderen groeien op tot individuele gelukzoekers. Dat is riskant, vindt hoogleraar pedagogiek Micha de Winter.
    "Zo krijg je een samenleving van egoïsten."
    Ouders moeten hun kroost weer idealen bijbrengen.
    Interview van Iris Pronk met Micha de Winter
    Mijn kind moet gelukkig worden en liefst ook een succes. Als ouder moet ik hem gelukkig maken. En opvoeden dient boven alles leuk en gezellig te zijn.
    Zo vat Micha de Winter, hoogleraar pedagogiek in Utrecht, de tijdgeest samen. Het kind is een individueel project dat wel moet lukken, want anders zijn z'n ouders losers.
    Maar hoe ziet de optelsom van al die projectjes eruit? Wat voor een samenleving vormen individuele gelukzoekers met elkaar? Een schrale en een asociale, vreest De Winter, die zelf twee volwassen kinderen en twee kleinkinderen heeft. Met zijn nieuwe boek wil hij een ander perspectief bieden: verbeter de wereld, begin bij de opvoeding.
    Wereldverbeteraars zijn niet erg hip, erkent de hoogleraar. Moderne ouders associëren opvoeding met de Citotoets en tafelmanieren, niet met de toestand in de wereld. Dat zou De Winter graag anders zien.
    Ik mis de pedagogische vergezichten. Terwijl het ergens over gaat in de opvoeding. ouders moeten veel ambitieuzer zijn.
    U noemt de moderne opvoeding gedragstherapie (IP)
    Ja, ouders moeten consequent zijn, positief gedrag belonen, hun kind niet straffen, maar een time-out geven, elkaar niet tegenspreken waar de kinderen bij zijn. Ze leren orde houden in hun eigen kleine klasje. Tijdens de puppytraining die ik ooit met mijn hondje volgde, leerde ik precies hetzelfde.
    Ik vind dat zinvolle lessen hoor, maar het valt me op dat in handboeken, opvoedprogramma's en cursussen geen spirituele of maatschappelijke doelen meer voorkomen. Dat is het gevolg van de individualisering: het grote verhaal is niet meer zo belangrijk.

    U maakt zich wel zorgen om dat grote verhaal. Waar vreest u voor? (IP)
    Ik wil zelf natuurlijk ook dat mijn kinderen zo gelukkig mogelijke zijn. Maar als je kinderen opvoedt met het idee dat zij het centrum van de wereld zijn, dan gaat het mis. Dan krijg je een samenleving die bestaat uit egoïsten. Een harde samenleving waarin mensen in termen van wij-zij denken. Kinderen moeten op z'n minst erkennen dat anderen ook naar geluk streven.


    Micha de Winter, PLEIDOOI VOOR DE 'VILLAGE'
    TROUW, 23 maart 2011

    Ouders doen nauwelijks meer een beroep op hun omgeving bij de opvoeding van hun kinderen, zegt pedagoog Micha de Winter. Want dat verstoort de illusie van het succes. We hebben het gevoel dat we er alleen voor staan.
    De Winter betreurt dit.
    Kinderen gedijen het best in een rijke, sociale omgeving, met verschillende betekenisvolle volwassenen om zich heen. Zo'n omgeving heet ook wel een village, naar de uitdrukking: It takes a village to raise a child.
    In verschillende publicaties - waaronder een advies van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling - pleit De Winter voor versterking van die village: Het is belangrijk dat ouders de opvoeding meer bespreekbaar maken, niet met professionals, maar met elkaar. Dat maakt het ouderschap lichter en aangenamer en vermindert de opvoedkramp.

    Ouders en andere opvoeders moeten kinderen vooral ook respect voor de democratie bijbrengen, vindt u. Waarom is dat nodig?
    Drie jaar geleden deed de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling een onderzoek. Daaruit bleek dat 25 à 30 procent van de bevolking niet erg hecht aan de democratie. Daar zitten aanhangers van de dictatuur bij, ontevredenen, maar ook hoogopgeleide Yuppen. Democratie is inefficiënt, zeggen die. Democratie is niet vanzelfsprekend, daar moet je voor blijven vechten. Daar moet je in de opvoeding mee beginnen.

    Hoe dan?
    Door de kinderen te leren kritisch na te denken en hun stem te laten horen. Door te laten zien dat verantwoordelijkheden in deze minidemocratie worden gedelegeerd. Ouders blijven verantwoordelijk, zij beslissen uiteindelijk.
    Dus dat is iets anders dan onderhandelingshuishouden, waarin ouders over alles met hun kinderen moeten soebatten.

    U stelt dat de autoritatieve opvoedingsstijl, waarbij ouders hun kinderen begrenzen én ondersteunen, het beste tegenwicht biedt aan antidemocratische tendensen. De meeste Nederlandse ouders voeden hun kinderen toch al zo op?
    Er zijn nog steeds ouders, autochtoon en allochtoon, die hun kinderen autoritair opvoeden. En ook veel hoogopgeleide ouders die het ontzettend moeilijk vinden om grenzen te stellen.
    Dat is voor moderne ouders ook heel ingewikkeld: ze moeten het beste uit hun kindhalen en het tegelijkertijd zo weinig mogelijk in de weg leggen. Ze moeten vooral 'positief ouderschap' laten zien. Dat vind ik ook hoor, ik heb zelf altijd erg van de kinderen genoten. Maar opvoeding is ook wrijving organiseren.

    Heeft u een tip voor ouders?
    Stel jezelf de vraag: wat voor mensen willen we dat onze kinderen worden? Welke idealen willen we aan hen overdragen?


    2011 maart
    Wilma Kieskamp in Trouw

    Heeft de moderne 'knuffelouder' het kind op een te hoog voetstuk gezet?

    Ondanks alle scheidslijnen tussen arm en rijk, hoogopgeleid en laagopgeleid, zijn Nederlanders het over één ding altijd eens gebleven. En dat is de manier waarop kinderen worden opgevoed.
    Kinderen worden grootgebracht volgens alle progressieve idealen van de afgelopen vijftig jaar: ze mogen zichzelf zijn en van jongs af aan hun eigen behoeftes hebben. Het individu van het kind staat voorop, er wordt niets opgelegd.
    Let wel, dit is niet cynisch bedoeld. Nederlandse kinderen horen, volgens onderzoek, tot de gelukkigste van de wereld. Blijkbaar doen al die invoelende ouders het zo slecht nog niet. Het welzijn van de kinderen weerspiegelt niet alleen de enorme materiële welvaart, maar ook de vele aandacht die ze ontvangen.

    Toch heerst er, ondanks al deze tevredenheid, blijkbaar groeiende onzekerheid. Is al dat meevoelen en invoelen echt zo goed voor het kind? Nee, stelt de Chinees-Amerikaanse schrijfster Amy Chua, met haar pamflet "Strijdlied van de Tijgermoeder". De reacties die dat boek wereldwijd losmaakte, ook in deze krant, bewijzen dat haar kritiek een gevoelige snaar raakt.
    Volgens Chua doet de Aziatische opvoeding, van discipline en eisen stellen, kinderen veel meer recht dan het softe gedoe van westerse ouders. Ouders moeten de lat hoog leggen, niet laag houden, vindt ze. Chua maakte het zelf overigens wel erg bont door van haar dochters louter tienen te eisen op school, en alle vrije tijd of vriendschappen te verbieden (muziekstudie was belangrijker).
    Heeft deze tijgermoeder ergens ook een punt? Kinderen zijn, ondanks alle goede bedoelingen, de afgelopen jaren ook op een voetstuk geplaatst. Zij hoeven zich niet meer aan de volwassen wereld aan te kunnen passen, het is andersom. Ouders willen geen eisen stellen, maar verlangen ondertussen wel dat een kind uitblinkt - een zeer dubbele boodschap. Discipline is taboe, wat soms tot hilarische situaties kan leiden in restaurants of op het sportveld. Maar diezelfde discipline is later wel nodig om een studie of baan vol te houden. En hoe leert het kind zichzelf enigszins te relativeren?


    2011 maart
    Frank Furedi, DE TERUGKEER VAN HET GEZAG.
    Over waarom kinderen niets meer leren. Waar gaat het eigenlijk om in het onderwijs? School moet kinderen leren hoe de wereld er uit ziet.


    januari 2014
    Marleen Buwalda Ellen Luteijn in TROUW over haar boek "Zeg Nee!"
    Om gelukkige, autonome kinderen te krijgen is het belangrijk om grenzen te stellen.
    "Moet ik ook grenzen stellen aan het computeren? Dat is het enige wat hij leuk vindt", vragen ouders me soms wanhopig.
    "Ja," is altijd mijn antwoord, "Juist dan".
    Ontwikkelingspsycholoog Ellen Luteijn houdt in haar boek "Zeg Nee!" een pleidooi voor het begrenzen van kinderen. We worden er socialer en doelgerichter van, meent ze.
    "Kinderen moeten 'nee' horen om te leren eigen grenzen te stellen. Voor alle leeftijden is dat steeds moeilijker. Iedereen wil en kan in deze maatschappij 'ja' tegen alles zeggen."

    Het is al op jonge leeftijd te merken als het niet gebeurt. Dan vliegt bij peuterspeelzaal KomPasKijken in Doesburg een bakje fruit door de lucht. Omdat het kind banaan wil in plaats van appel.
    "En als zo'n kindje geen zin heeft om zelf zijn jasje aan te doen, moet je oppassen, want hij kan uit woede die jas zo in gezicht slaan. Ze halen alles uit de kast om hun zin te krijgen."
    Oprichter en leidster van de speelzaal Jantineke Aalders ziet het vaak:
    "Natuurlijk grijpen wa dan in. We halen ze uit de groep omdat ze bijvoorbeeld het voorleesverhaal zitten te verstoren met gekke geluidjes waar ze niet mee ophouden. We zetten ze in een stoeltje met de rug naar de groep. Dan zitten ze daar naar hun knuistjes te kijken, heel aandoenlijk. Na twee minuutjes vragen we of het over is en dan kunnen ze er weer bij komen. Maar soms duurt het lagner en gebeurt het vaker."
    Aalders ziet dat deze kinderen het sociaal moeilijker hebben.

    Korte lontjes
    Het drukke en impulsieve gedrag van kinderen komt volgens haar omdat ouders te weinig het gedrag van hun kinderen begeleiden en begrenzen. Dat gaat direct ten koste van hersenfuncties die belangrijk zijn bij het aansturen en organiseren van sociaal en doelgericht gedrag.
    Deze executieve functies doen meer. Ze ontwikkelen vaardigheden als aandacht en concentratie, onthouden, plannen en organiseren, ordenen, zelfbeheersing en timemanagement. Hoe meer deze aangescherpt worden door discipline, hoe succesvoller iemand zal zijn bij bijvoorbeeld focussen op een hoofddoel, selecteren van grotere hoeveelheiden reclames, bij het opbouwen van relaties en bij het kweken van doorzettingsvermogen. Allemaal uiterst belangrijke verworvenheden in deze tijd, aldus Luteijn.

    Het reguliere onderwijs stuurt kinderen steeds minder bij, in tegenstelling tot het speciale onderwijs waar structuur en regelmaat wel op de kaart staan.
    Luteijn: "Het is wachten tot iets een gedrags- of leerprobleem is geworden, zoals bij de jongeren die aan 'infobesitas' lijden. Die moeten voortdurend berichten checken en hebben geen rem op de enorme hoeveelheid informatie. Ze zijn bang iets te missen en hebben nooit rust. Dat kan leiden tot ernstige vermoeidheid, slaaptekort, minderconcentratie en minder sociaal gedrag. Het is te vergelijken met een alcohol-, gok- of drugsverslaving."
    Aalders merkt dat ouders soms niet weten wat ze moeten doen om hun kind tot de orde te roepen. Zo hoort ze het verhaal van de vader die zijn kind een heel pak koekjes leeg laat eten omdat hij het niet durft af te pakken en ziet een moeder haar kind paaien met snoepjes omdat ze haast heeft en het kind uit z'n verstopplek moet komen.
    "Zo jammer. Daar leren ze niks van. Volgens mij hebben ouders een diepliggende angst voor de driftbui van hun kinderen. Die kan ver gaan hoor. We hebben wel eens een kindje gehad dat zijn zin niet kreeg en zo kwaad werd en zo hard zat te schreeuwen dat hij flauw viel van de het zuurstoftekort. Toch hoort driftig worden gewoon bij de leeftijd van de peuter."
    Ouders kunnen niet vroeg genoeg beginnen, vindt ze. "Anders lopen de kinderen over jouw grenzen heen en dat draai je niet gemakkelijk terug.


    januari 2014
    SPANGENBERG over STRENGER OPVOEDEN

    Jongeren willen strenger opvoeden

    "Nee zeggen is heel lang taboe geweest."
    Sociaal wetenschapper en oprichter van onderzoeksbureau Motivaction Frits Spangenberg ziet het tij keren. Het bureau dat onderzoek doet naar waarden en leefstijlen, ontdekte dat de jongste opvoeders hun kinderen nu strenger willen opvoeden dan ze zelf zijn opgevoed.
    Alleen: hoe moet dat? Zelf moesten ze vooral veel onderhandelen met hun ouders en kregen vaak waar ze zin in hadden. Ze zijn flexibel, grenzeloos en op zichzelf gericht, laten Spangenberg en Lampert zien in de boeken 'De grenzeloze generatie' (2009) en "De grenzeloze generatie en de onstuitbare opmars van de B.V IK (2011).

    Volgens Spangenberg snakt bijna de helft van de jongeren naar duidelijkheid, iets wat ze onvoldoende krijgen. Die groep heeft moeite met de complexiteit van de samenleving en vraagt om veel meer sturing.
    "Het zijn vooral vmbo-jongeren die vragen om structuur, aandacht en schouderklopjes."
    Uit onderzoek van Motivaction blijkt dat Nederlanders vinden dat ouders te weinig grenzen stellen in de opvoeding (volgens 73 procent). Strenger opvoeden is goed voor de toekomst, is de heersende gedachte. Spangenberg wijst op de gevolgen van de vrije opvoeding.
    "Bedrijven en de overheid zijn ingesteld op gezag en plicht. Dat staat haaks op wat de jongeren die de arbeidsmarkt betreden hebben meegekregen. Die hebben vooral van hun ouders gehoord hoe uniek en belangrijk ze zijn. Iets goed onder de knie krijgen is saai. Het werk wordt minder goed gedaan en het productieproces gaat achteruit."
    Gevolg is volgens Spangenberg ook dat burn-out op steeds jongere leeftijd voorkomt. De collectieve onvolwassenheid is ook te merken aan obesitas, alcoholmisbruik, oplopende schulden, schooluitval, en publieke agressie.


    2014
    Sunny Bergman Documentaire over opvoeding en sex in Oeganda
    sunny side of sex



    T. de Vos - van der Hoeven (van het internet)
    Jonge kinderen hebben een enorme drang om de wereld om hun heen te ontdekken. En dat is maar goed ook want zonder die drang zou een kind zich niet goed ontwikkelen. De drang de wereld te ontdekken stimuleert het kind te gaan zitten, kruipen, lopen, praten, sociale contacten aan te gaan et cetera.
    Maar deze behoefte om de wereld om zich heen te ontdekken vraagt van de ouders, naast aanmoediging, ook begeleiding en begrenzing. Voor de veiligheid van het kind, maar ook om het kind de basisregels van de sociale omgang bij te brengen, om normen en waarde aan te leren en om het kind te leren ook rekening te houden met de gevoelens en wensen van anderen. Een kind heeft regels nodig.
    Regels bieden een kind houvast en duidelijkheid en hierdoor ook veiligheid, omdat het kind weet wat er van hem of haar verwacht wordt, maar het kind ook weet wat het van de ouders kan verwachten. En deze duidelijkheid en veiligheid helpen het kind weer om het zelfvertrouwen op te bouwen. Vooral jonge kinderen (en pubers, maar dan praten we weer over geheel andere begrenzing en gelden er toch wat andere regels voor het stellen van grenzen) zoeken graag en veelvuldig de grenzen op. Het is aan de ouders om deze grenzen, ondanks de verwoede pogingen van hun peuter of kleuter de grenzen te verschuiven, te bewaken.
    Ouders die steeds weer grenzen stellen kunnen zeer frustrerend zijn voor een kind en tot een hoop verdriet of woede zorgen. Toch is het zaak om als ouder niet hier aan toe te geven, want ook het omgaan met frustratie is iets wat een kind moet leren. En wanneer de ouders de regels consequent blijven toepassen kan de sfeer in huis na enige tijd ook beter worden omdat er geen strijd of discussie nodig is en de grenzen niet meer opgezocht hoeven te worden, omdat ze toch niet overtreden kunnen worden.
    Grenzen stellen betekent niet alleen dingen verbieden, maar ook aangeven wat wel mag.

    Handvatten bij het stellen van regels.
    Nu kan de frustratie van een kind over de vele regels op een gegeven moment ook terecht zijn. Soms kunnen regels een kind belemmeren in zijn of haar ontwikkeling en dan is de boosheid of het verdriet van het kind terecht. Een aantal handvaten kunnen ouders helpen bepalen op welke manier er regels gesteld kunnen worden die effectief zijn.
    In de eerste plaats moet een regel zinvol zijn. Het kind moet er iets van leren of de regels moeten het kind beschermen voor een gevaarlijke situatie.
    In de tweede plaats moet de regel haalbaar zijn. Een regel stellen die niet haalbaar is frustreert zowel de ouders als het kind.
    En ook moeten er niet te veel regels zijn. Wanneer de ouder enkel de hele dag bezig is met de regels en grenzen te bewaken is dit erg vermoeiend voor de ouder. En een kind wat voortdurend wordt geconfronteerd met regels zal zich steeds minder gaan aantrekken van de regels omdat het gefrustreerd raakt. Op sommige punten moeten de ouders het ook een beetje kunnen laten gaan, zodat er op de belangrijke punten duidelijke regels gesteld kunnen worden, waar het kind zich ook aan zal houden omdat het niet voortdurend geconfronteerd wordt met regels.
    Daarnaast is het ook belangrijk dat regels bij beide ouders het zelfde zijn. Wanneer iets van mama wel mag en van papa niet schept dit verwarring, maar krijgt het kind ook de mogelijkheid met regels te schuiven door enkel de ouder te vragen die toestemming geeft. Daarbij lopen ouders ook het risico tegen elkaar uitgespeeld te worden.
    In de laatste plaats is het ook heel belangrijk dat de regel bij de ontwikkeling van het kind past. De regels moet niet te veel van het kind vragen (zo kan een kind van twee nog niet in zijn eentje al zijn speelgoed weer op ruimen), maar de regels moet het kind ook niet beperken in zijn ontwikkeling (een kind van 9 moet de ruimte en het vertrouwen van de ouders krijgen om alleen naar school te gaan, als dit veilig kan). Bij oudere kinderen kan het ook goed zijn de regels in overleg met het kind vast te stellen. De kans dat het kind meewerkt aan de regels is dan vele malen groter dan wanneer de regels opgelegd worden.
    Maar ook het karakter van het kind is van belang bij het stellen van regels. Het ene kind heeft veel meer duidelijkheid en regels nodig dan het andere kind
    Tot de leeftijd van ongeveer anderhalf heeft het stellen van regels geen zin. Deze jonge kinderen begrijpen regels gewoonweg nog niet. Vanaf anderhalf tot drie jaar kunnen er wel regels gesteld worden, maar is het wel belangrijk om je als ouder te realiseren dat voor deze groep kinderen een regel enkel geld wanneer de persoon die de regel stelt er bij is. Een kind van net twee kan in het bijzijn van de moeder netjes van de kopjes hete thee afblijven, maar zodra moeder wegloopt kan het mis gaan. Dit is geen ondeugendheid of stiekem dingen achter de ouders hun rug doen. Het kind begrijpt echt gewoon nog niet dat de regel net zo goed geldt wanneer de regelsteller er niet bij is. Vanaf de leeftijd van ongeveer drie begint het kind dit wel te beseffen en is het kind in staat om meer zelf de regels te bewaken. Maar pas rond de leeftijd van zes jaar ontwikkeld een kind echt een eigen geweten. Tot die leeftijd houdt een kind zich aan regels omdat dit van hem of haar gevraagd wordt en het kind graag lief gevonden wil worden.

    Hoe bewaak je de grenzen ?
    Het bewaken van grenzen en het handhaven van regels kan soms een moeilijke opgave zijn. Wanneer een kind voortdurend de grenzen probeert te overschrijden en de regels aan zijn laars lapt is een straf toepassen de enige oplossing. Het kind even apart zetten kan dan vaak een goede reactie zijn. Maar over het algemeen is het kind belonen voor gewenst gedrag, dus het respecteren van de regels, een effectievere manier die voor zowel de ouders als het kind veel prettiger is. Het is heel belangrijk om het kind te waarderen en te complimenteren wanneer het zich goed aan de regels houdt, ook al lijkt het heel vanzelfsprekend dat een kind zich aan de regels houdt. Waardering is heel belangrijk. Wanneer een kind zich heel goed aan de regels houdt kunnen bepaalde regels ook wat versoepelt worden. Zo wordt het kind beloont en krijgt het vertrouwen van de ouders. Ook voor een keertje van de regels afwijken kan een beloning zijn voor een kind, bijvoorbeeld een keertje een extra snoepje of later naar bed.
    Bij het toepassen van zowel straf als een beloning is het het beste om een verband te laten zijn tussen de regel en de straf/ beloning. Een kind wat te laat thuis komt kan als straf een week langer vroeger thuis moeten komen, terwijl een kind wat netjes op tijd komt, de volgende keer een half uurtje later mag thuis komen. Door de straf/ beloning wordt de regel nog eens extra duidelijk gemaakt. De straf/ beloning moet dan ook het liefst zo snel mogelijk op de overtreding of het naleven van de regel volgen, zodat ook hierdoor het verband tussen de regel en de straf/ beloning duidelijk is.
    Om grenzen goed te kunnen bewaken is het heel belangrijk dat een ouder consequent is. Wanneer een regel de ene dag geldt en de volgende dag niet zal het kind steeds weer de grens op zoeken om te kijken of de regel mogelijk nog een keer overtreden kan worden.
    Daarnaast is het ook belangrijk om als ouder het goede voorbeeld te geven. Een kind als regel geven dat één snoepje in de middag voldoende is, is voor een kind moeilijk te accepteren wanneer de ouders wel meerdere chocolaatjes en koekjes bij de koffie nemen.
    Bij het stellen van regels is het ook belangrijk dat het kind de regel begrijpt. Het is dan ook belangrijk het kind niet alleen de regels te leren maar ook het waarom van de regel (omdat het onveilig is, omdat je iemand daarmee pijn doet, omdat ik dat vervelend vindt etcetera). En hoe simpel het ook klinkt het is ook belangrijk na te gaan of het kind goed geluisterd heeft bij het stellen van de regel. Een regel die het kind maar half gehoord heeft zal niet nageleefd worden. Soms is het dan ook een goed idee om de regels op papier te zetten zodat het kind niet kan zeggen de regel niet gehoord te hebben of vergeten te zijn. Bij oudere kinderen kunnen de regels gewoon opgeschreven worden en op een duidelijke plek opgehangen worden. Bij jonge kinderen kan het zelfde gedaan worden met behulp van pictogrammen.

    Grenzen zijn noodzakelijk
    Het stellen van grenzen is noodzakelijk in de opvoeding. Zonder grenzen ontwikkelt het kind zich tot een onevenwichtige persoonlijkheid, die niet geleerd heeft rekening te houden met anderen. Zonder grenzen kan een kind zichzelf ook in gevaar brengen.
    Ook al zal het kind het niet altijd zo ervaren, juist in het belang van het kind is het goed grenzen te stellen. In de jaren 70 is er definitief iets veranderd aan de opvoeding, dat wel.

    2014 Onze kresj
    onze kresj (199K)
    Dezelfde Marije Meerman (als in 1995) maakte over hetzelfde item nog een documentaire, nu meer vanuit het gezichtspunt van de ouders van toen, de antiautoritaire opvoeders.
    zie ook:Andere Tijden