AUTEURS:
Wietske Blokker
&
Daan van Alten
Voorwoord
Interviews
Literatuur
Thema's
Opvoeden voor
het algemeen belang
Voorgeschiedenis
De KRESJ
De Tuin der Lusten
De Theorie
Maakbaarheid,
toen en nu
Na de crèche
Terugblikken
Met DANK aan

antiautoritaire opvoeding

INTERVIEWS

In 1995 - ruim twintig jaar na de praktijk dus - hebben we een aantal mensen geïnterviewd die betrokken waren bij de antiautoritaire opvoeding.
Vaak hebben we hun namen veranderd.
  • Ouders en andere volwassenen die betrokken waren bij antiautoritaire crèches in Amsterdam, Nijmegen, Utrecht en Groningen
  • Kinderen van die crèches, inmiddels twintigers.


  • antiautoritaire opvoeders
    antiautoritair opgevoede kinderen

      *)In 2011 hebben we met vier van die kinderen (Bart, Debbie, Alexander en Lenie) opnieuw een gesprek gevoerd over opvoeden en zo. Wat ze toen zeiden hebben we toegevoegd aan hun interview van 1995.









      1995. Diny en George, Groningen

      Er stond in de krant dat er zoiets als een commune of een crèche opgericht zou worden en ik dacht: daar wil ik (Diny) bij zijn. Toen had ik een dochter van anderhalf. We woonden ergens in Groningen en ik studeerde.
      In '68 zijn we in Parijs geweest. Toevallig waren we in Frankrijk op vakantie, toen de studentenopstand uitbrak. Wat een sfeer. We zaten in de universiteit te luisteren en we vonden het spannend.
      Toen zoiets ook gebeurde aan onze universiteit, kon daar niet aan meedoen zoals ik wilde. Want als iedereen 's nachts bleef slapen, moest ik naar huis, naar Lenie.
      Toen Lenie anderhalf was, en ik 23, zei ik tegen George: Ik heb ons ingeschreven voor een commune. Ik wilde meedoen aan die studentenbeweging. Er waren sessies op het platteland, urenlang, over autoriteit, met die goeroe, ik weet niet meer wie dat was. Een echte leider. Maar eenmaal bij die commune dacht ik: nee, hier hoor ik niet bij. Die hele theoretische benadering, dat dogmatische, nee. Dat rationaliseren van alles. Ik was zelf toen nog niet zo ervaren en ik had ook nog niet zo over dingen nagedacht.
      Wel hadden we net een bewustwordingsperiode achter de rug omdat George in dienst was geroepen. Hij kon geen S5 (een vorm van afkeuring voor militaire dienst) regelen, want dan zou hij nooit een baan in het onderwijs krijgen. Op het laatst is hij afgekeurd en er met veel moeite eerder uitgekomen.
      Hij is gaan saboteren en lid geworden van de VVDM. Toen werden we ons ervan bewust hoe idioot er met autoriteit werd omgegaan.

      Ik had nooit nagedacht over hoe je zou kunnen opvoeden. Hoe dan ook, we begonnen een crèche en dat kostte voorbereiding, zoals goedkope tafeltjes kopen en daar de poten vanaf zagen.
      Eén groep benadrukte de theoretische kant. Theoretisch op grond van psychologie en pedagogie, maar ook heftig gekleurd, vond ik, door politiek. Het waren vooral alfa's. Ik vond het prima om de traditionele opvoeding onder een vergrootglas te leggen, maar ik hoefde daar naar mijn idee, geen theorie bij te gebruiken. Dat was maar ballast.
      Ik vond bijvoorbeeld: laat een kind maar zoveel mogelijk zijn eigen gang gaan totdat je op één of andere manier ziet dat er grenzen worden overschreden. Hoe moet je reageren in een bepaalde situatie. Ik denk dat we daar echt naar zochten, dogmatici of niet. Dat was eigenlijk de kracht van de groep. Ja god, het was ons eerste kind. We wilden dat zo goed mogelijk opvoeden. Je had geen ervaring, je vond dat een aantal dingen niet goed waren, maar je had er nog niets voor in de plaats. Je wilde de dingen niet meer doen "omdat het zo hoorde". Er was veel solidariteit. We aten bij elkaar, we hadden lol. Er zaten gekke mensen bij.

      We zijn in de begintijd een keer in Utrecht geweest, bij een kraakpand aan een gracht. We zijn daar eigenlijk alleen maar voor een kennismaking geweest; er is geen samenwerking uit voortgekomen. Voor de rest wisten we van het bestaan van een beweging in Nijmegen, maar daar hadden we geen echte contacten mee.
      We zijn met de hele groep in Orvelte geweest, op zo'n camping, met Pinksteren. Roel van Duin was daarbij. Er ontstond een soort politiek conflict, hoe precies, dat weet ik niet meer. Het bleek dat er twee partijen, stromingen waren. De hedonisten die te veel genoten van het geheel. De anderen waren strenger, ook met de kinderen. Dat ging allemaal met rationaliseren. Weet je wel, als een kind met een snoepje naar buiten gaat, er direct bij zeggen: vergeet niet je tanden te poetsen. Dan dacht ik: die arme kinderen; mogen ze niet gewoon eens een kwaaie ouder tegenover zich hebben? Dat soort dingen. Ik vond dat je best emotie mocht tonen.

      De crèche werd helemaal gerund door ouders, hoewel we even een vaste kracht hadden. We deden het allemaal zelf met een vaste groep ouders. Tien ouderparen ongeveer; allemaal studenten. Veel psychologie. Uit Groningen en omgeving.
      Ze kwamen binnen, ze renden allemaal ergens heen, gingen wat doen. Al het materiaal stond klaar in de kasten. De kinderen konden het zelf eruit pakken. Ze kozen zelf, maar soms hadden ze daar wat hulp bij nodig. Sommige begeleiders wilden bijvoorbeeld zingen of zo. Er was geen programma. Het ging gewoon goed, je had geen problemen, je kende die kinderen goed, je knuffelde ze, geen punt, behalve als er ouders bij waren die je echt helemaal niet mocht. De poepluier van een kind van wie je de ouders niet mocht… bah! Op de één of andere manier zit dat heel diep bij mensen. Dat waren eigenlijk de grootste problemen. Dat moet ik bij mezelf met enige schaamte vaststellen.
      Er waren mensen die moeite met afspraken hadden. Zo'n crèche gerund door de ouders was kwetsbaar, want ja, je moest naar college. Als je je kind dus afgaf, dan ging je er van uit dat er die dag iemand was. En als er dan ouders niet waren - die hadden zich verslapen of zo - dan was dat behoorlijk balen. Soms kwamen ze dan bij ons, want wij woonden vlakbij de bushalte. De kinderen gingen met de bus of met de auto naar de verzamelplaats op de Grote Markt. In een eend werden soms tien kinderen gestopt.

      De crèche was van 9 tot 12 open, alle ochtenden. Er werd niet met ze geluncht. Hele kleintjes waren er niet. Later hadden we twee leeftijdsgroepen tegelijkertijd in het gebouw en ook een kleuterschooltje. We hadden een heel mooi gebouw, een of ander huis, hoe we er aankwamen mag Joost weten. 't Was buiten de stad Groningen en niet van de universiteit. 't Was geloof ik een brugwachtershuis. We hadden het niet gekraakt. De gemeente had daar een industrieterrein gepland en dat huis zou op een gegeven moment gesloopt gaan worden. Toen hebben we 't van de gemeente gehuurd. De ouders betaalden een bijdrage.
      Het huis had een voortuin en een bruggetje, stond niet aan het water. Achter het huis zat ergens een boer en van die boer hadden we een stuk weiland gepacht, de speelwei. Daar hadden we een zandbak, een oude auto enz.. Daar konden die kinderen in spelen. We wandelden ook veel met ze. We hadden één groepje voor en één groepje achter, met de suitedeuren dicht. Aan de achterkant zat onze zogenaamde kleuterschool.
      Verder waren er geen buren. De kinderen liepen 's zomers in hun blootje als ze dat wilden. De één vond dat leuker dan de ander. Ze waren niet allemaal zindelijk. Over zindelijkheidstraining was niets afgesproken. Ik denk wel dat we daar bewust niets aan deden, maar dat weet ik niet meer. Wel dat we veel poepluiers moesten verschonen.

      We vonden het belangrijk dat de kinderen veel met elkaar uitvochten en grepen niet gauw in, maar soms toch wel. Er was een labiel evenwicht op dat punt. Er was discussie over dat het slecht voor kinderen was om alles gewoon goed te vinden. Uit onderzoek was gebleken dat, als je kinderen helemaal vrij laat, worden ze meelopers, staan ze open voor manipulatie. In Orvelte hebben we dat uitvoerig besproken, met een film waarin drie soorten opvoeding werden getoond. Die ging over de kleuterschooltijd. Ze vonden alles wat de juf zei, goed. Ze waren absoluut niet kritisch. Ze bereikten dus het tegenovergestelde van wat ze wilden. Kinderen die echt alles mochten en helemaal geen autoriteit meer herkenden. Daar waren ze in Duitsland van geschrokken. Die kinderen deden gewoon alles wat een autoritair iemand zei. Ze werden manipuleerbare, volgzame kinderen.
      Wij vonden dat de kinderen, daar waar het kon, moesten doen wat ze wilden. Natuurlijk mochten ze elkaar niet beschadigen, geestelijk of lichamelijk, dat waren grenzen, maar ze moesten wel in aanraking komen met autoriteit. Wij werden dus wel boos, maar er zat geen straf op. Wel laten merken: dit vind ik niet goed; en je ziet maar wat je daarmee doet.
      Straf was ook niet nodig, de kinderen losten het weer op. Ze vonden het erg om kwaad op elkaar te zijn. Ze waren gek op elkaar, de oudere kinderen vooral.

      Lenie speelde toen veel met het kind van Maria, met Judith. Lenie was wat angstig, had daarvan te lijden, werd altijd weggeduwd en Judith niet. Daar hadden we vergaderingen over: moeten we nu ingrijpen of niet. Ik heb toen elke keer gezegd: "Ze komt elke dag nog zo vrolijk terug, ze heeft er nog geen last van. Grijp nog maar niet in, want ze moet proberen daar zelf iets op te vinden." Maar het was op een gegeven moment wel zo dat ik dacht: Nou duurt het niet lang meer of ik ga ingrijpen. Slaan, wegduwen, dingen afpakken, dat soort dingen, daar ging het om.
      Op een gegeven moment duwde Judith Lenie weg en Lenie duwde haar terug. Vanaf dat moment was ze niet meer bang. Door niet in te grijpen heb ik haar de kans gegeven het zelf op te lossen. Mijn tweede dochter is heel anders. Veel kwetsbaarder, en anders opgevoed.

      Sinterklaas werd beschouwd als bedrog. Lenie hebben we nooit laten geloven in Sinterklaas. Haar zusje wel. Maar we waren wel enorme Sinterklaasvierders, dus hoe we dat precies deden…. Ik was niet tegen Sinterklaas, maar wel tegen bangmakerij.
      We hadden zo'n zangboek met liedjes, van Berend en Botje. Maar sommige liedjes veranderden we. Die vonden we zo onterecht of strafachtig, die veranderden we dan. Jip en Janneke was ook niet in. Soms zaten ze allemaal onder de vingerverf. Ging ik met Lenie naar de supermarkt, zat iedereen ons aan te kijken omdat zij onder de verf zat. En dan vond ik dat ik me daar niks van aan moest trekken.

      We behoorden niet echt tot een politieke groepering, maar zaten in de hoek van de PSP en zo. We lazen boeken, Benjamin, niet Freud, maar die andere, Reich, Marcuse. Summerhill, daar waren we helemaal weg van. Summerhill vonden we fantastisch. Wat die man deed en dat hij zoveel geduld opbracht met kinderen. Dat hij die gewoon hun gang liet gaan in het vertrouwen dat het uiteindelijk goed zou komen. En het kwam ook goed. Kinderen die er jarenlang niets van bakten, dat die op een gegeven moment verantwoordelijkheid namen. Dat vond ik heel indrukwekkend. Dat je die moed had.

      We bespraken 'de week', de voorvallen en de kinderen. Schreuder, was psycholoog, Hans ook. Fons weer helemaal niet. Onze echte theorieën staan in deze stukken hier. Vaak was dat hersenslijperij, van: wat vinden we wel goed en wat niet, en waarom is dit nou goed voor een kind? We hebben 't een keer over het soort speelgoed gehad. Dat het van hout moest. Op plastic lag een zwaar taboe. Dat was niet goed. We hadden zelfs een gastspreker uitgenodigd. Veel opgeblazenheid, eerlijk waar.
      We vonden het leuk om alles door te spreken en dat eisten we ook van elkaar, maar het was voor elke ouder erg zwaar om dingen over z'n eigen kind te horen. Als een kind vervelend gedrag had, dan werd dat besproken. Daar zijn we wel voorzichtiger in geworden, omdat we zagen hoe je iemand toch kwetst.
      Eén moeder vond haar kind altijd zo geniaal, daar keek ze heel erg tegenop. Dat kind had zo af en toe wel een beetje lastig gedrag, onaardig naar andere kinderen toe; in onze ogen dan. Daar moest je dus in de groep over praten en dat was ingewikkeld, moeilijk.
      Soms waren wij het ergens niet mee eens. Dan liep ik er dagen over te denken en daarna kwam ik met een verhaal. Daarin stonden termen als: "vrije ontplooiing van het kind, kind dat autonoom zijn eigen situatie kan beoordelen en rekening houdt met anderen, met anderen kan samenwerken, geen prestatiedwang."
      Rachel vroeg laatst: staan jullie nog steeds achter je principes. Toch wel, alleen wat minder strijdbaar. Rachel ziet die antiautoritaire opvoeding als een jeugdzonde en dat gevoel heb ik niet. Natuurlijk, nu denk je: god, dat we daar zo lang over praatten. Ik weet nog: vrijen waar de kinderen bij zijn. Er kwam iemand uit Amsterdam en die deed dat, enige mensen. Ze kwamen hier wonen en hadden een heel nieuwe invloed vanuit de Amsterdamse crèche.

      We hebben eens een lezing gehouden met film, en wel in het hol van de leeuw, namelijk de kleuterjuffenopleiding in Groningen. We zouden al die meiden daar eens vertellen hoe wij dat deden. Ze vonden het raar, maar wij hadden een soort roeping. We vonden dat we de boodschap moesten overbrengen. Zij hadden bijvoorbeeld geleerd dat kinderen niet langer dan tien minuten konden spelen. En dan lieten wij zien dat kinderen twee, drie uur bezig konden zijn met autootjes. Ze zeiden: dit kan niet. Wij zeiden: maar het gebeurt wel.
      Er is een stageplaats geweest van een opleiding. Toen kwamen er meisjes veertien dagen meelopen, met stopwatches, weet ik veel. Ze zeiden dan: doe maar net of we er niet zijn. Dat hadden ze geleerd op hun opleiding. Dan zeiden die kinderen: 't Is vast weer een stagiaire he? Dan waren wij trots op die kinderen. Ze speelden gewoon door en trokken zich niets van die mensen aan.
      Je kreeg altijd vragen als: wat doe je als kinderen elkaar met scharen aanvliegen? Vervelende discussies over ons beleid dat kinderen gereedschap mochten gebruiken. Ik zie al die jonge meiden daar nog zitten. Ze vonden ons heel raar, met die lange haren. En dan zaten er van die trutten bij die daar waarschijnlijk les gaven. Die keken vals naar ons, de concurrenten die hun theorie ondermijnden.

      Hoe het met de crèche afgelopen is, weet ik niet meer. Na ons is er nog een groep doorgegaan. Dat waren leuke mensen, vond ik. Haast allemaal ongehuwde moeders, een hele groep opeens, bijstandsmoeders. Opeens kwamen er ook drugstoestanden.
      Voor de kleuterschool hebben we geprobeerd subsidie te krijgen, maar dat lukte niet. Je moest aan bepaalde eisen voldoen, zoals kleine toiletjes en zo. Naderhand zijn we naar de kleuterschool gestapt en gaan overleggen. We vonden een juffrouw die erg voor onze ideeën was, Anneke. Kijk hier staat het salaris van Anneke in. Toen zijn we als het ware binnen een school in Groningen een school met alle kinderen begonnen.
      Wel was er een soort probleem. Veel van de kinderen van ons woonden buiten de stad, dus was er tussen-de-middag-opvang nodig. Daar hoefde de school niet voor te zorgen; dat moesten wij min of meer zelf regelen. Eén van de ouders paste elke middag op en dat liep goed. Het beïnvloedde ook de sfeer van die school. Het gaf eigenlijk een beetje schwung aan die school.

      De kinderen kwamen ook bij ons thuis met vriendjes, spelen, blijven slapen, alles. Maar we waren geen commune en gingen niet samen op vakantie. Toen de ouders hun tweede kind kregen, maakten we een soort huis-aan-huis-crèche. Iedereen ging werken, onze leefwijze veranderde.
      Lenie ging gewoon naar de lagere school in het dorp. Daar mochten we niet meepraten. Nou zeg! Voor ons was dat wennen, voor haar niet. Ik weet nog de eerste ouderavond dat we binnen kwamen. Dan zaten daar de mannen en daar de vrouwen. Wij gingen naast elkaar zitten. Dat was de eerste dorpsrevolutie. Ook vonden we dat er leesmoeders moesten komen. Wat een bedreiging voelden ze van die vreemden. Toch vonden we dat onze kinderen nu in een gemeenschap verder moesten groeien, met alle voor- en nadelen.

      Dat anderen hun kind op de Vrije School deden, was voor Lenie een ingrijpende verandering, want die was haar groepje kwijt, behalve één vriendje, . Maar ze schoof er naadloos in. Ze was heel zelfstandig, iemand die zich goed in wisselende situaties op de been kon houden en kritisch naar de omgeving keek, maatschappijkritisch ook.
      In Groningen ging Lenie eerst naar het gymnasium en later naar het atheneum. Ze was niet echt geïnteresseerd en het ging niet goed. Toch heeft ze haar diploma gehaald. Ze studeerde een poosje Frans en vervolgens Communicatie. Ze heeft wat hap-snapkarweitjes gedaan, echt werk nog niet.
      We hebben haar geïndoctrineerd, maar dat ging niet zonder conflicten. Op een gegeven ogenblik had Lenie een vriendje en toch bleef ze hier in huis. Schertsenderwijs zei ik (George) dan: "Ik heb een soort echtpaar op zolder wonen." Ik vond: Na de middelbare school moet een kind op eigen kamers gaan wonen. Maar Diny vond het wel gezellig.
      Dat was wel even anders toen wij zelf opgroeiden.

      Anders dan sommigen, spraken wij niet zo met onze kinderen over politiek. Wij waren niet van die uitleggers. Anderen zaten in de PSP, waren communist, allemaal hadden we kritiek op de Westerse maatschappij. We moesten een andere maatschappij kweken. Daarvoor moest je beginnen bij de jeugd. Dat was het idee erachter.
      Bij Summerhill ging het vooral om geweldloosheid, wij wilden een eerlijker verdeelde maatschappij. We waren niet uit op carrière maken, ambitieloos, zo van: ik leef en we zien wel hoe het verder gaat. Er was eens een leuk gesprek waar we flinke herrie over hadden. De vader van Jasper zei: "Het kan me niet schelen wat mijn kind later wordt, als hij maar gelukkig wordt. Hij mag best timmerman worden." Ik zei: "Man, dat kan je nu zo makkelijk zeggen, maar reken maar dat je dat niet leuk vindt." Zelf hoopten we stiekem dat Lenie dokter zou worden.
      We hechtten niet aan carrière, maar konden toch niet zo gemakkelijk zeggen: hij mag best timmerman worden. Competitie en concurrentie waren vies. Je mocht best beter zijn, maar dat gaf je geen extra macht of recht op inkomen of zo.

      Vroeger kwam je in de schoolleiding, puur omdat je er het langste was. Vervolgens kreeg je dan meer salaris en meer status. Dat zijn dingen die mij (George) volkomen vreemd zijn. Ik vind dat je er in moet komen omdat je het leuk werk vindt en dat heeft met deze beweging te maken. Het gaat om intrinsieke motivatie. Daar zit natuurlijk ook prestatie achter. Je gaat niet voor niks zestig uur per week werken. Maar het is niet meer zo dat je iets gaat doen om meer status.
      De status. Daar zetten wij ons tegen af en ambitie deugde ook eigenlijk niet. Er is een tijd geweest dat ik er zelfs moeite mee had om tegen mensen te zeggen dat ik een schoolleider was.
      In die tijd kon je je dat ook permitteren. Maatschappelijk gezien zag het er goed uit voor de komende jaren. Je hoefde dus onderling geen competitie te voeren, want iedereen zou wel gelukkig worden en welvaart krijgen. Waarom zouden we daarom knokken met elkaar? Ook al had je een leidende positie, je had kritiek en je deed niet aan ambitie.
      Aan de andere kant had je in die positie wel verantwoordelijkheid voor het beleid. De vraag is of mensen van onze generatie moeite hadden met het nemen van verantwoordelijkheid in het algemeen. Een bepaald soort kritiek mocht je niet op elkaar hebben. Maar ondertussen werd je heftig in de gaten gehouden. Je mocht bijvoorbeeld geen kritiek hebben op het feit dat iemand te laat kwam, dat was kinderachtig. Maar als iemand boos was op een kind, werd dat een kwestie.

      Ik zei eens dat ik het leuk vond om naar mooie mensen te kijken. Net in Frankrijk geweest en naar vrouwen gekeken als naar beelden. Nou, nou, nou. Dat mocht niet want uiterlijk was niet belangrijk. En dat terwijl ik als kind veel last heb gehad van hypocrisie.

      Ik ben volgens mij behoorlijk veranderd door die crèche. Ik heb een proces doorgemaakt, nadenken over rollenpatroon, over maatschappelijke en politieke opvattingen. Voor die tijd was ik een burgerlijk mannetje. Ik liep ook altijd in keurige pakken rond en zo, en vond dat veel dingen zo hoorden. Ik kwam uit een benepen milieu, dat erg op uiterlijk was; het ging om de indruk die naar buiten gemaakt werd. Toen we trouwden, zat daar nog weinig beweging in; dat kwam pas toen we een eigen kind hadden gemaakt en voor de keuze stonden: hoe doen we dat nou? Veel dingen van mezelf heb ik toen overboord gezet.
      Ik kwam in het alternatieve circuit terecht. Dat vond ik eerst eng en bedreigend; ik dacht straks gooien ze me eruit als ze erachter komen wie ik ben. Ik kom uit een katholiek gezin en mijn ouders hadden een textielwinkel in een vrij kleine plaats. Je hoorde je netjes te gedragen, want je mocht het bedrijf geen schade berokkenen. Daar kon ik m'n nieuwe ideeën niet uitleggen en zo kwam ik er los van. Mijn vader is vroeg overleden; die kon niet meer reageren. Mijn moeder was mild in, deed nooit afwijzend.
      We kijken nu heel anders tegen opvoeding aan. Het belangrijkste is hoe je zelf met zo'n kind omgaat, hoe consistent je zelf bent. De leefomgeving is even belangrijk. Kinderen werden hier in het dorp overal geaccepteerd, konden overal naar binnen. Nou ja, overal, er waren ook mensen die wat moeite hadden met onze komst. Maar ze hadden veel contact met andere ouderen. We aten veel bij elkaar, we hadden feesten. Verder merk je ook dat er een genetisch gegeven is.
      Als baby al lag Lenie in de wieg, zo van 'hier ben ik'. Die nam met één maand, zelf de fles ter hand, en dan sliepen wij lekker door. Ons tweede kind trok meer aandacht, al in de wieg. Een heel ander kind. Dus ja, wat zegt een opvoeding?









      1995. Sara, van de Amsterdamse Prins Konstantijn

      Ik kwam in '69 met Pieter naar Nederland, Virella was toen drie maanden. Ik zocht voor haar een crèche. Pieter had gehoord dat studenten aan het praten waren om een crèche te beginnen. Ik geloof dat ze een jaar met de voorbereiding bezig zijn geweest. Pieter en ik hebben ons daar niet mee bemoeid. Wij wilden een leuke crèche, meer niet.
      Ik verstond de taal niet, dus ik hoefde niet mee te vergaderen. Ik zat er wel bij. Het viel me op dat Ton Schuller het grootste deel van de tijd aan het woord was. Hij was echt de leider.
      We betaalden allemaal een bepaald bedrag voor brood, voor het zwembad en zo; de hoogte van dat bedrag hing af van je inkomen. We draaiden allemaal mee, twee ouders per dag. De crèche was in eerste instantie een halve of een hele dag open, later werd dat anders.

      De eerste groep was Marxistisch. Een jaar later kwamen er meer hippie-achtige mensen die ook wel vergaderden, maar op een heel andere manier. Die vergaderingen gingen gepaard met veel drinken en feesten en met elkaar naar bed gaan. Het was één grote familie. Schuller is toen weggegaan.

      De eerste dag in de Kosmos was een totale puinhoop. De kinderen waren bezig met messen en scharen, één kind had zich opgesloten in de wc en de ouders zaten in een andere ruimte te praten of dat nou allemaal wel mocht. En ja, dat was het leuke van de antiautoritaire crèche, dat mocht. Alleen was nog niet duidelijk waar de grens lag. Van mij mochten ze elkaar niet te lijf gaan met die voorwerpen; ze mochten er ook niet mee rondlopen. Van anderen mocht dat weer wel.
      Er was speelgoed, maar in het begin dus geen poppen. De kinderen aten met hun handen, gingen met hun voeten in het eten staan.

      Op foto's van Virella uit de beginperiode ziet ze er ongelukkig uit. Toen Connie binnenkwam, was Virella in een mum van tijd veranderd. Connie was de redding van de crèche. Er was toen nog één ander meisje. Niemand had er aan gedacht dat zij de spelletjes van de jongens misschien niet zo leuk vonden. Connie zag dat meteen; ze ging naar huis, haalde poppenspullen en maakte een rustig hoekje waar af en toe een jongetje op bezoek kwam. Die kreeg dan een kopje thee of koffie.

      Toen kwamen Wim en Aaf, communisten. Aaf was kleuterleidster. Ze maakten een schema: die dag zit jij, dan jij, dan jij. Opmerkelijk was dat het bijna allemaal mannen waren die de crèche gingen leiden. Van de vrouwen bleef alleen Aaf over. Wij werden ook ingeschakeld, maar dan voor het koken of om met de kinderen naar het zwembad te gaan.

      Wim en Aaf hadden het heel goed gezien; ze brachten structuur in het geheel.
      Je moet goed kunnen kijken naar kinderen, zien wat ze nodig hebben. De anti-autoritairen gingen uit van ideeën en vergaten soms te kijken.

      Het was experimenteren, maar dan wel met kinderen. En met kinderen moet je eigenlijk niet experimenteren. Het heeft Virella, denk ik, geen kwaad gedaan, maar haar vier jaar jongere broertje hebben we op een gewone crèche gedaan.









      1995. Wim & Aaf van de Prins Konstantijn in Amsterdam

      Aaf had in die tijd een baantje bij het peuteronderwijs en verdiende daarmee vijfentwintig gulden in de week. Zoontje Victor nam ze mee, maar dat beviel niet.
      "Je moet als moeder ook een keertje weg wezen."
      Maar op het gebied van kinderopvang was er niks in die tijd. Wij konden niet terecht bij crèches van de universiteit en startten Borgheem op, dat er nu (1995) nog steeds is, een buurthuis met een kapel, een katholiek gebouw. Ouders deden dat vrijwillig, maakten een zandbak, kwamen met lege eierdozen, enzovoort. Aaf besteedde er veel tijd aan, maar Wim had geen tijd om zich met crèches bezig te houden.
      "Ik ben carrière aan het maken."
      Zij vond echter dat hij ook iets moest doen aan de opvoeding en dat gebeurde toen Victor twee en een half was. Hij kon toen naar de crèche Prins Konstantijn, toen nog in de Kosmos. Hij moest met meer kinderen te maken hebben. Ook wilden ze meer kinderen over de vloer. Aaf was verbaasd over hoe het in de Kosmos ging. Ze zag tapijten op de grond, veel ruimte, verhoginkjes en verlaginkjes. Het kwam op haar prettig over, ook al was er wat krap licht.
      "Dat dartelde daar gezellig rond en als je viel dan viel je op het kleed. 't Ging daar heel lossig toe en dat sprak me aan."
      Wim vond dan wel dat Aaf, met haar eersteklas kleuteropleiding, 'die jongen zou doen', maar mooi niet. Hij moest het van haar overnemen en zij heeft nooit in de Prins Konstantijn meegedraaid. Victor kwam begin 1970 in de tweede lichting van deze crèche, niet die van het eerste uur en ook anders dan de eerste, die van De Heilige Familie. Aaf weet wel iets over de eerste lichting:
      "Dat zo'n Piet daar een beetje de krant ging zitten lezen terwijl de kinderen zaten te klooien, elkaar afmaakten."
      Wim zwakt dit af:
      "Victor was een doetje en snel van z'n stuk gebracht. Die heeft het daar niet makkelijk gehad. Als ik wegging zette hij het vaak op een brullen.
      Zij: "ja, Victor heeft daar moeite mee gehad, vooral met agressief gedrag van anderen, maar met z'n bekkie was hij goed, vooral naar volwassenen toe."
      Hij: "Je had mensen die brachten hun kind, dan namen ze een kop koffie en gingen uren zitten ouwehoeren. Anderen glipten weg of lieten hun kind door een ander brengen. Die konden er niet tegen dat hun kind jankte. Zoiets probeerde je op vergaderingen aan de orde te stellen: Het is jouw kind, jij brengt hem, jij neemt afscheid van hem en je zorgt ervoor dat je kind je zo vertrouwt dat ie weet dat je hem ook weer op komt halen."
      Er was geen vaste tijd gesteld, sommige kinderen kwamen later. Wim heeft uiteindelijk zijn werk voor de crèche, voor Victors opvoeding opgegeven.

      Volgens Aaf waren er weinig of geen mensen die iets wisten van pedagogie, niemand die bijvoorbeeld zei: Je kan zelf materiaal ontwikkelen. Zij vond: een crèche zorgt dat er meer kinderen zijn om mee om te gaan, maar ook dat een kind leert creatief bezig te zijn met materialen. Toen werd er gezorgd voor een werktafel in het midden, zo'n bak met kraaltjes, knoopjes, een stuk hout, een hamer, nou noem maar op.
      Hij: "Dat waren geen kinderhamertjes maar gewone hamers. Ja jochie, je moet goed uitkijken dat je niet op je poten slaat."
      Zij: "Maar dan kan je dus niet de krant gaan zitten lezen."
      Hij: "Je maakte rare dingen mee. Er was een jochie dat was zo kwaad - z'n moeder stond met een andere moeder te babbelen - hij pakte een stuk hout waarmee die z'n moeder sloeg. Die moeder was wel gegeneerd, maar ze sloeg hem niet terug, wat toch de beste reactie was geweest. Ik vond het te ver gaan."
      Zij: "Ja, je kan dan best wat rigoureus optreden en daarna, als dat kind weer kalm is, 't er nog eens over hebben. Als je de ruzie maar zo kort mogelijk houdt."

      We hadden ons niet zo verdiept in uitgangspunten, maar gingen wel naar een voorlichtingsbijeenkomst.
      Zij: "Ik in m'n nette broek tussen dat alternatieve schorem. Ik voelde me niet op m'n gemak. Mijn vader was melkboer in de Indische buurt. Als melkboer doe je helemaal niets in de politiek. Het zou me echt worst wezen. Maar daar kregen we een lading politieke argumenten over ons heen."
      Beiden bleven we toch de vergaderingen bijwonen waar van die marxistisch-leninistische honden waren, die heel goed waren in die politieke bijeenkomsten.
      Zij: "Ja, dat was hartstikke interessant. Daar heb ik een hoop van geleerd. We stonden er ook wel achter. We hebben toen CPN gestemd. Punt uit."
      De naam van het blad Strukkel valt, die had te maken met struggle en struck.
      Wij werkten er aan mee, hadden contact met België en hebben daar ook geraapt en geniet. Het blad werd in Friesland gedrukt, in een huisje aan een dijk. Bij een jong stel. Ontzettend veel werk was dat toen. Zou nu veel sneller gaan.
      De vergaderingen gingen ook over hoe je tegen de maatschappij aankeek. Met name de mensen die geen kinderen hadden, brachten de politiek in. De manier van opvoeden was bepalend voor de klassenmaatschappij. Het ging om de strijdcultuur. We moesten contacten leggen met andere crèches. Hij: "Je moest een vuist maken tegen de klassenmaatschappij, het kapitalisme.
      Zij: "We hebben ook politieke scholing gevolgd, heel interessant. Ook van een trotskist."
      We moesten de antiautoritaire opvoeding vertalen naar kinderen toe. Die lui die zelf geen kinderen hadden, die zeiden daar dingen over op een vrijblijvende manier. Zij wisten niet hoe het concreet moest. Die kinderlozen vonden bij voorbeeld vaak dat een ouder te snel ingreep. Ze zeiden dat het zich vanzelf reguleert. Piet kon bij voorbeeld op een vergadering zeggen: Ja, zoals jij het aanpakt, daar ben ik het volstrekt niet mee eens. Ze baseerden zich dan bijvoorbeeld op Vera Schmidt. Maar wij vonden dat een hele andere situatie. Die kinderen werden vroeg gebracht, dan gingen de ouders aan het werk, en dan werden ze laat gehaald. Schmidt heeft dat op een vrij autoritaire manier zelf kunnen inrichten. Dat was niet te vergelijken met wat wij deden. Elke dag een andere bezetting. Kinderen die veel later werden gebracht."
      Zij: "Eén opvoedingspatroon was alleen mogelijk door het gezamenlijk te doen. Maar niet iedereen haakte in op dezelfde manier. We hadden ons huis aangepast aan Victor. Een pick-up met een zwaar deksel bij voorbeeld. Ik vond het belangrijk dat je je leven op je kind instelde. Maar dan waren verwijten van de crèche over het kind, dat het kind zo lastig was."
      In een boek hielden we bij wat er op een dag gedaan was. Op vergaderingen werd dat boek doorgenomen en er werd commentaar op geleverd; daar praatten we dan over door. Bij voorbeeld dat ouders blijven ouwehoeren, nadat ze hun kind gebracht hebben.
      Zij: "Dat ontregelde de kinderen. Zelfs hun eigen kind zagen ze op zo'n moment niet. Dat is echt: laat maar waaien."
      Hij: "Dan kwam kindje Pieter-Gijs binnen, die kwam wat later en die zag een muur van volwassen ruggen en dan was er niemand die zei: Ha, Pieter-Gijs, leuk dat je er bent. Niemand interesseerde zich voor die jongen. Nou, dan werd het dus nooit iets met die jongen. Als je dat aan de orde stelde, had iedereen daar wel weer begrip voor. Verder waren we vaak chagrijnig omdat bepaalde mensen zich niet aan afspraken hielden, als de wc's niet goed schoongemaakt werden bijvoorbeeld.

      Als je niet kwam op de vergaderingen - en die waren wekelijks - kon je behoorlijk op je sodemieter krijgen. De crèche gaf ook een soort structuur aan het leven van sommige mensen. Wij waren altijd met z'n tweeën, soms werd dat als heel vervelend ervaren. Wij vormden een blok. Bij iedereen was er wel wat aan de hand, relatieproblemen, of weet ik veel wat. Iedereen had problemen met het leven zoals het eruit zag en wilde daar iets in verbeteren, bij niemand ging het fantastisch. We zochten dan naar een leuke oplossing die niet ten koste van het kind mocht gaan. De crèche was daar een goed middel bij.

      De kinderen van de crèche namen we mee als we ergens naar toe gingen. Ze bleven ook slapen. Ja, ze gingen regelmatig bij elkaar op bezoek. We hebben ook wel feestjes op de crèche gehad, met dat de kinderen gewoon daar sliepen. Eén grote familie. Of we gingen samen een weekeind weg, in Friesland of ergens op de Veluwe. Daar zijn we er af geschopt. De kinderen stonden plantjes uit te rukken. Daar waren wij zelf ook boos over. En ze liepen op het dak. De ouders zaten te ouwehoeren en niemand keek naar die kinderen. Die kinderen deden alles wat god verboden had.
      We zijn ook naar de Ooypolder geweest. Een stel ouders had daar een leuk dijkhuisje, vlakbij Nijmegen. We hadden toen contact met de crèche in Nijmegen. We zijn een weekeinde geweest in Ubbergen, in een internaat met allemaal van die cellen. Een heel gestructureerd weekeinde, een leerweekeinde.
      Zij: "De kinderen waren een keer in het Vondelpark. Daar waren werklui met een bulldozer bezig en dan zouden die kinderen zien wat dat is, een bulldozer. Die kinderen klommen daar op. De bedoeling was dat de kinderen zouden weten dat er meer is dan alleen wat in de crèche gebeurt. Contact met de maatschappij…"
      Hij: " De kinderen werden in auto's geladen en dan gingen we ergens heen."
      Zij: "Het was wel gezond eten, maar niet milieubewust."
      Hij: "Veel ouders uit de crèche hadden gewoon geen reet te doen en geld genoeg. Niemand hoefde zijn kind om zeven uur naar de crèche te brengen omdat ie moest werken."
      Zij: "Het waren geen kapitalisten, maar mensen die door hun afkomst een bredere blik hadden. Wij waren niet echt bemiddeld, hadden niet veel."

      Uiteindelijk hebben wij, met Pieter en Sara de enigen die bij elkaar waren gebleven, de crèche opgeblazen. Dat was dramatisch. Toen zat Victor er al niet meer. Ik vond dat ermee gestopt moest worden. Er was sleur. Er was geen inhoudelijkheid meer. Het was op. Dat bovenklasje van Connie kostte teveel energie. En de ouders moesten een kleuterschool gaan kiezen. Wij kozen voor de school om de hoek; anderen voor een vrije school.
      Op een gegeven moment woonden we op de Willemsparkweg, een gebouw met vier lagen. Wij bewoonden de bovenste twee. We gingen er weg en met tien andere mensen kraakten we drie woningen in de Gerard Brandstraat, bij het Vondelpark. Eerste kraak in Amsterdam. Voorpagina mee gehaald. De kleuterschool was daar om de hoek, de Zonnebloem in de Nic. Beetsstraat. Tegenwoordig de Kinkerschool. Alle kinderen uit die gekraakte woningen gingen naar dezelfde school. Nog wat andere kinderen meegesleept. Zo hoefden ze niet in hun eentje naar de kleuterschool. Daar probeerden we de aanpak van de crèche door te voeren.
      Zij: " Ze hadden vier kleuterklassen en de kinderen werden acuut verdeeld over alle klassen die er waren. Wij wilden dat de kinderen bij elkaar bleven, maar dat deden ze niet. Dat kon niet. Op de tweede dag stond een leidster aan de armen van een kind te rukken. Je gaat toch niet aan een kind trekken. Dat konden we niet bespreken op die school. De kinderen hadden moeite zich aan te passen aan het autoritaire systeem. Ze mochten niet op een tafeltje zitten, moesten hun werkje doen op een stoel aan een tafeltje."
      Victor heeft twee jaar op de Zonnebloem gezeten. Hij moest nóg een jaar omdat hij een late leerling was. Een jaar lang heeft hij op een andere kleuterschool, De Leeuwerik, gezeten, die nu de Annie M.G.Schmidt-school heet. Ze begrepen daar wel dat we niet langer op die andere school wilden doorgaan. Nu ging het echt erg goed.
      Hij: "Ik ben penningmeester van de ouderraad geworden en ik trof daar een bulk geld aan. Ze hadden dat in de loop der jaren gespaard. Op een girorekening en een bankrekening stond wel tien duizend gulden. Belachelijk. Om geld te gaan oppotten voor weet ik wat! Ik heb het allemaal opgemaakt."
      Zij: "We hebben een heel leuk lokaal gemaakt. Geverfd. Met een wasmachine erin en een droogding, een oud televisietoestel dat het niet deed, een radio. Noem maar op. Alles wat je in een normaal huis tegenkomt, stond erin. We hebben er een grote zon in geschilderd."
      Hij: "Er waren gymlokalen, maar die waren niet allemaal nodig. Die school kromp een beetje. De kleuterleidster had het lef om zo'n lokaal in te richten als een speellokaal. Klasse. Victor deed het te goed daar en was het snoesje van de juf. Daar kon hij eigenlijk helemaal niet tegen en werd er kattig van. Later kwam er een invalster, want deze juf ging een tijd naar Australië en met die invalster heb ik het kunnen matsen. Dat is toen gecorrigeerd.

      Ik deed ook mijn best om op scholen iets te zeggen te hebben over hoe andere mensen met mijn kind zouden moeten omgaan. Dat was voor mensen in het onderwijs een verschrikkelijke bedreiging.
      De mensen in de oudercommissie werden uitgekozen door de hoofdleidster. Met moeite waren er mensen te vinden voor de oudercommissie, zeker een penningmeester. Er waren mensen die al lang geen kinderen meer op school hadden, maar er was niemand anders.
      Ik kreeg als penningmeester een bonnetje, tegen Kerst, van honderdvijfendertig gulden. Hadden ze zes banketletters voor de leidsters besteld. Ik vraag: zijn die dingen van goud? Ja, dat doen we altijd. Maar ik ben penningmeester, hoe moet ik dat verantwoorden, zes banketletters voor f 135. Ik weet niet of we dat gaan betalen. Dat moet ik met de ouders bespreken. Het ouderfonds is van de ouders. Dat beheren wij. Dat soort strijd was er op veel scholen.

      Toen Victor op de lagere school kwam, was hij helemaal gewend aan het onderwijs. Tegenover de kleuterschool was een protestant-christelijke basisschool, de Maarten Luther Kingschool. Victor vond alleen de eerste dag op school leuk, daarna nooit meer. Hij ging elke dag huilend naar school. Maar toch moest hij daar blijven. Ons idee was ook dat we zouden infiltreren."
      Victor heeft in het tamboerkorps gezeten. Hij vond dat trompetteren leuk. Ik vond het belachelijk. Dan moest hij zo'n hoed op en een rood jasje en een groene broek aan. Ik vond het verschrikkelijk en heb gezegd: nou, ik ga ook iets blazen. Toen ben ik tuba gaan blazen. Ik heb ook in zo'n pak meegedaan en vond het leuk. Victor heeft dat een paar jaar gedaan. Met de kinderen van de crèche had hij geen contact meer. We waren ook verhuisd. We zijn ontzettend druk geweest met buurtacties en onderwijsacties en -demonstraties. Ik weet niet of hij daar nou altijd ontzettend blij mee is geweest."

      Zij: "Na de lagere school ging hij naar de Osdorper Scholengemeenschap. Daar hadden ze een beetje het idee van de middenschool. Ze pretendeerden daar dat ze de kinderen ook zouden leren koken en dergelijke. Je zou ook praktische dingen leren. Dat is allemaal de mist ingegaan. Victor heeft drie jaar handwerken gehad en verder niks. Nou ja, dat doet er ook niet toe. 't Ging goed op school. Hij is altijd met plezier naar de middelbare school geweest."

      Naar de VU, Informatica. Dat ging niet. Hij kwam geld tekort. Toen is hij gaan werken, bij een bekende zaak met elektronica.
      Hij: "Hij wilde naar de H.T.S. Dat waren slechte scholen, volgens mij. Daar leerde je helemaal niks. Ik ben er heel erg tegen geweest, maar hij deed het toch en het ging niet goed.
      Toen kon hij fulltime werken bij RAF, computers verkopen. Dat ouwehoeren over computers en de klant adviseren, dat vond hij leuk. Vervolgens ging hij naar Aerdenhout, ook systemen verkopen, telefonisch. Dat was niks.
      Kan ik niet bij jou werken, vroeg hij. Hij had me altijd al heel goed geholpen met aankopen. Ik ben tien jaar geleden weer voor mezelf begonnen. Ik zat bij een studio met een tekentafel en een liniaal, en die dreigde in de rode cijfers te komen. Ik was op een efficiencybeurs en zag al die tekenkamers, apparatuur. Ik dacht: dit gaat het worden.
      Victor snapt dat veel makkelijker dan ik. Hij heeft me geholpen bij de aankoop van apparatuur en bij het inwerken daarvan. Hij weet hoe je moet programmeren. Hij weet welke programma's handig voor me zijn. Toen hij vroeg of hij bij mij kon werken, had ik eigenlijk wel behoefte aan iemand die verstand van computers had. Als de computer het niet doet, weet ik niet wat ik moet doen, en de andere mensen die bij mij werken, weten dat ook niet. Victor verkoopt ook graag. Hij wil graag de weg op, babbelen, verkopen, plannen maken. Gelukkig ben ik nodig om ze uit te voeren. Ik was nooit zo met klanten bezig geweest, dat ging toen meer met contacten in de kroeg. Zelf had ik er niet aan moeten denken vroeger: bij mijn vader in de zaak. Maar het gaat goed. We hebben weleens verschil van mening, maar 't blijft behoorlijk on speaking terms. Victor is liberaler dan wij. Wel politiek bewust."

      Zij: "Ik had gedacht: op je achttiende ga jij het huis uit. Dan ga je op jezelf wonen. Dat heeft hij niet gedaan. Hij woonde redelijk zelfstandig op zolder, maar hij was niet echt uit huis. Dus dat viel tegen. Op z'n negentiende trok hij bij een vriendin in. Wat het werk betreft is hij ook dichtbij gebleven. Ik vind het goed hoor, ik heb er geen bezwaar tegen, maar hij heeft toch niet die zelfstandigheid die ik had gehoopt. Het is te makkelijk eigenlijk. Alles kon. Ik vind dat het wat te makkelijk van het ene in het andere nest is gevlogen. Hij had moeten voelen hoe het is om op jezelf te wonen.
      Nu wonen ze boven ons. Ik heb altijd gezegd: op je achttiende de deur uit. Maar het is moeilijk nu om een huis te krijgen. En ze hebben hoge eisen. Dit huis is van ons, we konden het zo splitsen."
      Hij: "Hij is getrouwd, heeft een kind. Hij werkt bij mij en het is ook een beetje zijn bedrijf geworden."

      Eigenlijk waren we niet zo antiautoritair. We waren niet voortdurend met politiek bezig. Maar er was geen scheiding tussen wat thuis en wat op de crèche gebeurde. We hadden ons hele huis erop ingericht. Een groot deel van de ruimte was voor Victor ingericht. Het huis was echt van ons drieën. We hoefden niet alles van elkaar te weten, maar je moest wel alert zijn: zien we elkaar eigenlijk nog wel. We zijn een aantal keren ontzettend geschrokken. Niet goed opgelet.
      Hij: "Ik was op een gegeven moment vicevoorzitter van de ouderraad van het openbaar onderwijs geworden. Ook Aaf deed allerlei dingen. We waren bezig met acties tegen de initiatieven van de CPN om kleuterleidsters peuters te laten opvoeden. Daar waren we mordicus tegen. Ik was beroepsactivist, constant bezig met: wat is er aan de hand? Op een gegeven moment bleek dat Victor stiekem allerlei dingen kocht die van ons niet mochten. Een vriendje die aanbelde en riep: Heeft Vic nog vuurwerk? Toen was ie elf; handelde hij in vuurwerk."

      Zij: "Ik zou 't nu anders doen, want de tijd is anders."
      Hij: "De tijd lag er toen braak voor. 't Kan nu niet meer zo. Niemand praat erover wat in een school gebeurt, wat er in een klas gebeurt."
      Zij: "De crèche is nu ook goed. Niet te vergelijken met wat wij aantroffen. De crèche van onze kleinzoon is hartstikke goed verlicht, fris gekleurd, leuke slaapplaatsen. Je kan je vingers erbij aflikken. Wel is het nu geïnstitutionaliseerd, onder beheer van de stadsdeelraad. Het is ingepakt. De betrokkenheid van de ouders is veel minder. Victor en vrouw werken allebei. Victor zegt, als iets niet goed gaat: wat geeft dat nou, wat maakt het uit?"

      Zij: "Je kunt je kind natuurlijk niet opvoeden voor een bepaalde tijd. Het was niet te voorzien hoe de wereld erover twintig jaar uit zou zien."
      Hij: "Hij ergert zich aan de manier waarop ik met mijn klanten omga, en heeft een kostuum aan als hij dat nodig vindt."
      Zij: "En hij kan niet tegen mijn grappen over geld. Er moet geld zijn. Een vorm van materialisme. Vind ik moeilijk. Wij zijn een keer naar Parijs gefietst, op een tandem, met zevenenvijftig gulden op zak. Daar bleven we zes weken van weg. Op de camping gingen we 's morgens de lege flessen van de Duitsers ophalen; daar konden wij weer een dagje langer van blijven. Het viel me tegen dat hij schoenen van driehonderd gulden heeft. Maar als hij dat wil, hij moet het zelf bepalen.
      Hij past zich aan aan de groep waarin hij zich bevindt en zegt tegen ons: Jullie deden hetzelfde in jullie tijd.









      1995. Tineke van de pater Brugmancrèche in Nijmegen

      Mijn moeder is zo'n moeder die honderd procent voor de kinderen had gekozen en ik had andere ambities. En dat werd in die tijd niet geaccepteerd. Ik moest iets verzinnen om mijn eigen ambities waar te kunnen maken. Ik had een halve baan, moest een kind opvoeden en betrapte mezelf erop dat ik steeds maar 'nee' tegen het kind zei.
      "Pickup, nee, afblijven. Boeken nee, kopjes, glazen, nee, nee, nee."
      Ik heb toen tegen mezelf gezegd: "Hou daarmee op. Hou op met 'nee' zeggen tegen dat kind. Dat kan nooit goed zijn."
      We kwamen in aanraking met oudere studenten, mannen vooral, die na hun studie nog eens sociologie gingen studeren, net als Vincent, de vader van ons dochtertje Marieke. Via een vriend van hem, met een dochtertje in dezelfde leeftijd als de onze, zijn we over die crèche gaan praten. Marieke was anderhalf, haar broertje was in de maak. Zo is het begonnen.

      "Bij ons in de straat is een crèche en die is anti-autoritair."
      "Wat is dat? Nooit van gehoord."
      En tot mijn stomme verbazing hadden ze het over dingen die ik in mijn eentje al bedacht had, zoals dat niet steeds 'nee' willen zeggen. We zijn daar gaan kijken. Het was de vraag of we wel links genoeg waren. Tot mijn schande had ik van al die superlinkse dingen toen nog nooit gehoord. Maar Vincent zat intussen een jaar bij die studenten, sociologie te studeren; die had intussen flink wat van het jargon geleerd en deed het woord.

      Een uitgangspunt dat ik helemaal onderschreef, was de opvoeding door meerdere ouderen. Er was een vaste leidster, maar de ouders hadden eens in de week hun vaste oppasbeurt. Op de avondvergaderingen werd alles besproken. Het contact van de kinderen met de verschillende ouderen was goed. Of ik het nou was of een ander, maakte niet uit.
      Dat is een van de dingen waar ik nog helemaal achter sta. Ze leren relativeren; dat er niet maar één manier van doen is, maar vele. Ik denk dat ik van de zeven dagen in de week er wel vijf, zes keer andere kinderen bij had. Dat je dus bijna nooit alleen je eigen kinderen had. Of onze kinderen waren juist bij anderen.
      Onze groep was geen hechte groep. Allemaal hadden ze andere inzichten. Het principe van het doorbreken van eigen normen en waarden hebben wij heel ver doorgevoerd. De vergaderingen waren langdurig en heftig. Terugkerende onderwerpen waren agressie en seksualiteit. Het werd doorgesproken totdat we er uit waren.
      Een voorbeeld: zo gauw ze de crèche binnenkwamen gingen de kleren uit, allemaal. Maar zomers ging je met z'n allen naar de speelweide. Hoe lang we er niet over gedaan hebben om zoiets simpels af te spreken: hier, waar ieder het er mee eens is doe je je kleren maar uit, maar buiten hebben ze andere normen en waarden, daar hou je ze gewoon aan. Hoe lang we daar niet over gedaan hebben.
      In die blote-kont-periode was er een meisje, dat lag met haar kutje te friemelen en dan riep ze:
      "Daantje, kom eens helpen."
      Wij waren helemaal gechoqueerd, gewoon. Op dat moment werd niet ingegrepen, maar wel begon weer de hele discussie over seksualiteit. Daar zaten we dus allemaal met rooie koppen.
      "Wat nu? Hoe komen wij hier uit? Verbieden is ook niet het antwoord."
      Waarom ze in de crèche in hun blootje liepen? Dat is toch heerlijk om in je blootje te lopen? Dat vonden de kinderen zelf ook. Heerlijk. Kinderen hebben die drang, om zich uit te kleden. Ook bij mijn ouders konden die kinderen rustig in hun blootje lopen, maar Vincent zijn moeder, die kon met zo'n afkeurend gezicht zeggen dat ze vond dat haar bank vies werd als een klein kindje daar met de blote kont op ging zitten.
      Op het punt van zindelijkheid werden ze vrij gelaten. Tot ik er bij onze tweede achter kwam dat ie gewoon te lui was om op te staan en naar de wc te gaan. Die was drie en ik trof hem 's morgens van zijn enkels tot zijn nek in de poep.
      "Ja sorry hoor, hier heb ik toch echt geen zin meer in."

      Waar wij het absoluut niet mee eens waren was gerotzooi met eten, kapotmaken van materiaal. Je zag dat wel in films over Duitse crèches. Opnieuw heftige discussies. Geweertjes en dergelijke kwamen er niet in. Maar dan pakten die kinderen een stuk hout en deden ze het toch.
      "Kijk, je kunt niet niet-ingrijpen. Ook als je niet ingrijpt, dan doe je ook iets."

      "Een kind moet voor zichzelf op kunnen komen."
      Maar enkele kinderen sloegen om hun zin te krijgen. Onze Marieke was geen slaanderig type. Ze riep de hulp in van een wat potiger ventje in de crèche. Door sommige ouders werd dat als toppunt van achterbaksheid beschouwd, om niet voor jezelf op te komen, maar iemand anders er bij te halen en die voor je laten vechten. Zelf vond ik het een prima oplossing. Dat jochie hoefde maar aan te komen lopen, of ze kreeg d'r spullen al terug. Ik zei:
      "Ik wil niet eens dat ze slaat. Er zijn meer manieren."

      De meeste ouders waren studenten; wij waren bijna de enigen met een baan en dus de kapitalisten in die linkse beweging. En wij hadden een auto. Dag en nacht heb ik met kinderen gereden. Ik had zelf meer dan een halve baan, ik had Marieke, haar broertje en de crèche. Plus al dat rijden voor de crèche.
      We hadden een keer een vergadering, vijfhonderd meter bij ons vandaan. Ik was toen zo moe dat ik met de auto ben gegaan. Ze hebben me uitgelachen. Dat ik ze toen niet gelijk verrot gescholden heb. Ze profiteerden altijd van ons. Maar het was mijn eigen keuze. Belachelijk. Ik hoefde helemaal geen vijftig uur in de week te werken, waarom zou ik dat dan doen? Ik zeg nu: ophoepelen, ik wil een boek lezen, weg. Dat heb ik nu geleerd.

      We hadden een groot huis, twee huizen eigenlijk, waar we met vrienden in een soort commune woonden. Marieke, nog heel klein, wist heel spastisch de was te scheiden. Die wist precies wat boven hoorde of beneden. Die probeerde altijd alles weer uit elkaar te halen. En wij maar uitleggen hoe geweldig het was om zo met zijn allen samen te wonen.
      Vincent en ik hadden andere vrienden en vriendinnen, andere relaties, dus voor die kleine kinderen behoorlijk pittig toch. Dus uitgelegd, voor zover als dat ging, waarom je daarvoor koos en waarom je dat deed. Dat ik dat nodig had voor mijn eigen ontwikkeling, dat het niets met Vincent te maken had. Je doet een kind nogal iets aan als er een andere man in bed ligt op de plaats van zijn vader.
      Het kind heeft recht op uitleg. Dat vind ik echt. Kinderen zijn nooit te jong om ze iets uit te leggen. Of ze het snapten weet ik niet. Wel zal je intentie overkomen, de moeite die je er mee hebt en zo. Misschien zadel je de kinderen met zware dingen op, ja. Toch zou ik het weer zo doen, al zou ik misschien beter in staat zijn er op hun niveau over te praten. Het was toen te verstandelijk.

      Je mag kinderen niet opzadelen met je eigen normen en waarden. De kinderen van de crèche zeggen eerder 'nee' tegen de ouders als hun iets niet bevalt. Ik kan echt heel vervelend zeuren. M'n zoontje kon me dan aankijken en dan zei die:
      "O, Tien, wat vind ik jou nou een trut."
      Dan was ie zo klein en toch kon ie dat heel vrij zeggen. Daarna was hij het kwijt en was ik weer de liefste moeder van de wereld.
      Ik denk dat dat één van de effectiefste dingen is, dat ze leren dat ik zo ben, dat Vincent anders is en al die andere ouders ook weer anders zijn. Dat ze dus leren hoe verschillend ouders zijn en hoe ze daarop kunnen reageren, dat er verschillende mogelijkheden zijn, dat ze veel minder afhankelijk zijn van jou als ouder. Dat denk ik echt. Als ik tekeer ga op mijn manier, dat een kind dan denkt:
      "Och, dat is Tineke."
      Met het gevolg dat het mij ook vrijheid geeft.

      Er waren mensen die geen antiautoritaire kinderen over de vloer wilden. Maar die van ons kon je echt overal neerzetten. Die waren zo gewend om met verschillende mensen om te gaan en hadden onmiddellijk in de gaten wat jij wel en niet belangrijk vindt. Nergens gebeurde dat: boeken uit de kast halen, pick-up of platen pakken en zo. Het was echt niet zo dat die kinderen alles mochten.
      Onze kinderen konden al koken toen ze zes waren. Ze hadden van jongsaf aan leren omgaan met messen, zagen enz. Dat is ook een verschil met een autoritaire opvoeding. Ze waren veel eerder zelfstandig. Als ze iets deden dat gevaarlijk was, pakte ik af en zei hoe het moest. Je zei niet zomaar 'nee'. We leerden ze ermee omgaan, kijken hoe iets werkt.

      Ik zie nu vaak dat heel veel kinderen hun zekerheden en veiligheden kwijt zijn. Dat zie je bijvoorbeeld bij het niet zichzelf kunnen amuseren, doorslaan in gedrag, geen rustige momenten meer kennen. Er heerst soms terreur, onderling bij die kinderen. En daar kan dus niet over gepraat worden, want als een kind een ander kind iets aandoet, zijn de ouders op hun teentjes getrapt. Er wordt niets over gezegd, niets mee gedaan. Iedereen moet het nu zelf regelen. Dat kost nog veel meer tijd, volgens mij. De opvoeding van de kinderen nu, nou die vind ik dus echt treurig.

      Over het bereiken van onze doelen ben ik voor een deel tevreden. Onze kinderen zijn allebei ontzettend sociaal. Dus geen onuitstaanbare egoïsten; allebei super sociaal. Ze vinden het leuk om met andere mensen iets te doen, iets te delen. Ze zullen altijd rekening met anderen houden, nooit voor zichzelf het beste weggraaien. Ik kom uit een gezin van zeven, die zeer autoritair zijn opgevoed en een aantal van ons, als er iets lekkers staat, dan is het hap-grr-hier-voor mij!

      Het zijn wel kakkers en dat had ik niet verwacht. Ik kan me heel goed herinneren dat me vroeger het allerergste leek dat ze bijvoorbeeld een sportwagen zouden willen. Ze zijn allebei materialistisch, hoewel dat de laatste jaren alweer bijtrekt. Het zal nog wel goed komen.
      "Wat wil je later worden?"
      "Rijk."
      Dat antwoord van zoonlief beviel me helemaal niet.
      In Delft doet hij het heel rustig aan. Hij sport veel, zit in besturen van disputen, hij werkt één of twee keer in de week. Marieke wil carrière maken. Ze zou het liefste in de organisatie van een heel groot, commercieel bedrijf gaan werken. Maar dan wel een bedrijf dat wil investeren in een ontwikkelingsland en ten gunste van dat land. Ze is normatiever dan haar broer die niet weet wat hij wil.

      Ik heb geen spijt van die antiautoritaire opvoeding. Dit is mijn verhaal. Ieder ander van de groep heeft zijn eigen, andere verhaal. Het belangrijkste winstpunt gaat toch wel in de richting van dat respect voor en eigenheid van de kinderen.
      Dat wil niet zeggen dat ik geen kritiek heb: Zoals het uitgangspunt dat een kind door meer ouderen opgevoed moest worden. Daar zou ik nu wel iets voorzichtiger in zijn. Achteraf gezien liepen er toch wel ouders bij waarvan ik me afvraag: Hoe heb ik mijn kinderen daaraan kunnen toevertrouwen?
      Wat onze aanpak en die hele periode kenmerkt, was het verstandelijke, dat we toen niet in staat waren om als groep ons gevoel te volgen. Onze zorg was: hoe moet ik het zeggen? Hoe blijft het gesprek open, ook over moeilijke dingen? Het gevoel was weggestopt. Dat was niet goed. Dat was slecht.
      Toch zou ik het weer zo doen.









      1995. Connie was betrokken wij twee Amsterdamse crèches

      De jonge moeder Connie had twee kinderen, een jongetje op de Amsterdamse 'kresj' Prins Konstantijn en een meisje op 'het Witte kinderplan'.

      Ik had een opleiding tot kleuter- en hoofdleidster gedaan. Op de kleuterscholen zaten in die tijd domme mensen. De opleiding op de kleuterkweek stelde geen reet voor. Je leerde er niks. Het was iets voor meisjes, om ze van de straat te houden. Dat stelde intellectueel gezien niets voor. Ik ben hoofdleidster geworden.
      Eigenlijk wilde ik naar de Kunstacademie, maar dat vonden mijn ouders een beetje eng. Wat handarbeid betreft, ben ik wel aan mijn trekken gekomen. Stage deden in klassen van veertig. Om de drie maanden naar een nieuwe plek. Hele stad leren kennen. Alle milieus: Kattenburg, Muiderpoortstation, West. Echte armoede gezien. Jammer dat die kinderen tot hun vierde jaar thuis waren, want dat moest je allemaal weer rechttrekken. Opvoeden gebeurde door mensen die het konden.
      Toen ik begon te werken, had ik een klasje van tien; totdat dat weer vol zat. Ik weet niet meer wat toen het maximum was, ik geloof zesendertig kinderen. Dan ga je door, klassikaal, speelkwartier, buiten spelen, gymnastiekles. Motoriek en fantasie stimuleren in het speellokaal moest elke ochtend en elke middag. Een mix van verscheidene filosofieën: Montessori, Freinet etc.

      De omslag kwam toen ik zelf een kind kreeg. Ik begreep niet dat je je kind moest wakker maken, omdat het tijd was om het te voeden. Ik voedde haar gewoon op het moment dat zij kwam. Op het consultatiebureau:
      "Het gaat prima, mevrouw. Weet u wat, u kunt haar nu voeden om de vier uur."
      Daar begon mijn anarchie. Ik hou me aan geen regel als die regel niet klopt en ging twijfelen aan alle regels. Hoofdregel kleuterkweekschool was de vier r's: regelmaat, rust, reinheid en Ribbel (liefdevol kinderen koesteren: als je dat niet doet, gaan kinderen dood. Dat is ook zo.) Regelmaat vond ik niet zo vanzelfsprekend. Reinoud was net geboren, toen was het al uit met zijn vader. Die voelde niets voor een gezin in een nieuwbouwwijk. De volgende man kwam. Die was architect en ging over herbergzaamheid praten. Hij is hoogleraar geworden. Hij wilde trouwen vanwege de sociale dienst, voor de belasting. Hij veranderde toen we getrouwd waren. Hij bracht het geld in en ik kreeg honderd gulden zakgeld. Ik kreeg het gevoel dat er een deur dichtging, dat ik moest vragen om dingen en dat hij dan zei: Nee dat kan nu niet.
      We gingen nadenken over een andere vorm van wonen. Het werd de eerste de coöperatieve woonvereniging Het Pakhuis. Daarin zaten ook mensen van de crèche. We gingen een pand kopen in Oud-West. Ze hadden ontdekt dat, als je huizen kocht die geen woonbestemming hadden, dat heel goedkoop was; die verbouwde je dan.
      Iemand bracht een eenzame jurist mee. Hij belde bij mij aan en ik was verkocht. Ik was net een maand getrouwd, maar die jurist was mijn grote liefde. Wat een ramp, want mijn man was zo'n lieverd. Die vond dat dat allemaal moest kunnen. Ik vond van niet en dacht: ik maak het uit met alle twee. Maar de jurist zei, "Helemaal niet," en kocht een huis en toen woonden we in Friesland.
      Heel veel later belde hij me op en vroeg of we niet zouden trouwen. Ik wist het nog drie maanden uit te stellen. We zijn getrouwd en een maand later was het uit. Hij werd verliefd op iemand anders. Ons soort kan er blijkbaar niet tegen. Dat hebben we nog een jaar volgehouden, hij was meer niet dan wel thuis. Nou, toen gingen we uit elkaar. Dat is nou een jaar of twaalf geleden.

      Ik heb gewoon kinderen gekregen, ik heb er niet over nagedacht. Gewoon, ik wil nu kinderen hebben, en hup, gemaakt, gepland. Maar wat dat inhield, dat wisten we niet. Ik heb zelf het gevoel dat ik 23 jaar alleen maar met kinderen bezig ben geweest en niet met mezelf. En ik heb schuldgevoelens.

      Ik had een winkel op de Kromme Waal, kunst, tweedehands spullen. Heel gezellig, altijd koffie, kinderen konden er spelen. Verdiende er natuurlijk niets aan, maar dat hinderde niet. Ik had contact met de Parijse Commune. Die wilden graag hun pamfletten aan de man brengen en die hingen dan ook in mijn winkel. Soms zaten er mensen bij mij ondergedoken: iemand van het Angolacomité of van het Vietnamcomité.
      Het leefde in die tijd. Wij hadden genoeg van Luns, van Hilterman, van de Mattheuspassion. Die oude waarden moesten wij niet. De Nieuwmarkt-opstand. De Bijenkorf-rel. Er was een antiautoritaire beweging aan de gang. Het verzet tegen autoriteiten. De Maagdenhuis bezetting, de Lastage werd afgebroken. Het was nog nooit voorgekomen dat mensen massaal zeiden: Oh nee, we gaan niet die huizen afbreken voor zo'n stukje metro. Mensen gingen over van alles nadenken: universiteit, toneel, muziek, kabouters, vervuiling. Volgens mij door heel Europa.
      Eén van de dingen die daaruit voortkwamen was het denken over opvoeding. Er waren geen voorzieningen voor kleine kinderen. Terwijl dat toch wel erg handig was en ook goed voor het kind om met leeftijdgenootjes om te gaan. Dan was de volgende vraag: hoe ga je dat met elkaar doen?

      Via de telefoon ontmoette ik, net na de Maagdenhuis-kwestie, een man die in het Maagdenhuis werkte. Een Marxist, een Black Panther. Via hem hoorde ik over de antiautoritaire ideeën. Ik denk dat hij me in contact bracht met Theo Schuller en soortgenoten. Hij wist dat die crèche werd opgericht en dat ze mensen zochten. We zijn samen naar een vergadering geweest. Die crèche zat toen in de Kosmos en heette: Prins Konstantijn. Die naam zal wel met de geboorte van Constantijn, van Beatrix, te maken hebben gehad. Het had ook een link naar Spanje, neem ik aan.
      Ik werd aangenomen, dat wil zeggen: Reinoud mocht op de crèche, maar mijn dochtertje was te oud. Die was net vier. Die ging toen naar het 'Witte Kinderplan', ook antiautoritair. Verschil: Wit was praktisch, Konstantijn gelul.

      Nog nooit had ik zoiets gezien als de Kosmos: Een wandrek en een heel groot kussen en een tafel. Er waren twee groepen ouders: de softies, de flower power; die mediteerden en waren helemaal niet geïnteresseerd in de politieke ideeën, maar wel heel creatief en altijd bezig. En dan had je de theoretici, daar hoorde ik bij, ik hoorde bij de harde kern.
      Ik heb me altijd veel met de opvoeding van mijn kinderen bemoeid en zorgde ervoor dat ik altijd in de buurt was. Ik heb dus vaak gerouleerd. Eigenlijk voedde ik wel zeven kinderen op. De moeder van één jongetje was te beroerd om hem naar de crèche te brengen, dus ik nam hem mee en bracht hem waarschijnlijk ook weer thuis, of zijn moeder haalde hem op. Zij mediteerde. Ik dacht, moet ik nou elke dag tegen zeggen: "Christus, Liesbeth, kun je dat kind niet op tijd brengen?" Wat was er simpeler dan dat ik hem meenam?
      Ik had zeven kinderen. Dat is dus niet te vergelijken met een kleuterschool. Veertig of zeven. Met zeven hoef je echt niemand tekort te doen. Met veertig doe je altijd een aantal kinderen tekort. Juist de stille kinderen zie je niet. Ik zorgde er voor er zo vaak mogelijk te zijn en dat er geen ongelukken gebeurden. Kun je je voorstellen: een wandrek, waar die kinderen in gaan, heel hoog? En dan naar beneden springen op een kussen? Vonden we dus allemaal goed. Er is gelukkig niks gebeurd.
      De kinderen kregen in de crèche letterlijk de ruimte. Normaal konden ze niet buiten spelen. Dat heb ik gemerkt toen die autoloze zondagen er waren. Voor het eerst konden ze zonder mij erbij naar vriendjes gaan die bij de Nieuwe Kerk woonden. Ze moesten altijd gehaald en gebracht worden, want het was te gevaarlijk. Geen keus.
      In de Kosmos konden ze rennen. En later in de Huidenstraat was helemaal fantastisch, want daar was een tuin. De kinderen kregen dus echt de ruimte, op elk gebied. Alles mocht. Als ze in hun nakie wilden lopen, nou best. Dat kon ergens anders niet. Dan kreeg je heibel. Nog een voorbeeld van ruimte: Kinderen hadden er behoefte aan om, als ze met iemand aan het spelen waren, dat thuis voort te zetten. Ik heb het meegemaakt dat ouders stonden te lobbyen.
      "Hij wil met die en die spelen.
      "Dat kan niet, of daar heb ik geen zin in, of wat dan ook."
      Bij ons was het eigenlijk een must. Als kinderen dat wilden, moest dat doorgaan of er moest wel een heel dringende reden zijn. Als een kind dan om zeven uur zei: Ik wil naar huis, dan zei ik: Je hebt ervoor gekozen om hier te zijn, dus moet je ook blijven. Behalve natuurlijk als er iets afschuwelijks was.

      Wij waren de generatie van na de oorlog. Ik heb me altijd afgevraagd hoe die oorlog, en de holocaust mogelijk waren. Hoe het kon dat mensen elkaar verloochenen, hoe de geschiedenis van Anne Frank kon. Daarom was solidariteit voor mij erg belangrijk.
      Ik ageerde niet tegen mijn opvoeding. Ik heb fantastische ouders gehad, die mij de ruimte gaven. Het maakte absoluut niet uit wat ik deed. Ik ging naar de mulo; mijn vader zei dat dat best kon. Het maakte ook niet uit hoe lang ik erover deed. Hij liet me in mijn waarde. We mochten kiezen wat we wilden worden. Ook wat geloof betreft zijn we niet geïndoctrineerd.
      Hij was een voorvechter van openbare scholen. In Nijmegen was iedereen katholiek. Daar knalde mijn vader tegenaan. Dat de pastoor het krijgen van veel kinderen stimuleerde. Dat vrouwen bij mijn moeder aan de achterdeur kwamen om te vragen of ze een adresje wist, omdat zij maar twee kinderen hadden. Mijn ouders waren humanisten.
      Mijn ouders gaven geen commentaar op hoe ik mijn kinderen opvoedde.
      "Als jij erachter staat wat je doet, dan is het goed."
      Mijn moeder is gestorven, maar zij is op de crèche geweest om Reinoud op te halen. Ze heeft het allemaal gezien. Conflicten had ik nooit met mijn ouders. Dat kon niet. Ze hebben zelf ook nooit ruzie gehad. Ik heb ook nooit ruzie. Ik heb geen zin in strijd ergens over. Ik ging altijd weg als het moeilijk werd. Ik weet niet hoe je ruzie moet maken. Nog steeds niet. Zelfs met mijn kinderen niet; als er wat is, ik klap dicht. En ik weet dat je ze het recht moet geven ... Ruzie maken moet! Ik weet het, het moet. Zij kunnen het wel, maar niet met mij, want ik ben dan weg of ik verzacht het. Ik knip iedereen zijn haar, de kinderen ook. Ik knipte Reinoud in zijn oor, hij gilt het uit.
      "Mam, je hebt in mijn oor ... "
      Ik zeg: "Wel nee."
      Het bloed loopt eruit! Echt waar, zo erg.
      In plaats dat ik zeg: 'Oh wat erg'. Nee hoor, ik ontken het gewoon.
      In vergaderingen maakte ik nooit ruzie. Er waren wel spanningen, maar nooit ruzie. Dan ging ik weg.

      Mijn dochtertje bleek epileptisch. Dan kom je in een dokterscircuit. Haar vader was net weggegaan, ik was in verwachting. Dan moet je alle zeilen bijzetten om 't nog te snappen. Ik had gesprekken met de neuroloog.
      "Ik begrijp het niet. Ik knal tegen alles aan."
      "Ja, maar kijk toch eens, wat een schattig kindje."
      Ik dacht: Dat gaat niet goed. Ik kan haar niet opvoeden. Dat is niet goed voor mij en dat is niet goed voor haar. Ik bracht haar naar mijn ouders: Ik kan dit niet aan. Ze was toen vier jaar en ze heeft vier maanden bij mijn ouders gewoond.
      Ik woonde op de Kromme Waal en zij ging naar de crèche 'Het Witte Kinderplan'. Probleem was dat ik daarna met Reinoud naar de crèche 'Prins Konstantijn' moest. Daar moest ik zelf kinderen opvangen omdat ik vaste kracht was daar.
      Ik zie de scene nog voor me, die zal ik van mijn leven niet vergeten. Dat ik 's ochtends aankwam en haar afgaf aan Paulien, nadat ik die hoge trap was opgeklommen en weer vertrok. Zij kwam mij achterna, dan moest ik weer die trap op om haar naar boven te brengen. Niemand die zei: 'zo en nu blijf jij zitten'. Ze kwam weer die trap af.
      "Kom maar mee."
      In de auto, naar oma. Ik voel bijna nog die emotie. Ze kon zolang terecht in een fantastische crèche, kreeg er verantwoord te eten, werd naar de kleuterschool gebracht, werd tussen de middag opgevangen. Haar vader kon gewoon z'n werk doen en haalde haar op om een uur of zes, zeven. Toen hij dat na een jaar niet meer kon doen, wilde ik het graag zelf weer doen.
      Na die vier maanden, toen ze terugkwam, wist ik één ding zeker: ze gaat naar een gewone kleuterschool.
      Een vriendin zorgde ervoor dat ik boeken in handen kreeg over cerebraal gestoorde kinderen en daar stond in wat ik moest doen: Rust, altijd op een vast tijdstip eten, op vaste tijden naar bed. Dat geldt voor alle kinderen, maar mijn kind had het hard nodig. Toen wist ik hoe ik haar moest opvoeden en heb ik geen problemen meer gehad.

      De ouders van de crèche Prins Konstantijn namen mij aan als vaste kracht, een beetje tegen hun zin, voor de rust. Er was één vast iemand. Voor die tijd was de rust er niet. Eigenlijk was dat tegen de principes van de crèche, want je hoorde de verantwoordelijkheid te delen. Kennelijk ging het niet met alle kinderen goed. Ze zullen het wel gezien hebben als een soort falen.
      Toen ik er vast zat, ging het echt meteen bergafwaarts wat betreft die gedeelde verantwoordelijkheid. Ze brachten de kinderen en ze haalden ze af en dat was het. De kinderen waren in goede handen. Tenslotte nam ik ontslag omdat ik mezelf in de weg vond staan: nu gebeurt er helemaal niets meer met die ouders, nu zijn we een gewone crèche geworden, dus ik heb een afscheidsbrief geschreven en alle punten erin waarom ik ermee ophield. Ze dachten dat ze een crèche konden runnen, maar de verantwoordelijkheid konden ze niet aan.

      Als je niet mee kon praten, dan werd je gewoon genegeerd. Dat was vrij gruwelijk hoor. Ik dacht: ik moet maar zien dat ik meepraat. En ik ben best intellectueel geïnteresseerd, dus ik wilde wel weten waar het om ging. Maar het jargon moest ik eerst leren. Repressieve tolerantie, consumptiemaatschappij en zo. Als je dat nou maar af en toe riep, dan merkte niemand dat je ... Ik ben niet een type dat in een vergadering zit en dan niks zegt. Kopstukken als Joost en Piet en Jacques waren het meest aan het woord, en ik dus. Maar Jacques was lief, dus dat scheelde, en Dino R ook. Piet was er altijd, ook al had hij geen kind, net als Dino R. Hij draaide ook mee; hoe we dat ooit goed hebben kunnen vinden. Daar had je niks aan op de crèche.
      "Lul, zie je niet dat daar iets aan de hand is?"
      Dino R was de psycholoog, Piet de politicoloog en Immeke de pedagoog. Ik snap absoluut niet waarom die drie daar waren. Ze hadden zelf geen kinderen. Ik ken een vader die geen prater was. Die wordt nu nog woedend over het feit dat hij zich zo door dat abstracte gewauwel heeft laten inpakken. Wat bezielde die mensen om zoveel tijd in die kinderen te investeren? Ik zou blij zijn als iemand dat eens ging uitzoeken. Dino R had wel verhoudingen met de vrouwen van de crèche. Eerst met Mara, later met mij, altijd met moeders.

      Kijk, hier zijn protocollen. Dan schreef ik wie er waren die dag en wat er gebeurde, en dan lazen de ouders dat:
      "Marije vertelt dat Jacques niet naar de vergadering komt omdat hij bij haar blijft want mammie woont in de Helmersstraat, en Jacques wil niet meer bij mammie wonen maar bij Fred." Dus dan wist ik dat Marije het moeilijk had en dat ik op haar moest letten; ik nam tenminste aan dat dat de bedoeling was.
      "Wil Hilde verslag schrijven? Dino R, Immeke, Jacques, waar is het verslag van deze middag?" "Ruthie was logeren, Jasper buikgriep, Manou gaat naar de kleuterschool, Reinoud is ziek."
      "We zijn vorige week woensdag naar Hilversum geweest, dat wil zeggen Jasper, Marije, Jeroen, Bastiaan. In de trein vroegen ze veel en heb ik verteld." (Toen gingen we naar de studio voor een interview)
      "Met vreemde kinderen zijn ze erg verlegen.."
      "Twee scenes meegemaakt van stukmaken wat daarvoor net was gemaakt door allemaal, en mooi gevonden. En toch, vijf minuten daarna stukscheuren. Marije en Ruthie staan er bij, verslagen en teleurgesteld. Daarna gaan ze meedoen. Ik weet nog niet hoe ik dit moet opvatten, laat staan dat ik naar een bepaald inzicht handelen kan."
      "De meeste ouders komen vertellen, hoe leuk de kinderen het vinden, en dat ze naar Connie vragen. Maar als ik iets van ze vraag, kunnen ze het niet opbrengen. Ik vind het een erg eenzijdige liefde. Aan die verhalen hecht ik niet zoveel waarde."
      "Chaos. Alleen stagiaire beneden."

      Dat soort dingen dus. Ze hadden een functie, die protocollen.

      Over "Prins Konstantijn' is een film gemaakt toen. De baby in de film is prins Alexander. Jan van de Brink heeft in De Heilige Familie alles wat hij over de crèche laat zien geënsceneerd. Dan hadden wij net opgeruimd en dan kwam hij weer met z'n crew en smeet alles omver. Gek werd je ervan. Dat verven, dat geklieder, die botsing, het is allemaal geënsceneerd. Wat in die film duidelijk wordt, is het abstracte niveau waarop gepraat wordt en gedacht. Je zag toch dat joch met die lamp? Die had ík dus even afgepakt, he, en gezegd, 'ben jij helemaal gek geworden?' Bij mij zou dat niet gebeurd zijn. Ik laat niet een klein kind met een stok en een papieren lamp in die ruimte lopen.
      Ook hoor je commentaar:
      "Het is heel goed om je agressie ..... enzovoort.....".
      Die tekst hoort niet eens bij dat fragment. Die kwam uit onze intellectuele gesprekken: Het is zo goed om je agressie te uiten, want kijk maar eens wat er gebeurt als je het niet doet (Freud).

      Ik heb lezingen gegeven, ging met die film op pad. Ik werd gevraagd. Een opleiding voor verpleegsters, gastcolleges op de subfaculteit psychologie. Ik kwam in de gekste locaties terecht. Allemaal mensen die met opvoedkunde te maken hadden. Ik neem aan dat CRM die film gesubsidieerd had en allerlei instituten en clubjes meldde dat die film af was.
      "Mevrouw Connie hoort bij de antiautoritaire crèche."
      Meestal waren de mensen kwaad over de film. Niemand praatte in de pauze tegen me nadat ze die film hadden gezien. Als ik zei dat het geënsceneerd was, dan werden ze wat rustiger. Vooral over de blootscènes werd veel gepraat.
      Dan zei ik: "Het is vreemd dat je een kind overal mag aaien behalve bij zijn piemel. Dus dat begrijp ik niet." Dat was dan even moeilijk natuurlijk. "En nee, het is helemaal niet zo dat we met ze naar bed gaan of dat we ze betasten. Denk liever na over wat echt vies is. Een drol is vies." En letten ze er wel op dat ze de lijntjes zagen als twee kinderen aan het vechten zijn? Wie is de agressor? Soms bouwt een kind die agressie op en pakt dan iets af of maakt iets kapot of slaat een kind. Je moet een kind leren meteen naar de agressor te gaan, niet te blijven zitten met dat gevoel en dat dan te laten ontladen.
      Wij ouders moeten proberen om onze eerste, primaire, reacties voor ons te houden. Die primaire reactie is namelijk de reactie die onze ouders ons hebben aangeleerd. Pas als we ervan overtuigd zijn dat het een goede reactie is, dan mag die. Maar dan weet je waarom je zo reageert en ben je overtuigd van het nut ervan.
      Ik vond dat toch zinnige gesprekken, daar heb ik veel aan gehad.

      Reinoud is nu automonteur, 26 jaar en krijgt een kind. Een bijzondere jongen, dat is ie. Hij en zijn vrouw passen zo ongelooflijk goed bij elkaar. Hij was puber en wou niet leren. Was kwaad. Hij heeft uiteindelijk de hardste weg genomen. Iedereen is gaan studeren, maar Reinoud ging naar de streekschool. Echt een totaal ander milieu; kwam ie regelmatig upset van thuis.
      "Wie is je vader eigenlijk?" wilden ze weten.
      "Dat gaat je niks aan."
      "Waarom dan niet?"
      Hij deed niet mee aan dat 'huisje, boompje, beestje'. Dat eerste jaar kreeg hij allemaal nieuwe vakken (Nederlands, scheikunde, wiskunde, natuurkunde, noem maar op). Met glans gehaald!
      Zijn vader is apetrots op 'm. Ik ook. Hij werkte met geavanceerde apparatuur, verhuisde naar Leiden en kwam via Renault terecht Alfa Romeo en werd chef werkplaats. Hij kan omgaan met klanten en heeft verantwoordelijkheidsgevoel.
      Tot mijn verbazing heeft hij ook meningen die je naar mijn idee niet hardop kunt zeggen.
      "Jij weet niet waar je het over hebt, ik heb met ze te maken." zegt ie.
      "Ik wil niet dat je generaliseert."
      Hij heeft zo zijn mening over mensen die een uitkering hebben.
      Afgelopen jaar is hij ontslagen: Alfa Romeo stootte een poot af. Ik dacht: Wat is dit goed voor jou. Hij zit nu in Egypte, is aan het duiken. Hij werkt er hard voor. Hij heeft een huis gekocht, heeft een fantastisch huwelijk. Hij roept dat hij alles heel anders doet dan ik: hij plant alles. Scheidingen en verhuizingen, dat zijn dreunen voor hem geweest.
      Reinoud is heel rechtlijnig: "Het is zo en niet anders." Hij en zijn vrouw weten alles heel zeker. Wij hebben het dus nergens over, en als dat toevallig wel eens gebeurt, zeg ik: "Zo het is genoeg."

      Pas hebben we een documentaire gezien van Marije Meerman, die ook op die crèche zat. Ik weet niet hoe Reinoud zal reageren op die film. Als hij die ziet, barst hij misschien weer los: Ik heb altijd raar gedaan, een huis gekraakt, dingen gedaan die niet mogen, die andere mensen niet doen. Hij kan er niet om lachen. Daar zijn mijn kinderen mee opgevoed, dat je andere dingen doet dan andere mensen. Ik zag aan hun gezichten wanneer ze wilden dat ik me gedroeg.

      Ik was zelf opgevoed met het idee dat een kind een onbeschreven blad was, een tabula rasa. Kinderen imiteren volwassenen. Jouw gedrag is dus was zij nadoen. Gedrag leer je aan. Nu denk ik heel anders over opvoeding. Het kind is eigenlijk al klaar als het is geboren. Je kunt het nog iets bijschaven. Je kunt het laten zien wat jij niet prettig vindt, of wat de maatschappij niet tolereert.
      En dat is het.









      MARIETJE (Nijmegen)

      Marietje was de vaste leidster van de crèche 'Pater Brugman' in Nijmegen

      Ik had een bibliotheekopleiding, ging MO-pedagogiek studeren, nam ontslag bij de openbare bibliotheek, werd werkloos en moest wel mijn studie financieren. Kwam in die periode, 1971, terecht als leidster in de antiautoritaire crèche. Het was de eerste crèche in Nijmegen. Het sprak me aan, op die manier met kinderen werken.

      "Conflicten tussen kinderen moeten zoveel mogelijk door henzelf opgelost worden. Dat wil niet zeggen dat het recht van de sterkste moet gelden. Het is niet erg als kinderen vuil zijn. Snottebellen mogen natuurlijk wel afgeveegd worden, maar niet dwangmatig de hele tijd.
      Er mag van seksualiteit geen taboe gemaakt worden.
      (Uit: punten aangaande de rol van de leidster in de kresj, december 1971)
      Over het lage salaris werden excuses gemaakt. Ik geloof, iets van tweehonderdvijftig gulden. Het ging allemaal low-budget. Eens in het half jaar werd met inzet van de ouders het hele pand weer behangen, geschilderd en het overal bij elkaar gescharrelde speelgoed schoongemaakt. De ouderbijdrage was naar rato, min of meer.
      Er werden discussieavonden georganiseerd. Eigenlijk was die crèche ook een gespreksgroep voor de ouders, een opvoedkundige gespreksgroep, waar meer dingen ter sprake kwamen dan als je met zijn tweeën thuis zat.

      Doordat de ouders rouleren per ochtend, kan het kind kennis maken met meerdere "volwassen" personen. Hieruit kan zich een kritisch bewustzijn ontplooien t.o.v. de volwassenen, hun eigen ouders in het bijzonder.
      Uit: discussiestuk over onafhankelijkheid. (Augustus 1972)
      "Van jou mag hij op de muur tekenen, maar ik vind dat hij dat niet moet proberen, want dan doet ie het bij oma ook."
      Natuurlijk had je sterke en zwakke kinderen. Maarten bijvoorbeeld was een heel verlegen jongetje. Die moest je wat ruimte geven, wilde hij ook het stepje durven pakken. Hij en Ivo, een heel dik en bang jongetje, waren de meest teruggetrokken, verlegen kinderen. Zo'n kind had wel een flink postuur, maar daar was hij zich niet van bewust, anders had ie daar veel bij kunnen winnen. Of die zich echt gelukkig heeft gevoeld op de crèche, dat weet ik niet.
      Daantje behoorde tot de sterke kinderen. Zo'n Daantje wou alles wat er was. Zat jij bij iemand op schoot, dan moest hij erop. Als hij vond dat hij de fiets moest hebben, dan was hij niet te flauw om dat onder een ander kind vandaan te rukken.
      Als Anemoon de kans kreeg haar jongere broertje te knijpen, het buikje om te draaien, te kijken wat het lijen kon, zeiden de ouders:
      "Maar Anemoon, dat moet je toch niet doen. Dat is niet lief."

      Op de foto's die ik heb stralen de kinderen, ze glanzen. Ze hadden het er gewoon goed. Er was één ouder bij op die ochtenden, een moeder meestal. Bij die ouders zaten geen spoken of heksen. Er werd goed en leuk met de kinderen omgegaan.
      Het pand had een voordeur, één ingang voor beide crèchegroepen. Die deur mocht niet op slot, terwijl het pand direct aan een verkeersstraat lag. De theorie was dat ze moesten leren de deur niet open te maken. Ik wist dat die kinderen hem open konden maken, dus ik draaide stiekem de sleutel om. Ik kon niet op tien kinderen tegelijk letten.

      "Het is belangrijk dat de kinderen groepsgevoel ontwikkelen en zich in de groep thuis voelen. Dit wordt bevorderd door groepsbezigheden en doordat ze gedwongen worden sommige dingen zelf te regelen en te delen.
      Uit: punten aangaande de rol van de leidster in de kresj, december 1971
      Ik kan me niet voorstellen dat die kinderen er slechter van zijn geworden. Waarschijnlijk zijn ze iets meer groepsgericht: niet eerst voor jezelf zorgen en dan kijken wat je nog voor de ander hebt. Ze hebben, ook na schooltijd, in groepjes geopereerd, logeerpartijen bij mekaar. Ze wipten heel gemakkelijk in en uit bij andere gezinnen: jouw huis is ook mijn huis, bij jou voel ik me ook thuis, misschien meer dan bij ooms en tantes.
      "Wat is het vandaag? Dinsdag, o dan gaan we naar Marieke."
      Ze hebben nu eenmaal in zo'n alternatief circuit gezeten en bij hun ouders een soort groepsgedrag gezien wat niet elk kind te zien krijgt. Had ik zelf kinderen gehad, dan zou ik die ook op zo'n crèche gedaan hebben. Niet perse om dat antiautoritaire, maar men nam de kinderen heel serieus.

      Het was een experiment met goede bedoelingen.









      Een groep ouders uit Amsterdam Zuid-Oost / crèche Kikkestein

      In 1995 blikken ze samen terug op die tijd. Gezellig!

      De meesten van ons trouwden in de zeventiger jaren en kwamen in de Bijlmerflats te wonen met Kikkestein als hoofdkwartier. De vrouwen waren net (weer) zwanger (geweest), soms gescheiden, met een baantje of uitkering. De meeste vaders studeerden antropologie of geneeskunde of iets dergelijks. Hoewel een enkele vader een veertigurige werkweek had, was er aan vrije tijd geen gebrek. Een enkeling deed avond HTS. Wat een actieve mensen.
      In die tijd had je op TV Kijken naar kinderen van de VPRO. We waren geabonneerd op Ouders van nu. In de groep bespraken we boekjes, zoals De wereld van het kind.

      Kikkestein zat vol jonge mensen die kinderen begonnen te krijgen. Het idee van de speelzaal werd voorzichtig geboren, zonder dat daar een ideologie achter zat. De werkgroep 'speelzaal' was onderdeel van de bewonersvereniging. Die besloot een huis-aan-huis-enquête te houden, bij alle bewoners. Daaruit bleek dat kinderopvang voor en door bewoners populair was.
      Een actieve bewonersgroep verzette zich tegen de regenten van de woningbouwvereniging Rochdale en wilde dat de gemeenschappelijke ruimtes - die gemeente wilde inpikken voor woningen - gebruikt konden worden door de bewoners.
      In 1970 hebben we die gezamenlijke ruimte gewoon in gebruik genomen. Zo ging dat in die tijd. Je kraakte ruimtes, van de universiteit bijvoorbeeld, en ze hoefden er vervolgens maar weinig voor te betalen. Stond er ergens een school leeg, die gesloopt zou worden, dan werd die gekraakt. Vervolgens werd er om subsidie gezeurd en gekregen. Het was nog voor de eerste oliecrisis, dus er was geld genoeg.
      De Bijlmergroep was overigens tegen subsidie; we wilden niet afhankelijk zijn. We vonden dat we het zelf moesten doen, ook al leefden we van een studiebeurs of een renteloos voorschot. Veel ouders van de Kikkestein-crèche kwamen uit de linkse hoek, CPN.
      Met een drilboor verbonden we twee flats met elkaar. Vier kamers voor vijftien kinderen, een kamer vol zand. Je had ook het natte gedeelte, waar je kon kliederen met water. De zandbakkamer werd om de zes of acht weken verschoond; een weekend werk met emmers betekende dat. Dan was er een ruimte om voor te lezen, een ruimte om te slapen en een om te scooteren.
      "Daar wilde ik mijn kinderen wel onderbrengen."
      "Ik had een volle baan, maar ik kwam wel zoveel mogelijk bij de bijeenkomsten en deed mee met de vakantieweken. Weekends en zelfs hele weken kampeerden we met elkaar. Ik vond het een heel gezellige club en voelde me wel thuis. In die tijd ben ik ook politiek bewust geworden. Toen ben ik pas gaan nadenken over hoe alles in elkaar zat."
      We gingen nadenken over de achtergronden van opvoeding, verzamelden informatie en ontwikkelden ideeën. Je hoefde niet per se op CPN te stemmen, als je maar wel socialistisch was. Ook bij ons werd de film Opvoeden tot ongehoorzaamheid bekeken. Commentaar:
      "Dat gaat wel erg ver!"
      "Je moet toch wel wat regels hebben, want anders houden we het niet in de hand."

      Kinderen moesten in contact komen met andere kinderen. Wij vonden dat we nogal geïsoleerd woonden in de Bijlmer. Er bestond behoefte om met elkaar een soort woongemeenschap te vormen. Het was onjuist als de kinderen de 'dictatuur' zouden ervaren van slechts één type ouders. De kinderen konden, naast hun eigen ouders, in zo'n groep ook andere mensen kiezen bij wie ze zich veilig voelden.
      We durven er nu geen eed op te doen dat die behoefte alleen maar sloeg het opvoeden van kinderen. We wilden ook zelf graag in een groter verband functioneren. Een soort commune.
      "Ik woonde niet in Amsterdam, kwam uit Brabant. Ik kwam hier en gaf mezelf drie weken de tijd om kinderopvang te vinden, ontdekte Kikkestein en belde aan. De ouders spraken me vriendelijk aan, maar zeiden dat ze niet konden praten tijdens het crèchegebeuren. We maakten een afspraak. Ze zouden op huisbezoek komen! Dus kwamen op een avond twee mannen aan de deur. Die hebben in korte tijd verteld wat ze wel en niet vonden. Bijvoorbeeld: twee dagen in de week is echt te weinig. Ik kreeg heel netjes een paar weken bedenktijd van de heren en mocht een keer meelopen in de crèche. Ik vond: "Dit is het!" en werd vanaf dat moment actief. Ik moest altijd een kwartier fietsen met twee kinderen. Dit was in 1972."
      Natuurlijk, kinderen hadden soms last van agressieve gevoelens. Daar was ook ruimte voor, letterlijk, dat ze dan met dingen mochten smijten of iets dergelijks. Als je merkte aan een kind als er veel vuur in zat, energie in zijn body, dan ging je met zo'n kind even naar buiten of met zand gooien in de zandbak. Of je gooide en smeet met iets anders, je haalde er een emmer water bij. In een te kleine ruimte zou dat escaleren.
      Tijdens ouderbijeenkomsten zaten we met elkaar om de tafel en spraken alles door, ook de aanpak van de kinderen. Er was een moeder met twee kinderen waarin veel geïnvesteerd werd. Eén van die kinderen, de jongen, had echt agressief gedrag, bijten en zo. De groep probeerde moeder te ondersteunen, ook vanuit de theorie. Het heeft maanden geduurd voordat er iets veranderde in het gedrag van dat jongetje, maar het lukte. Daar werd tot diep in de nacht over doorgepraat, met huilpartijen en zo. Ja, wat wil je, als het je eigen kind is.
      Dan was bijvoorbeeld een kind verdrietig. Dan zei je tegen een ander kind: 'Je moet even wachten want kijk, zij is verdrietig, zie je wel, ze huilt'. Zo praatte je met de kinderen. Daarin corrigeerden we elkaar ook vaak. Dat was het leuke van samen opvoeden, dat iemand je dan op dingen wees. Pijn doen aan een ander. Dat was altijd een hot item. Anderzijds, je moest er niet meteen bovenop springen. Aldoor maar bang zijn dat er iets gebeurt...! Graag even aankijken of de kinderen het zelf niet kunnen oplossen.
      Een kind mocht best boos zijn op een ander, maar het mocht niet te ver gaan, nee, dat kon niet. De kinderen moesten de ruimte krijgen en hun creativiteit ontwikkelen. Autoriteit werd gezien als dwang en dus ongewenst. Kinderen moesten veel, maar niet alles zelf uitzoeken. Dan kreeg je het recht van de sterkste en dat wilden we niet.

      Poepen en piesen ging gewoon in de zandbak, zelfs in het poppenhuis. Dat kwam echt wel voor. Het idee was dat, als je die kinderen nu maar hun gang liet gaan, het dan het wel in orde kwam. Overal stonden po's en de kinderen gingen op een gegeven moment vanzelf op een po. Ze vonden dat heel mooi. Een jongen en een meisje waren heel verdiept in elkaars geslachtsdelen: Wat is dat? Dan greep je niet in. Maar je kunt je ook voorstellen dat die nieuwsgierigheid verder zou gaan, dat ze gaan onderzoeken of je daar een lepel in kunt duwen. Nou, dan zou je dus ingrijpen.
      Of ze kwamen aan je tieten. Ze trokken soms de moeders hun bloezen open en kropen onder hun rokken. Dat vonden de omringende Bijlmerbewoners gênant en sommige vrouwen hadden daar moeite mee. Maar in dat geval moest je het niet laten gebeuren, je moest ook je eigen grens stellen. Maar als 't je niets deed, of als je het op een rustige vanzelfsprekende manier kon laten gebeuren, waarom dan niet? Opvallend was dat kinderen dat wel aanvoelden. Bij sommige moeders deden ze dat gewoon niet.
      "Soms werd ik gewaarschuwd: Er komt iemand mee. En dan mocht ik niet bloot op het balkon zitten. Ik maakte daar ook geen punt van en deed dan een bloesje aan. Ik dacht: dan ga ik later wel weer in mijn blootje liggen. Maar als het warm was en we waren ergens en ik wilde zwemmen, maar ik had geen badkleding bij me, dan ging ik zwemmen, wat ze ook zeiden. Ja kom op zeg, dan wilde ik zwemmen. Mensen vonden het vreselijk. Maar ik zwom graag."
      Bij de Kikkestein-groep waren gaandeweg heel mooie contacten ontstaan tussen de kinderen en tussen de ouders. We hadden wel eens coupés afgehuurd om met z'n allen naar Frankrijk te gaan, fantastisch, onvergetelijk. Daar werd van buitenaf ontzettend jaloers naar gekeken, men zou daar graag bij willen horen. Mensen kwamen op die warmte af, meer dan op de ideeën. Mensen die zich verloren voelde in de Bijlmermeer; het werd een soort Riagg.
      Maar de groep werd te groot en voortdurend investeren in nieuwe mensen die binnenkomen, niet te doen. De groep werd steeds heterogener. Het gebeurde zelfs dat iemand uit Kikkestein werd geweigerd. We konden toch niet met elke nieuwe ouder ook de doelstelling te veranderen? Mede doordat er minder gelijke uitgangspunten waren, werd 'de oude hap' strenger. Oude pamfletten, groene boekjes van de begintijd werden opeens als bijbels beschouwd.
      Eind '78 was er een probleem op de crèche, naar aanleiding van een evaluatiestuk. Op 7 december 1978 een eerste vergadering, gevolgd door een tweede en derde op 10 en 11 december. Hete discussies waarbij mensen huilden en schreeuwden en wegliepen. Er was veel onvrede. Het ging om mensen die op dezelfde manier door wilden gaan en mensen die een verandering wilden. In de beleving van de 'oude hap' werd de crèche netter. Die crèche veranderde.

      Dat ze wel eens stickies rookten en experimentjes deden met paddenstoelen, daarover maakten we ons niet echt zorgen over. Wel waren we fel tegen snoepen en roken. Dat nemen de kinderen ons nog wel eens kwalijk.
      Soms botste het, zette zoon of dochter zich sterk af tegen de opvoeding, tegen de opvoeder, die in een boemanrol wordt gestopt, die zegt: Tot zover. Tot zo laat. Een tweeling had de autosleuteltjes van pa gepikt. Joy-riding. Een moeder beklaagt zich over haar brave dochters: Die hebben helemaal niet geëxperimenteerd, ook niet met jongens. Waren ze ook maar eens een nacht niet thuis gekomen. Ze waren een beetje te mak, soms. Nu zeggen ze: Maar alles mocht ook eigenlijk van jullie. Het was geen item. Jullie waren veel te soepel.
      Het oplossen van conflicten hebben de kinderen voor een belangrijk deel van elkaar geleerd, in de crèche al. Het gebeurde wel, als de ouders ruzie hadden, dan sprong de dochter ertussen en riep: En nu wordt er gepraat! Hou jij je mond, want zij heeft iets te zeggen. Prachtig toch? Ze komen voor zichzelf op, maar ze kunnen ook goed luisteren. Dat hebben ze mede geleerd van die kindergroep. De eerste kindergroep was daar sterk in.
      "Ik zou het weer precies zo doen, ook omdat ik denk dat de grenzen net genoeg zijn geweest. Wij kwamen uit een situatie met een teveel aan grenzen, dus wij stelden er minder. Maar ze waren er wel. Kijk eens om je heen, hoe het nu is. Het doet mij pijn als ik nu een kind zie dat echt geen grenzen krijgt. Kinderen komen daardoor in de knel. Ik zit wel een met vrienden op een terrasje en dan ergeren we ons aan de ouders die menen dat hun kinderen gewoon maar alles moeten kunnen en andere mensen die daar zitten te eten, lastig vallen."
      In die tijd was het geen slechte manier om je kinderen op te voeden. Ze hebben met elkaar iets wat weinig andere kinderen hebben; ze kunnen met elkaar heel veel lol hebben, nog steeds. Dat heeft toch te maken met de sfeer die we indertijd voor de kinderen gecreëerd hebben. Andere ouders hebben verhalen over de jeugd die niet deugt. Nou, daar zijn wij het niet mee eens. Wij zien hartstikke leuke jonge mensen. Laten opvoeders oppassen voor te veel grenzen en te veel structuur.

      We hadden geen duidelijk doel voor ogen. Het was de bedoeling dat de kinderen maatschappijkritisch zouden worden. En kijk, een zoon zit in de krakersscène en is totaalweigeraar. Zijn zus zit in hetzelfde kraakpand. Ze weten zich staande te houden. Maar of dat nu de invloed van de speelzaal is? Sommigen zijn op zoek naar hoe ze in het leven verder moeten, niet duidelijk of ze een carrière voor ogen hebben, of dat ze helemaal niet willen werken.
      "Ik vond mijn dochters niet zo politiek bezig. Een poos miste ik dat ze eens wat uitgebreider de krant lazen. Ik dacht: waar voeden jullie je mee? Teleurstellend! Het is dus niet zo dat die crèche-opvoeding het politiek bewustzijn heeft wakker geschud. Nu heb ik daar niet meer zo'n last van. Ik heb die jongeren twee à drie keer per jaar bij mij aan tafel en als ik de discussies hoor, dan sta ik versteld over hoe kritisch de gesprekken gaan. Tot diep in de nacht, alles wordt besproken. Dan denk ik: waar ben ik bang voor geweest?"
      Misschien kunnen we weer leukere grootouders zijn dan onze ouders waren.









      Dino R was student psychologie en werkte mee op de crèche Prins Konstantijn.

      1995
      Zelf had hij geen kinderen.

      We organiseerden een congres met de ASVA en de Kritische Universiteit in de Oudemanhuispoort. Daar waren ook mensen uit Nijmegen. Er bestaat een heel beroemd affiche van: een klein bloot kindje geeft een schop tegen een kinderwagen, bestuurd door kapitalisten. Het is te vinden bij het Gemeentearchief. Op het congres waren ook mensen uit Berlijn, theoretische mensen en mensen uit de Kinderladen, en Daniel Cohn-Bendit, vanuit Frankfurt. Dat congres markeer ik als het beginpunt van de beweging in Amsterdam.

      Daarna is er een soort gespreksgroep ontstaan op het toenmalige ASVA-kantoor op de Weesperstraat. Ik was daar secretaris. Het initiatief kwam vooral van studentenouders, vanuit de behoefte te willen studeren terwijl je kinderen hebt. Een Nederlandse jongen, Piet de Vries, ging in Berlijn studeren en die reikte ons de theoretische inzichten aan. Die werd gevoed met ideeën van de Kinderladen in Berlijn.
      We wilden praten over een andere manier van opvoeden en dat verbinden met maatschappelijke strijd. De pedagogen - en daar hoorde ik bij - baseerden zich ook op de ideeën van het austro-marxisme: psychoanalytische school die vooral bronnen had in de Oostenrijkse theorievorming met linken naar de Frankfurter Schule. Daar doorheen speelden de problemen van emancipatie van de Sexualpolitik (Sexpol). We wilden de seksuele moraalgrenzen verlagen, ons daarvan vrij vechten.

      We zochten naar een ruimte waarin we de ideeën konden vormgeven. De groep ouders was er; nu nog een gebouw. Er was leegstaande ruimte op de Huidenstraat, een prachtig oud pand, helemaal verwaarloosd. Dat heeft de universiteit toen aan ons gegeven, mede ook voor Crea. Ik heb ook Crea opgericht, met Frits de Jong, voorzitter van de culturele vereniging, de Civitas.
      De crèche-ouders en mensen van Crea verbouwden de drie, vier verdiepingen. Op de bovenverdieping kwamen oefenruimtes, geschikt gemaakt voor het theater. De benedenetage, die grensde aan de achtertuin van het Herenlogement, werd omgebouwd voor crèche, dus met kinderwc'tjes en zo. Er was een keukenruimte en een watervoorziening in de tuin.
      Het heeft een jaar geduurd of zo, inclusief de onderhandelingen, voordat we daar definitief naartoe konden. Daarom begon de crèche alvast in de Kosmos, waar toen ook de Dolle mina gehuisvest was. Daar is een stuk van de film De Heilige Familie opgenomen. De Prins Konstantijn startte dus - met acht kinderen - in de Kosmos en ging een jaar later over naar de Huidenstraat.

      Iets eerder was de crèche Het Witte Kinderplan gestart op de Nieuwmarkt, volgens mij in een voormalige kleuterschool. Uiteraard was die gekraakt. Ook die hebben de ouders helemaal zelf opgeknapt. Mijn toenmalige vriendin was daarbij.
      De afstand tussen Nieuwmarktbuurt en Prins Hendrikkade was klein. Er waren (ideologische) contacten en verschillen. De Prins Konstantijn kwam voort uit UvA en het Witte Kinderplan vanuit Provo, kunstenaars. Er waren mensen die heen en weer zwenkten tussen het ideologische van Prins Konstantijn en het veel vrijere van het Witte Kinderplan. Daaronder was een wethouder, een van de organisatoren van dat congres.

      Ik begon dus op de 'Kresj' als studentenvertegenwoordiger, zal ik maar zeggen, vanuit de studie. Als student-medewerker paste ik op de kinderen. Het was in de eindfase van mijn studie en ik dacht over hoe je ideeën in de praktijk moest brengen. De echte theoretici waren Piet de Vries en Theo Schuller.
      Toen ik net was afgestudeerd, schreef ik een artikel, een beetje obscuur, vind ik nu. Er was veel interesse van buitenaf en we hadden een soort neiging tot afschermen. Van alles liep namelijk door elkaar, zoals impulsen om communes te vormen, wat ook gebeurde. Ik ben samen gaan wonen met een vrouw die twee kinderen op de crèche had. We wilden geen sensatiejournalistiek.

      Achter de Kosmos was een sauna. Dat was lastig, want wij wilden met die kinderen buiten spelen, maar de Kosmos wilde dat stuk gebruiken voor de mensen in de sauna, dat die een beetje buiten konden lopen. Het was chaos daar, maar allemaal heel vredelievend.
      De eerste pedagogische ideeën die we uitprobeerden, gingen vooral over het uitproberen van de seksualiteitsopvoeding. Dat de kinderen allemaal in hun blootje moesten kunnen lopen en die ouders ook. Veel lichaamsdingen: elkaar natspuiten, elkaar verven.
      De kinderen gingen lichamelijk goed met elkaar om. Ongegeneerd. Dan gingen we met die kinderen naar het park en ook daar liepen ze bloot. Dat was gek voor andere kinderen en andere moeders. De kinderen waren al zo antiautoritair, dat ze geen fatsoensnormen hadden tegen andere volwassenen. Vrijuit klommen ze op schoot of stelden rare vragen.
      Dat ouders ook in hun blootje liepen (dat gebeurde af en toe), hing samen met het seksuele je vrij vechten. Het moest gewoon zijn als je in natuurlijke staat rondbanjerde. Ga maar bloot staan en dan gingen drie kinderen je beschilderen, ook je pik. Het zal best voorgekomen zijn dat mensen dat lekker vonden. Je zou aan ouders zelf moeten vragen in hoeverre ze zich uitgeleefd hebben. De ouders waren voor 65% procent met hun eigen ontwikkeling bezig.
      Er was een ideologische vrije ruimte waarin mensen extreme dingen konden uiten. We ondervroegen elkaar wel over ons gedrag. Het was de tijd van psychotherapie en communes.

      We hadden tweewekelijkse vergaderingen. Wat daar allemaal niet werd besproken!:
      Over roosters en tijden. Of je de kinderen mocht brengen en halen als het je uitkwam. Soms wilden ouders hun kinderen langer achterlaten dan de oppassers hadden afgesproken of dat die kinderen konden velen.
      En over de vraag of je kinderen wel zo lang droppen mag? Hoe zit dat met de bindingsrelatie? Is het mogelijk dat kinderen zelfstandig een zelfperceptie ontwikkelen als ze met meerdere identificatie- en zorgpersonen omgaan? In Nijmegen was het juist heel belangrijk dat er veel volwassen voorbeelden waren. Nijmegen was sowieso veel strenger in de leer dan Amsterdam. Het idee van de solidariteit tussen de kinderen onderling: daar ging het om. Dat die kinderen met z'n vieren zeiden: we willen vanavond daar slapen. Dan kwam zo'n vader naar de crèche, maar dan ging het kind niet mee, of ze nou naar oma zouden, of niet.
      Het ging over structuur aanbrengen in de eigen opvoeding thuis, of over de visie dat kinderen van elkaar moesten leren, moesten leren samenwerken, tolerantie voor elkaar opbrengen, ruzies leren oplossen. Ze leerden delen. Belangrijke dingen waren heel gewone dingen: zoals niet voor de tweede keer iets pakken als een ander kind nog niets gekregen had.
      Er was een discussie over ingrijpen, niet zozeer over afstraffen. Straffen was toch altijd wel lastig hoor. Ik geloof niet dat ik weleens straf heb gegeven.
      Het begrip antiautoritair had een theoretische lading, een soort verzetsideologie van verlichte bourgeoisie. Moest je het niet socialistische opvoeding noemen? Die van het laissez-faire vonden: kinderen moesten het allemaal maar meemaken: de pijn, ruzie. Die met het socialistische principe: de kinderen moeste een kritische, onafhankelijke verzetshouding tegen terreur leren innemen. Zij waren voor normen, de laisser-faire ouders niet. Die wilden de begrenzingen van de samenleving uitproberen en projecteren op hun kinderen.
      Over emancipatorische impulsen en hoe je die vertaalt in politiek. Wat je wilt en wat je kunt realiseren. Over 'elite' zijn en in hoeverre je je met arbeidersstrijd verbinden wilde. En dus: moeten we arbeiderskinderen op de crèche hebben? In de eliteversie moest de laissez-faire opvoeding doorgaan. Anderen vonden: nee, want ze moeten straks gewoon de samenleving in.
      Moesten de kinderen met meerdere opvoedingsstijlen om kunnen gaan?
      Echte regels zijn volgens mij pas gemaakt in de Huidenstraat.

      Er was een vaste kracht en een hulpouder of iemand als ik. Bij je eigen vader of moeder had een kind meer praatjes of sneller een toevlucht als ie in het nauw kwam. Dat was best lastig voor de vaste kracht, want die wilde daar gelijkheid in houden. Dus die moest die ouder kapittelen: Ga je er niet mee bemoeien, niet gaan beschermen.
      Ze gingen een dag per week met een andere vader of moeder naar huis. Ze konden dan ontsnappen aan de spanningen van thuis. Dat moest je toelaten; kon lastig zijn voor de biologische ouders. En dan namen die kinderen andere normen mee terug naar huis: Daar mag dat wel en hier niet. Het delen van die opvoeding van de kinderen was een belangrijk probleem voor die ouders.
      Zelf nam ik soms ook kinderen mee en die bleven dan bij me slapen. Prima vonden die ouders dat. Er waren ouders die zeiden: bij Dino R is het zo, maar bij mij doe je zus. Er waren ook ouders die vonden dat ik het op hun manier moest doen. Weer een discussiepunt op de besprekingen.

      Met de wat oudere kinderen gingen we op stap; dan bleef er iemand achter bij de kleintjes. Je nam de kinderen mee de buurt in, een stuk of zes, en dan gingen ze melk kopen bij de melkboer. Dat was in het kader van de zelfredzaamheid. We bezochten de de brandweer, de politie, de verkeerspolitie. Ze moesten alle maatschappelijke instellingen leren kennen. Politie en brandweer vonden het wel interessant om uit te pakken over hun beroep. Die macho-mannen waren vertederd door kleine kinderen. Bovendien waren er meestal mooie dames bij.
      We zijn eens met een groep kinderen naar het Vondelpark gegaan om ze te leren hoe ze daar bij het water konden spelen, namelijk dat ze op hun buik moesten gaan liggen. In plaats van aan de waterkant staan en dan in het water kukelen. Ik zie dus voor me dat die kinderen allemaal op hun buik bij het water liggen en met een tak in het water roeren, heel veilig. Je hoefde die kinderen dus niet aan een touwtje te houden.
      Het leukste vonden de kinderen natuurlijk toch de speeltuin. Die kinderen waren normaler dan wij. Het ging heel veel over hoe konden de kinderen met elkaar omgaan, met een soort solidariteit, ook tussen jongere en oudere kinderen. Oudere kinderen gingen de jongere leren een broodje te smeren. De jongere kinderen sliepen in een aparte ruimte.
      Spelen met andere kinderen dan die van de crèche was er eigenlijk niet bij. In die zin was het één grote familie.

      Er zijn meerdere generaties kinderen geweest. De crèche heeft tot '74 - '75 bestaan. De eerste groep ouders waren studentenouders, en hevig bezig met de theoretische en de praktische discussie. De vrouwen waren met praktische dingen bezig: "Jullie kunnen wel leuteren, maar er moet ook worden opgepast. Wie neemt de luiers mee, wie maakt er schoon?"
      Er waren voortdurend conflicten tussen mannen en vrouwen. Wie ruimde het speelgoed op, wie kleedde de kinderen weer aan, wie veegde het zand op. Dat deden voornamelijk de vrouwen en die stelden dat ook voortdurend aan de orde. De mannen reageerden ontwijkend: dat is toch niet echt belangrijk. De mannen bouwden de tuin om. De kinderen vonden dat prachtig: mochten ze dingetjes verbranden, bomen omhakken. Dat deden de vrouwen niet. De kinderen hadden volstrekt geen problemen met mannen- of vrouwenrollen. Ze klampten aan wie ze wilden als ze iemand ergens voor nodig hadden.
      De tweede generatie ouders, dat waren praktischer mensen met meer contacten tussen verschillende crèches, met Noord, Zuid-Oost, Nijmegen. Er kwam een blad, Strukkel. Volgens mij zijn er twee uitgaven van verschenen. Het werd geraapt in Antwerpen en gedrukt in Friesland. De discussies daarin werden gevoed door socialistische principes, liberale uitgangspunten, doorbreken van klassen, Sexpol.

      De vraag was: wat doe je met de oudste kinderen uit de crèche. Bereid je ze voor op de kleuterschool? Wie kiest de kleuterschool? De kinderen? Een aantal mensen vanuit Prins Konstantijn hebben ervoor gekozen hun kinderen naar de arbeiderskleuterschool te sturen, de gewone kleuterschool. In de crècheperiode lukte het niet om een link te leggen met arbeiderskinderen. Dat kwam pas in de kleuterperiode.
      Aan de overkant op de Oude Schans was een kleuterschool, daar ging een aantal naartoe. In de Kinkerbuurt was een beweging voor onderwijsvernieuwing gestart, daar was ik ook mee bezig.
      Een aantal ouders kozen voor De Noord. Die beschouwde ik als een soort trotskisten. Die wilden in de bestaande ordening verandering brengen. De moeder van Marije behoorde daar ook toe. Jacques Meerman was ook een van de theoretische pedagogen.
      De ouders van het Witte Kinderplan kozen voor een eigen kleuterklas. Onze groep splitste zich dus na de crècheperiode: een deel Kinkerstraat, een deel Oude Schans.

      Sommige kinderen van de crèche hadden het op de kleuterschool moeilijk, want die waren te eigenwijs. Als ze dan al speelkameraadjes vonden, dan hadden ze in het begin last met die kinderen, op speelplaatsen en in de ogen van de andere ouders. Ze werden niet zo gauw mee uitgenodigd. Zij konden niet goed vechten en andere kinderen hadden niet geleerd in een groep op te treden; die konden conflicten niet goed aan. Of ze sloegen erop los en raasden door. Dat vonden de kinderen van de crèche raar: als je met elkaar bent, dan kom je er toch op een bepaalde manier uit?
      De crèchekinderen waren vaardiger in het in een groep bewegen. Verbaal vooral; ze ouwehoerden er eindeloos op los. Dat vonden de kleuterjuffrouwen een beetje raar, en dan kregen ze ook nog die eigenwijze ouders er overheen.

      De discussie over: hoe kies je een lagere school is privé geweest. Ik hield me daar beroepshalve mee bezig. Ik sprak er in de Kinkerbuurt met alle ouders over. Ze gingen naar de Burghtschool, Montessori, de Vrije School. Wellicht waren de kinderen wat soft, hadden ze geleerd niet streberig te zijn, was competitie dubieus. Dat softe heeft vast wel meegespeeld in de basisschoolperiode.

      We hadden duidelijker grenzen moeten stellen. Het is toch slecht geweest voor de kinderen. Ouders konden de conflicten met hun kinderen niet goed aan. Verbaal waren ze wel, maar niet allen hebben geleerd om goed met conflicten uit de voeten te kunnen.
      De discussie ging vaak over het verband tussen het zich veilig voelen van het kind en de duidelijkheid waarmee de ouders regels stellen. Soms overtraden de kinderen een grens waarvan wij niet wisten dat die er lag. Dan gebeurden er ongelukken. Dan stoorden ze zich niet aan wat de weifelende ouder zei. Dan verbrandden ze hun armen of kieperden ze heet water om of ze flikkerden van een net even te hoog trappetje af. Kinderen willen weten waar grenzen zijn en gaan een stapje verder om die grens te vinden. Aan de andere kant is het heel leuk dat ze zo nieuwsgierig konden zijn.

      Ik denk dat de kinderen de meeste last hebben gehad van het feit dat de ouders zelf last hadden van een aantal dingen. Daardoor hadden de kinderen geen goede identificatiemodellen, want die ouders wisselden van partners. Later zullen de kinderen daar wel problemen mee gehad hebben.
      Die ouders stonden eigenlijk nergens voor. De autoriteit werd bij die kinderen zelf gelegd zonder dat er een duidelijke ouderrol werd opgebouwd. Onzekerheid bij ouders uit zich vaak in niet consequent zijn. Ik kon heel consequent zijn: het waren mijn kinderen niet. Consequent zijn is bepaald iets anders dan laissez-faire. Je moet dit wel met een korreltje zout nemen: ik ben zelf geen ouder.









      Kunstenaar Jan woonde in het Centrum van Amsterdam en had zijn kinderen op de crèche Het Witte Kinderplan

      1995
      We begonnen met de crèche (Het Witte Kinderplan in de Nieuwmarktbuurt) in 1969; de crèche heeft zo'n jaar of zes, zeven gedraaid. We zaten in een buurt met veel jonge kinderen. De ouders vonden het eigenlijk niet goed om de kinderen ergens naar toe te brengen en hen dan later weer op te halen. De keuze voor de crèche en het antiautoritair opvoeden kwam in eerste instantie uit een groepje moeders die met elkaar in contact kwamen. De meeste hadden wel een parttime baan. In de buurt was niks op het gebied van crèches wat leuk was. Mijn vrouw werkte parttime als verpleegster. Het idee was om alle vaders en moeders verantwoordelijk te maken voor nu nakomelingen.
      We vonden een ruimte op de hoek van de Dijkstraat, een oude bakkerij of zo, en knapten die zelf op. Ze moesten ook meedoen in het schoonmaken en opruimen. Ondanks te naam, Witte Kinderplan, waren we niet gekoppeld aan provo. We kwamen bij elkaar om te horen hoe het opvoeden ging bij iedereen; ervaringen uitwisselen in de eerste plaats en ook ideeën over opvoeding. De crèche ontstond niet zozeer vanuit een politieke of ideologische achtergrond, meer uit de praktijk.
      Vanzelfsprekend zou het er antiautoritair zijn, maar dat was in het begin helemaal niet onder woorden gebracht. In de loop van de tijd werd dat wel een woord waarmee we naar buiten traden als we nieuwe ouders er bij wilden hebben. Die werden uitgenodigd op een vergadering, om dat mee te maken en ook om zelf wat in te brengen. Er werden geen mensen afgewezen, maar er zijn wel mensen geweest die zichzelf terugtrokken. Die vonden het dan toch te weinig structuur hebben, of die vonden het moeilijk om zelf mee te doen. Of ze hadden een baan waardoor ze niet mee konden doen.
      De crèche was alleen 's ochtends open. Daarna gingen de kinderen naar huis. Ze kwamen bij ons spelen of onze kinderen bij anderen. Je was één keer in de zoveel tijd aan de beurt, ruwweg één keer in de week. En we vergaderden, in het begin eens in de veertien dagen, later één keer per week, bijna elke zondag. Dan kon iedereen. Dat komt er bij als je de verantwoordelijkheid krijgt over kinderen van andere ouders. Dan willen die ouders weten wat je uitspookt met hun kinderen. Er zijn pakken notulen gemaakt en ik heb ze heel lang bewaard.
      We schreven op wat er op de crèche gebeurde in een werkboek. Dat werd op de vergadering doorgenomen. Problemen die daaruit naar voren kwamen, werden besproken. Er zaten bijvoorbeeld een paar hele moeilijke kinderen bij die steeds weer besproken werden. Kinderen die er om de haverklap op in timmerden. Met een schepje op iemands kop sloegen. Als dat gebeurde werd er wel ingegrepen. De discussie ging vaak over de vraag of er grenzen moesten zijn, waar die dan moesten liggen. De ouders dachten daar erg verschillend over.
      Ik kende ook wel scholen in Duitsland, die vonden dat je eigenlijk niet moest ingrijpen. Die vonden dat je dat maar moest laten gaan. Dat deden wij niet, ook al vonden we dat je zo lang mogelijk afzijdig moest blijven. Daar gingen dan die discussies ook over of je wel of niet moest ingrijpen. Speelgoed afpakken werd wel getolereerd. Kinderen van wie speelgoed werd afgepakt, dachten op een gegeven moment ook: Ik laat me niet op m'n kop zitten; ik pak het gewoon weer terug. Maar er zijn natuurlijk leeftijdsverschillen waardoor je dat ook niet altijd maar zijn gang kan laten gaan. Tijdens de wekelijkse besprekingen kwam naar voren welke kinderen timide waren, op welke kinderen wat meer gelet moest worden.
      Mijn eigen dochtertje kon bijvoorbeeld erg driftig worden en erg dwars zijn. Als die viel, dan bleef ze gewoon liggen; boos. Ik vond dat ze uit zichzelf maar weer moest opstaan. Maar andere ouders hadden daar moeite mee. Die probeerden iets te bedenken om haar weer overeind te krijgen. Zo'n heel mooi, klein schattig blond meisje moet toch niet op de grond blijven liggen.
      Daarnaast werden dingen van praktische aard besproken: er moest iets worden gerepareerd of gekocht, of vervangen.

      Er waren iets meer vrouwen, maar dat ontliep elkaar niet zoveel. Vrouwen hadden iets meer armslag en tijd. Had wel iets emanciperends: vrouwen kregen meer tijd voor zichzelf en mannen werden meer bij de opvoeding betrokken. Er deden geen studenten mee. Wel kunstenaars. Je stond er in principe met z'n tweeën voor, zodat er één iemand bij de kinderen kon blijven als er sprake was van een calamiteit. Maar het kon wel eens gebeuren dat je alleen was. We wilden geen vaste kracht, konden dat zelf wel.

      Bij aankomst in de crèche gingen de kinderen meteen spelen. Er was speelgoed en een zandbak. Als kinderen bijna de kleuterschoolleeftijd hadden, gingen die eerst wat vertellen. De kinderen moesten zelf activiteiten ondernemen in plaats van activiteiten aangeboden krijgen. Kinderen gaan altijd wel wat doen. Misschien wel eens destructieve dingen, maar dan moet je uitleggen dat dat niet zo goed is. Maar als ze avontuurlijke spelletjes gaan doen, dan moet je dat alleen maar stimuleren.
      Natuurlijk, antiautoritair zijn was belangrijk. Kinderen mochten niet gaan denken dat ouders alles weten en hun dus vertellen wat ze moeten doen. Kinderen weten ook heel veel op hun eigen niveau. Zij kunnen zelf bepalen wat ze willen doen. Dat ik kinderen weinig wilde beïnvloeden, kwam waarschijnlijk vanuit mijn idee dat je creativiteit moet stimuleren. Ik wilde kinderen niet beïnvloeden, zo min mogelijk stereotypen erin pompen. Op de crèche waren poppen, er was verf, klei, tekenmateriaal, dingen om te stapelen en te bouwen, er was gereedschap. Er werd heel erg op gelet hoe de kinderen daarmee omgingen. We legden uit hoe ze dat moesten doen.

      Wat fijn was van de antiautoritaire opvoeding is dat de kinderen veel volwassenen kenden waarmee ze ook een band hadden. Met die mensen gingen ze op een vertrouwde manier om. Ze konden vaak bij elkaar spelen en logeren. Moeders kwamen ook hier langs met kinderen; dan werden er pannenkoeken gebakken.
      Er waren natuurlijk ook moeders en vaders met wie ze het moeilijk konden vinden. De één vonden ze veel leuker dan de ander. Zo van: die stomme die en die was er weer.

      We probeerden allochtonen uit de Nieuwmarktbuurt erbij te betrekken, maar dat was moeizaam. Die vonden ons een beetje viezig. Wij kochten tweedehands kleren. Misschien vonden ze dat we ons kinderen verwaarloosden. Onze kinderen mochten zich vies maken, en dan kwamen ze met verf op hun kleren naar buiten. Er was in ieder geval een zekere weerstand.

      Een paar mensen uit de groep lazen literatuur over opvoeden en die praten daarover op de bijeenkomsten. Maar ik was theoretisch niet zo geïnteresseerd. Ik deed wel mee met de discussies over de theorie, maar gewoon vanuit mijn eigen achtergrond. Ik had de opleiding voor tekenleraar gedaan.
      Verjaardagen vierden we wel op de crèche, maar niet met dure cadeaus. Geen snoep met verjaardagen. Sinterklaas vierden we ook en daar hadden we discussies over: of je kinderen nou voor de gek moest houden met Sinterklaas. Ze mochten er wel in geloven. Eén van de ouders was dan Sinterklaas en een ander Zwarte Piet.
      De kinderen mochten van alles met het speelgoed uitproberen, maar kapot maken mocht niet. Als ze daar mee bezig waren, zei ik er wat van. We legden uit waarom iets wel of niet mocht.
      Sommige kinderen hielden zich Oost-Indisch doof. In het uiterste geval pakte ik het speelgoed af. Ik kan me niet herinneren dat ik op de crèche wel eens een tik heb uitgedeeld aan mijn eigen kinderen.

      Er waren jongetjes die heel erg lastig waren en gevaarlijke dingen deden. Zo is er een keer brand gesticht. We zaten nog op de Nieuwmarkt en onze ruimte was op één-hoog. Beneden was een soort loods, een trap naar boven en een soort opening waar je doorheen kon naar die loods. Daar was een hek voor en dat hek stond open. Toen was een jongetje naar beneden gelopen en die had een brandje gemaakt. Er kwam rook naar boven. We hadden wel een vluchtuitgang, maar de brandweer moest er aan te pas komen. Dat was echt heavy. De kinderen waren ervan onder de indruk. Dat jongetje kreeg geen straf; er werd uitvoerig met hem gepraat. En die arme moeder was de eerstvolgende vergadering natuurlijk ook de pineut. De boosheid richtte zich op haar. Zo werkt dat. Zij vertelde dat hij thuis ook altijd erg geïnteresseerd was in lucifers.
      De brandweer heeft daarna de eis gesteld dat die loods goed afgesloten werd en ze hebben gecontroleerd of er een goede vluchtgang was. Daar moesten ook nog wat dingen aan veranderd worden; er moesten brandblussers komen.

      Toen de eerste lichting naar de kleuterschool moest, hebben we overwogen wat we zouden doen: zelf een kleuterschool oprichten of infiltreren in een bestaande kleuterschool. De meeste ouders wilden dat de kinderen naar een echte kleuterschool zouden gaan.
      We vonden een pand, ook aan de Nieuwmarkt, om de hoek van het Witte Kinderplan. Dat konden we gebruiken als kleuterschool. Dat pand stond aan een speelplaatsje van Aldo van Eyck. Het was een oud bedrijfspand. Er zaten krakers in.
      Onder de paraplu van de Geert Grooteschool konden wij een kleuterklasje beginnen Daarvoor moesten we een bepaald aantal leerlingen hebben en een leerkracht. Wij betaalden die leerkracht zelf voor een groot deel, een klein beetje betaalde de Geert Grooteschool. We hebben drie leerkrachten gehad, allemaal dames. Ze moesten het eens zijn met onze uitgangspunten.
      Zo kregen we een eigen kleuterschool volgens het principe van Het Witte Kinderplan. Er zijn besprekingen gevoerd door twee actieve moeders die bedongen dat de GeertGrooteschool zich inhoudelijk niet met kleuteronderwijs zou bemoeien. Dat ging goed.
      Bij de leerkracht op de kleuterschool was ook altijd een ouder. We rouleerden per dag. Van de ene ouder mocht meer dan van de ander. Bij mij mocht vrij veel. We hadden geen subsidie, we betaalden maandelijks iets van dertig gulden voor het materiaal. Het pand hadden we gratis van de gemeente. Dat werd op de één of andere manier heel slim gespeeld door een paar mensen.

      Het was in feite een kraakpand, maar de vrouw die daar zat ging eruit en toen zijn wij er meteen in gesprongen. Later, toen de Nieuwmarkt werd afgebroken, de Nieuwmarktrellen, zijn we verhuisd naar de Prins Hendrikkade. Daar waren ook plannen mee, maar ook dat konden wij zolang gebruiken.

      Voor mij persoonlijk was het feit dat je zo betrokken was bij de opvoeding-buiten-de-deur de grote aantrekkingskracht van de antiautoritaire opvoeding. Natuurlijk had ik wel eens geen zin, ik drukte me ook wel eens. Vergaderen vond ik altijd leuk, net als met de kinderen naar het zwembad gaan.
      Ik heb nooit meegemaakt dat mijn kinderen lastig werden gevonden vanwege die antiautoritaire opvoeding. In de omgeving niet, met familie niet. Mijn kinderen logeerden gewoon bij mijn ouders.

      Aan mijn eigen opvoeding had ik niet zulke goede herinneringen. Mijn lagere schooltijd was ellendig: strafwerk, op de gang staan, naar huis gestuurd worden zelfs en dan thuis weer op je donder krijgen omdat je naar huis gestuurd was. Er was een heel streng regime. Maar ja, er zaten veertig leerlingen in één klas. Dan kun je natuurlijk ook niet te soepel met regels omgaan. Dat wou ik mijn kinderen niet aandoen.

      Na de kleuterschool ging mijn dochtertje naar een school in Amsterdam Noord. Onze groep heeft geprobeerd een eigen lagere school op te zetten, maar praktische dingen maakten dat onmogelijk. We vonden dat er te veel onvrije kanten aan de Geert Grooteschool zaten. Dus daar kozen we niet voor. De antroposofische gedachtewereld is te bepalend. Ik geloof dat maar één of twee kinderen naar de Vrije School zijn gegaan. De rest ging naar Noord of naar het Frederiksplein. Die in Noord was een school volgens het Jenaplan.
      Onze dochter kon vrij snel alleen, met de bus. Op de Hendrikkade opstappen, voor school uitstappen. Meer kinderen gingen naar die school, maar ze hebben die school niet afgemaakt. Er kwamen hele goede berichten over de Burghtschool, een aantal kinderen was daar al naar toegegaan, en de kinderen die in Noord woonden keken toch een beetje raar aan tegen de kinderen uit het Centrum.
      Nieland van de Burghtschool stond wel positief tegenover de betrokkenheid van ouders bij het programma, hoewel ik er niet meer zoveel behoefte aan had. De kinderen hadden het naar hun zin.

      Na de lagere school gingen meerdere kinderen naar de Montessorischool. Noor wilde niet leren. Die is begonnen op dezelfde Montessori-MAVO, heeft daar een conflict gehad met de een of andere Franse lerares, die vond Noor veel te brutaal en veel te vrij en die eiste dat ze van school zou gaan. Ik heb een paar gesprekken met die vrouw gehad, maar dat was echt een onmogelijke dame.
      Noor wilde naar een IVKO-school omdat daar ook vriendinnen opzaten. Bij Artis. Ze vond het daar erg leuk. Heeft het diploma ook gehaald. Ze is nu moeder. Ze wilde al een kind toen ze zestien was of zo. Dat is gelukkig niet gebeurd. Sinds heel kort heeft ze ook een parttime baantje. Ze werkt in een café. Heeft al eerder zoiets gehad in de Jordaan. Mijn kleinzoon wordt niet anti-autoritair opgevoed. Streng. Heel vermakelijk.
      Haar oudere zus heeft verschillende dingen geprobeerd, maar is daar ook weer mee gestopt. Hoeden maken bijvoorbeeld. Ze heeft wel iets creatiefs in haar mars. Het komt er alleen nog niet zo uit. Ik verwacht dat ze een laatbloeier is. Ze kon heel mooi tekenen. De kinderen zijn heel verschillend. Ik vind nog steeds dat we die opvoeding op een hele leuke manier aangepakt hebben.

      Je moet opvoeding ook relativeren. Noor, als die iets niet wou, dan gebeurde het niet, wat voor opvoeding ze ook had gekregen. Ik kan me scenes aan tafel herinneren. Dan vond ik dat ze iets moest opeten, omdat ik het met zorg had klaargemaakt en omdat het toch zo gezond en lekker was. Maar als ze het niet wou, was het afgelopen. Dan kon je op je kop gaan staan.

      Ik had wel een soort verwachting dat de kinderen iets met een dergelijke opvoeding zouden gaan doen. Dat je je niet laat beïnvloeden door je omgeving, door status. Dat ze een existentiële keuze zouden maken. Als je graag bakker wilt worden, dan kun je beter bakker worden dan machinist of kantoorklerk.
      Je eigen normen formuleren, onafhankelijk van je omgeving, is natuurlijk moeilijk. Toch vind ik dat je bij mijn dochters er wel iets van ziet. Ze hebben alle twee een partner die op de één of andere manier schijt hebben aan een hele hoop dingen. Ze kunnen het ook goed met elkaar vinden.
      Misschien heb ik iets te weinig gestimuleerd dat ze een creatieve kant zouden opgaan. Met name van de oudste vind ik dat ze kwaliteiten heeft waar ze nauwelijks iets mee doet, maar ik vind eigenlijk: dat moet ook uit jezelf komen, anders wordt het nooit wat.

      Als de meisjes vroegen, mag ik er nog een koekje, dan mochten ze er nog een. Ze aten nooit de hele koektrommel leeg. Er waren weinig conflicten. Wel later, over hoe laat ze mochten thuiskomen. Ze kregen zakgeld en op een gegeven moment wilde ze kleedgeld. Andere vriendinnen kregen dat ook. Ze nam ook een krantenwijk om extra geld te verdienen. Als je meer geld wil hebben, moet je dat zelf maar verdienen, vond ik. Alle twee kregen ze een tijdje een uitkering, maar dat vonden ze vervelend.

      Ik ben twaalf jaar getrouwd geweest. De scheiding heeft wel te maken gehad met de tijd, andere verhoudingen hebben deed je toen makkelijk. De kinderen begrepen het niet. Ze waren tien, elf jaar. Toen de oudste naar de middelbare school ging, wilde ze permanent bij mij wonen. Noor wilde bij haar moeder wonen. Een loyaliteitskwestie.
      We hebben wel over de scheiding gepraat met de kinderen maar niet zo vreselijk uitvoerig. Hij kwam voor mij ook heel plotseling. Ik snapte er eigenlijk ook niet zoveel van. Ik heb toen heel snel leren koken. Er is nooit sprake geweest van elkaar zwartmaken of zo. Ik at daar ook af en toe gewoon.

      Seksuele opvoeding? De kinderen gingen wel bij elkaar kijken. Ik heb zelf geen zusjes of broers gehad en ik was als kind ook heel erg geïnteresseerd in hoe het meisje eruit zag. Ook op de kleuterschool. Het was op de Plantage Muidergracht. Daar was een binnenplaats, een soort kippenhok. Er zaten geen kippen in. Ik was dokter en de meisjes moesten allemaal passeren en hun broek naar beneden doen. Dat deden ze ook allemaal en dat ontdekte de juffrouw en die vond het een schande. Ik werd naar huis gestuurd en mijn ouders moesten komen. Het werd een vreselijk drama.
      Ik vind dat onzin. Er steekt niets kwaad in als kinderen willen weten hoe de ander eruit ziet. Als het bloedheet was, liepen de kinderen van het Witte Kinderplan in hun blootje rond in de tuin erachter.

      Je kunt kinderen natuurlijk nooit normenvrij opvoeden, maar het was uitdrukkelijk niet de bedoeling een levensbeschouwelijk stempel van wie dan ook op de kinderen te drukken. Doelstelling nummer één was dat de kinderen zich zo vrij mogelijk zouden ontwikkelen. Er waren ook geen activiteiten op bijvoorbeeld politiek gebied. Tegelijk vond ik sommige ouders extreem in het laissez faire. Dat ging mij te ver. Bijvoorbeeld, als een kind een ander met een stok op z'n kop slaat. Als je geluk hebt, gaat het goed.
      Ik zou het waarschijnlijk weer zo doen als de situatie er naar was. Ouderparticipatie is inmiddels redelijk ingeburgerd.









      Noor ging naar de crèche 'Het Witte Kinderplan' te Amsterdam

      1995
      Ze in de Jordaan samen met Jos en hun zoon Billy (vier jaar oud)
      Volgens mijn moeder was ik heel blij dat ik niet terug hoefde. Ik schijn de deur van de crèche achter me te hebben dichtgetrokken, zo van: ik kom hier nooit meer. Dat is raar, want mijn moeder zegt ook dat ik het daar de meeste tijd leuk heb gehad.
      Je moest een zware deur door om binnen te komen. Iwan, een vriendje, is door die deur een vingertopje kwijt geraakt. Boven was een zaal met een lange tafel; daar aten we met z'n allen. Buiten was een grote tuin met schommeltjes en een badje. Als het mooi weer was, konden we daar met water spelen, elkaar natspatten. In die tijd greep ik in een injectienaald. Of dat nu op de crèche, op de kleuterschool of in de speeltuin is geweest, weet ik niet meer. Ik ben er zeker drie maanden ziek van geweest. Na een tijdje bleek dat ik hepatitis had. Mijn ouders waren in alle staten.

      Mijn zusje ging naar de Burghtschool, maar is daar weggepest. Kattenoog, daar werd ze voor uitgescholden, omdat wij van die grote ogen hebben. Omdat zij niet lekker op die school functioneerde, moesten we naar een lagere school in Amsterdam Noord. Hartstikke gelovig daar, leek helemaal niet op het Kinderplan. Ik snap niet dat mijn ouders ons daar naartoe stuurden, elke dag met de bus, mijn zus, ik, Iwan en nog een kind van het Kinderplan. Mijn hele lagere schooltijd. Ik vond het verschrikkelijk, we werden gepest. Ze vonden ons vies en raar omdat we uit de stad kwamen. Ik ben echt geweigerd bij ouders thuis. Dan gingen we 's middags mee een broodje eten en dan was het: nee, die komen er niet in.
      De leraren waren leuk. Nou ja, ook niet altijd. We kregen een nieuwe leraar, een ontzettende lul. Ik heb een keer punaises op zijn stoel gelegd. Ik hoop niet dat mijn kind dat gaat doen.
      Na de lagere school ging ik naar de Montessori-mavo. Mijn zus zat er ook op. Daar heb ik een jaar lopen feesten en me gedragen als typisch Noor: iemand die zegt wat ze denkt. Dat kon niet op die school. Iwan en ik zijn er afgetrapt. Dus toen naar een andere mavo, eentje in de buurt. We hebben het er drie weken volgehouden. Het was er afschuwelijk, veel erger nog dan de Montessori-mavo. Wij waren gewend om te vragen waarom iets moest. We zeiden hoe we over de dingen dachten en dat kon niet. Ik ben er vanaf geschopt. Ik zal ook best wel eens te hard hebben geschreeuwd of gelachen of eens een grapje hebben gemaakt, ongetwijfeld. Dan werd ik de gang opgestuurd en moest me melden bij de hoofdmeester. Daar snapte ik niets van.
      En zo belandde ik op de IVKO [Individueel Voortgezet en Kunstzinnig Onderwijs]. Met Iwan. Daar kon alles.

      Ik woonde met mijn moeder in de Jordaan. Iwan ook. Zijn moeder plantte nederwiet. Op een avond was mijn moeder uit en toen kwam hij bij mij met wat gepikte wiet. Met een regenpak aan gingen we een stickie roken, op het platje, zodat mijn moeder het niet zou ruiken. Echt heel leuk.
      Door dat gesmook ga je verder kijken, stiekem sigaretjes kopen, naar een coffeeshop, en zo rol je d'r in. Ik ging met oudere meisjes om, dat vond ik interessant, en met die meisjes ging ik mee naar coffeeshops, een stickie roken in de Laurier. Toen de Laurier verhuisde naar Pampus, ging ik daar werken. Ik was toen twaalf. Daar werd ik verliefd op een jongen, een ontzettende blower, die gozer. Op die leeftijd doe je dan mee. Dus ik zat op een gegeven moment iedere dag daar in plaats van op het Montessori. Boven in Pampus was een filmhuis, daar kon je voor twee gulden vijftig films kijken. Die jongen, hij was een paar jaar ouder dan ik, kreeg aangeboden dat filmhuis te doen. En omdat ik zijn vriendinnetje was, vroegen ze mij voor hun notenbarretje. Dat ging meteen goed en ik vond het leuk. We waren wel jong, maar we zagen er niet uit als kinderen.
      Ik had dus die gozer. Bah, ik moet er nou niet meer aan denken. Wij zaten met z'n tweeën in het huis van mijn moeder. Zij zat dan bij haar vriend en wij deden alsof we man en vrouw waren. Ik hoefde nog niet financieel voor mezelf te zorgen; mijn moeder heeft me altijd bijgestaan. Hoe oud was ik? Dertien, misschien net veertien.
      Ik ging dus weinig naar school, omdat ik het hels druk had met werken en blowen en leven. Mijn moeder zei: 'Hoor eens lieverd, óf je gaat naar school of je gaat niet, maar dan moet je wat anders doen van dat schoolgeld.' Dus toen ben ik cafépapieren gaan doen, vakbekwaamheid. Daarvoor ben ik geslaagd. Die eerste jongen had ik inmiddels gedumpt, ingeruild voor Jos.
      Er kwam een huisje leeg in de straat waar wij woonden. Mijn moeder vond dat wel wat voor mij. Dat zag ik helemaal zitten, dus ik achter dat huisje aan, en dat is gelukt. Op mijn zestiende had ik mijn eerste eigen huis. Jos kende ik van de coffeeshop. Het was niet meteen een relatie. We schelen dertien jaar en daar had hij het moeilijk mee. Maar ja, ik ben blijkbaar een bijdehandje en we zijn uiteindelijk gegroeid in een relatie. Ik kreeg dat huisje en hij kwam me helpen met schilderen en zo is dat ontstaan. Daarna werkte ik drieënhalf jaar in café De Koophandel, op de Bloemgracht. Daar heb ik een echt leuke tijd gehad.
      Een vriend van Jos vroeg of we zijn coffeeshop wilden runnen. Hij ging naar Mexico. Dat hebben we gedaan, veel geld verdiend en keihard gewerkt, dag in dag uit. Toen kwam die jongen terug en huurden wij een pandje in de Boomstraat. Daar zijn we een coffeeshop-galerie-lunchroom begonnen. Lekkere broodjes met een geestverruimer erbij. Iedere maand hing er andere kunst aan de muur.
      Kei- en keihard werken was het, een hoop uren en een hoop lasten en zorgen. Uiteindelijk kregen we een bod op de coffeeshop, niet veel, maar we hebben dat wel gedaan. We wilden ook leven, en dat was alleen maar werken, werken, werken. Ik werd zwanger, Billy werd geboren en nu ben ik moeder.

      Ik was heel jong toen mijn ouders gingen scheiden. Eerst deden ze partnerruil. Dat was toen populair, het hoorde bij Flower power. Het kindje van die andere mensen zat ook op het Witte Kinderplan. Mijn vader heeft het tien jaar uitgezongen met die vrouw, en mijn moeder vier jaar met die man. Eerst leek het gezellig, maar dan kom je erachter dat je ouders niet meer samen in één huis zitten. Ik denk dat ieder kind dat rottig vindt. Op die leeftijd begrijp je dat niet. Dan merk je dat die andere man een plaats heeft ingenomen die hij niet had mogen innemen. Dus dan komen er problemen. Ik kon ook helemáál niet met hun kind overweg. Mijn zus ook niet.
      Achteraf zie je in: shit, wat ben ik gemeen geweest. Mijn zus en ik waren samen sterk, en zij was alleen. We vonden haar een verwend secreet. Nu ben ik volwassen en heb daar spijt van.

      Mijn vader woonde nog in zijn huis en mijn moeder woonde met die man om de hoek, in een woonboot. Mijn zus en ik zaten dan twee weken hier en dan twee weken daar. Dan zat je net lekker en dan kon je weer weg. Mijn zus had geen zin meer in dat gesleep met schoolboeken en ging bij mijn vader wonen. Dus trok ik bij mijn moeder in.
      Mijn ouders zagen elkaar gewoon. Geen probleem. Op verjaardagen waren ze er allebei en het was altijd gezellig. Maar ik hoopte dat ze weer bij elkaar zouden komen. Dat doen kinderen. Nu hoeft dat van mij echt niet meer.

      Als kind lagen mijn zus en ik vaak met elkaar overhoop. We schelen drie jaar en zij is net mijn vader en ik mijn moeder. Mijn ouders zijn lieve mensen, maar heel verschillend. Ze namen het niet zo nauw. Lang leve de lol. Ik houd ook van een slok en van de lol, maar ik ben ook strak. Wat dat betreft ben ik het sterke persoontje. Dat klinkt misschien stom, maar ik heb zelfdiscipline. Als ik morgen vroeg op moet, ga ik nu niet zitten zuipen, of het moet ontzettend gezellig zijn. Maar dan nog, dan sta ik op met een kater. Mijn zus zal blijven liggen, ook al moet ze eruit. Niet omdat ze dat wil, maar omdat dat haar karakter is. En dan wordt ze vloekend wakker: godver... ik had op moeten staan. Dat is mijn zus, en ze is een schatje.

      Mijn moeder en ik hebben eigenlijk nooit problemen gehad, ook in mijn puberteit niet. Ik denk dat ik toen een nare griet was, maar zij zegt dat dit niet zo is, dat we het altijd leuk hebben gehad. Mijn moeder begreep mij en ik haar, nog steeds.
      Als er weer eens gestemd moet worden, hangt mijn moeder meteen aan de telefoon. Ga je stemmen? Op wie ga je stemmen? Je moet op dat en dat stemmen. Dan heeft ze altijd wel een verhaaltje. Zij woont in Pinjum, een of ander gat in Friesland, doet niets, leven ja, genieten. Ze heeft hard gewerkt als verpleegkundige, ook in de bejaardenzorg. Maar als er in Amsterdam iets politieks aan de hand is, belt ze om te zeggen dat ik dat in de gaten moet houden. Ze houdt mij wat dat betreft wakker.
      Mijn vader is kunstenaar. Twee weken geleden had hij een opening in Arti et Amicitiae, samen met andere leden. Hij had ook iets gemaakt. Ik ging met m'n zoontje. We hadden een drukke dag gehad, het was vijf uur, en het was er stampvol. Er stond een kunstwerk: twee pilaren met van die in elkaar geflanste spijkers, veertjes, dat soort troep boven op elkaar. Mijn vader rende eromheen met Billy, kiekeboe spelen. Ik zei nog: 'Rustig, rustig.' Billy vond het hartstikke leuk, dus die ging door. Op een gegeven moment stootte hij zachtjes tegen die pilaar en al die veren en spijkers vielen. Ik wilde het snel weer herstellen, donderde alles uit elkaar. Ik schaamde me kapot, dus ik maakte er maar wat van. Eigen kunst à la BillyNora. We zijn meteen weggegaan. Ik houd niet van die wereld, van Arti, van Rietveld. Die is erg van neuzen in de lucht. Wij maken kunst en dat is geweldig. Laat ik het zo zeggen: ik voel me niet op mijn gemak in een kamer met dat soort kunstenaars. Ze denken dat ik een echte platte Amsterdamse truttenbollenmoeder ben zonder hersens. Zo voel ik dat.
      De coffeeshopwereld is ook niet mijn wereld. Daar ben ik in geraakt. Op dit moment leef ik in een klein wereldje: kind naar school brengen, zwemles, judoles.
      Ik heb natuurlijk toekomstplannen. Mijn droom is een huisje op Las Palmas met een eigen café. Jos zal er in eerste instantie misschien niet naartoe willen, maar als hij erover nadenkt wel. Hij wil ook graag iets voor zichzelf. Hij heeft de ervaring en ik ga de papieren halen, middenstands doen. Amsterdam begint me de strot uit te hangen. De stad verpaupert. Je kunt nergens meer normaal met je kind op straat spelen, lopen. Je moet alert zijn op spuiten en condooms. Een kind van vier denkt dat een condoom een ballon is. Junks staan zich hier te wassen op het pleintje. Er zijn schietpartijen. En de Jordaan wordt een buurt voor de rijken. Sommigen kijken rasechte Jordanezen gewoon weg.

      Ik denk dat ik Billy zal opvoeden op de manier waarop mijn moeder mij heeft opgevoed. Ze zegt: 'Het enige wat je een kind bij moet brengen, is respect en wijsheid en zelfstandigheid. De rest gaat vanzelf. Een kind heeft een eigen karakter, je kunt het niet ombouwen. Je kunt het alleen bepaalde dingen bijbrengen.'
      Ik ben goed terechtgekomen, dus de basis zal wel goed geweest zijn. We hadden het niet gemakkelijk, weinig geld, maar het was leuk. Wat ik nu ben, heb ik grotendeels te danken aan wat mijn moeder heeft laten zien over het leven. Ik heb een groot verantwoordelijkheidsgevoel naar mijn kind, maar ook naar mijn partner toe. En ik ben straight, eerlijk, recht voor z'n raap. Dat is Noor.

      Ik ben honderd procent met mijn kindje bezig. Nu Billy viereneenhalf is, kan ik weer iets voor mezelf gaan doen. Ik heb altijd gewerkt in de horeca, vanaf m'n twaalfde totdat ik zwanger was, tot mijn twintigste. Nu sta ik te popelen om te werken, maar niet ten koste van mijn kind. Op school is hij veilig. Op die school is het heel gemixt. Ik vind het belangrijk dat Billy makkelijk met allerlei soorten types kan omgaan. De juf is een big mama, die elk kind liefdevol behandelt, maar ook boos kan worden als het moet. Ze is heel correct, straight: spelen kan, opruimen moet ook.
      Ik ben niet zo'n moeder die vindt dat een kind zich altijd en overal moet kunnen uiten. Dat het bijvoorbeeld best in de supermarkt een pudding over je hoofd mag storten als het boos is. Er zijn grenzen. Natuurlijk moet een kind zich kunnen ontplooien, maar je laat je niet op je kop slaan. Ik zal altijd uitleggen waarom iets niet mag. Bevelen vind ik verschrikkelijk. Hij krijgt ook geen straf als hij een kopje breekt of zo. Als hij aan de kaars zit, zeg ik dat hij dat niet moet doen omdat hij dan zijn vinger kan verbranden en dat doet heel erg pijn. Je hebt ook mensen die zeggen:
      'Ga je gang, dan merk je het zelf wel.'
      Ja, hij krijgt wel eens op z'n kop. Vandaag bijvoorbeeld schold hij de moeder van een vriendinnetje uit voor stomme Wilma. Ik wil dat hij respect heeft, zeker voor iemand die helemaal niets stoms doet. Dan leg ik hem uit waarom ik dat niet wil hebben en waarschuw hem voor een volgende keer: als je dat nog een paar keer doet, dan komt Anoukje helemaal niet meer spelen. Dan wil Wilma dat niet meer. Op die manier maak ik hem duidelijk: wacht even jongetje, er zijn grenzen. Je kunt niet iedereen voor stom uitmaken. Hij is vier en een half, hij is geen drie meer. Toen hij drie was, ja, toen wist hij nog niet eens wat stommerd betekende. Hij mag best boos zijn en mij stomme mama of stomme Noor noemen. Maar het moet wel terecht zijn. Hij krijgt ook wel eens een klap op z'n kont. Bijna nooit, maar het gebeurt wel. Als ik hem al een paar keer heb gewaarschuwd en als hij me erg boos maakt. Mijn moeder zegt dat je het er niet in slaat, maar mijn kind heeft dat heel soms nodig. Een ander kind moet je misschien tien minuten in z'n kamer zetten.
      Mijn moeder heeft mij één keer geslagen. Ik was een jaar of zeven. Die klap was zo hard dat de afdruk van haar hand vijf dagen op mijn dijbeen stond. Ze heeft het daarna nooit meer gedaan. Maar als ik het bloed onder haar nagels vandaan haalde, zei ze: 'Pas op hoor, je krijgt hem.' Dan moesten we allebei lachen en dan was het over.

      Toen Billy een jaar of twee was, kwam hij op de crèche van de Noorderspeeltuin. Ik ben er eerst een paar keer gaan kijken. Het was er leuk. Die kinderen waren lekker aan het karren en fietsen. Ik begon met twee ochtenden en als hij echt niet wilde, hield ik hem thuis. Uiteindelijk werden het vijf dagen. De kinderen varieerden in leeftijd van anderhalf tot vier. Ze mochten doen waar ze zin in hadden. Een grote vrijheid en een grote puinhoop, maar leuk voor die kinderen. Billy had het er naar zijn zin.
      Nee, ze liepen niet in hun blote kont. Ze mochten wel doktertje spelen: met een bloot buikje, de broek blijft aan. Ik houd ook niet van dat bloot. Als hij thuis is, vind ik het prima, maar niet als jullie er bij zijn. Dan houdt hij zijn broek aan. Ik weet niet wat dat bij iemand opwekt, een bloot kindje van vier. Toen hij nog klein was, liet ik hem lekker in z'n blootje lopen. Dat is een andere leeftijd.
      De overgang naar de kleuterschool was groot. Daar is het veel gestructureerder. Voor een kind van twee is dat niet goed, voor een kind van vier wel.

      Met sommige moeders praat ik wel over hoe we het doen, opvoeden. Vaak is er overeenkomst en vaak ook niet. De moeder van een vriendje van Billy pakte dat kind nooit aan. Zo lekker ruimdenkend, weet je wel. Dat jongetje zei rare dingen en Billy begon dat ook te doen. Ontzettend grof, echt niet voor herhaling vatbaar. Zo jong nog, ze waren drie. Als dat jongetje zijn zin niet kreeg, ging hij hard gillen. Dan werd hij hysterisch en kreeg meteen z'n zin. Het was pure komedie. En Billy ging dat ook doen. Nou, kom zeg! Ik heb dat contact gekapt en tegen die moeder gezegd: 'Jouw zoon zegt en doet dingen die Billy overneemt en waar ik helemaal niet achter sta.'

      Billy is een combi van mij en mijn man. Ook wat karakter betreft. Hij heeft dat blonde, die blauwe ogen en die bolle wangen van mij, en de rest, het postuur, dat is allemaal van zijn vader. Jos en ik zijn al lang samen. We hebben een hechte band. We kunnen overal over praten. Billy had een periode dat hij ons uitprobeerde. Dan vroeg hij mij om een snoepje en als ik nee zei, ging hij naar Jos. Dan vroeg Jos of het van mij mocht. 'Ja,' zei Billy dan. Daar moet je over praten. Ik twijfel heus wel eens aan de manier waarop ik Billy opvoed: maak ik niet te veel fouten, doe ik het wel goed? Wat dat betreft kan ik onzeker zijn.
      Ik hoop niet dat dingen als partnerruil mijn kind overkomen. Ik kan niet mijn hele leven vooruit denken, maar ik durf wel te zeggen dat ik altijd bij deze man blijf. Maar je weet nooit hoe het loopt. Als zoiets als partnerruil aan de orde zou zijn, zou ik kiezen voor mijn kind. Ik zou hem dat niet willen aandoen, nu hij nog zo klein is. Als hij ouder is en dingen beter kan inschatten, dan is het een ander verhaal. Dat komt door wat ik heb meegemaakt. Dat klinkt dramatisch, maar zo bedoel ik het niet. Ik heb er niks aan overgehouden. Ik heb een heel lieve moeder en een heel lieve vader.
      Noor en Jos zijn rond 1997 gescheiden.









      Bas (1967) zat in Amsterdam op de Prins Konstantijnkresj

      Hij werkt hij via een uitzendorganisatie bij de Amsterdamse Stadsreiniging.
      1995
      We aten 's middags altijd macrobiotisch. Muesli, Roosvicee en zo. Dat is zo ongeveer het enige wat ik me herinner van de Prins Konstantijn. Na de crèche ging ik naar de Nieuwmarkt, de Open Kleuterschool. Daar kregen we van de gemeente een heel pak inentingen. Toen moest ik naar de Burghtschool, een lagere school met een vervelend mens als juf. Ik vond het er niet leuk, kwam vaak huilend thuis. Ik en Jochem, die zat ook op Prins Konstantijn, waren de enigen die in de eerste klas bleven zitten. Mijn moeder heeft me toen van school afgehaald. Niet nog een jaar bij dat mens. Naar de Geert Groote School. Daar hadden we boetseren, hout, timmeren. Dat was een christelijke school, of katholiek; je moest bidden voor het eten. Helaas had ik weer een vervelende leraar, iemand die je hard aanpakte, je door elkaar schudde als je iets fout had gedaan. Ik was acht, negen aar en heb daar een half jaar gespijbeld. Ik ging de stad in.
      Mijn moeder zei soms: 'En, hoe was het op school?'
      'Leuk.'
      'Ik hoor anders dat je helemaal niet naar school bent geweest.'
      'Oh.'
      'Morgen ga je wel.'
      En dan ging ik weer een weekje naar school.

      Mijn moeder kreeg een nieuwe vriend. Die was in Jezus, net als mijn moeder toen. Ze was alternatief gelovig. We gingen in Friesland wonen, of in Groningen, in een of ander piepklein dorpje, Kloosterburen geloof ik. We zaten daar met zo'n vijftig, zestig mensen in een grote boerderij, een Jezus-commune. Veel kinderen. Iedereen sliep op matrassen op de grond. Wel had elk gezin een aparte hoek of een apart kamertje. 's Avonds werden er grote kampvuren gemaakt. Er waren feesten. Het Loofhuttenfeest. Ging iedereen in het weiland hutten bouwen, vliegers maken met 'God is liefde' erop, en die werden dan opgelaten. Ik hield me niet bezig met dat Jezus-gedoe.
      Op de tweede dag dat ik daar naar school moest, werd ik ziek. En maar overgeven. Een week lang lag ik ziek thuis. Af en toe kwamen er mensen uit de commune bij me kijken, voor me bidden. Na een jaar zijn we teruggegaan naar Amsterdam.

      Daarna verhuisden we naar Zwitserland, weer een Jezus-commune. Die lag verstopt in de bergen, in een kloof. Ik herinner me een gletsjer, boven, in de verte. Je kon er alleen lopend komen en het was een heel eind wandelen. Die mensen waren echte hippies. Ze hadden zelf huisjes gebouwd, een soort nomadententen, van plastic, stenen en hout. Alle nationaliteiten waren bij elkaar. De keuken was gezamenlijk. We gingen bramen plukken op blote voeten en halfnaakt. Dat was een leuke tijd. Na een paar maanden vertrokken we weer. Mijn moeder houdt van reizen. Ik moest telkens wennen op een nieuwe school.

      Dat ik van muziek houd, heb ik van mijn moeder. Mijn eerste instrument was een drumstel. Dat kreeg ik van haar met Sinterklaas, toen ik elf was. Een nieuwe buurman bleek de gitarist van de Jan van de Grond Groep. Die had gespeeld met Ernst Jansz en Henny Vrienten. Hij had een grote platenverzameling en een gitaar. Dus begon ik me voor gitaar te interesseren. Ik ging punk spelen en werd punk.
      Van veel dingen had ik nog nooit gehoord. Bluesmuziek doe ik nog maar zes, zeven jaar. Terwijl mijn moeder al die platen thuis had, maar ik had me er nooit in verdiept.

      Veel jongens van de crèche gingen naar het Montessori Lyceum. Ik ook. Ik geloof dat niemand van ons zijn diploma heeft. Ik ook niet. Ik was met andere dingen bezig, rotzooide maar wat aan. Op het Montessori ging het na één jaar mis. In de pauzes blowden we in de blowhoek van de kantine. Mijn moeder wist wat het was, dus die maakte zich geen zorgen. Ze vond dat ik het zelf moest weten. Het was mijn leven. Om half elf was ik al knetterstoned. Elke keer stond er in mijn rapport: 'Zo kan het niet verder gaan.' Na een jaar werd ik van school geschopt.

      Ook Jasper en Milo van de Prins Konstantijn hadden de tweede klas niet gehaald en zij gingen naar de IVKO [Individueel Voortgezet en Kunstzinnig Onderwijs] of de IVO-mavo [Individueel Voortgezet Onderwijs]. De leraar Engels op de IVKO zat in de klas te blowen en gaf zijn joint door aan de leerlingen. Op een gegeven moment kwam er een nieuwe directrice en die heeft hem ontslagen. Ik hoorde de verhalen en wat ze deden: fotografie, zeefdrukken, filmen, tekenen. Ik wou daar ook naartoe. Dus ik had met mijn moeder een gesprek met de directrice. Ze vond de IVO beter voor me. Dus ben ik daar naartoe gegaan.

      Ik was een buitenbeentje, punk, mijn haar zwart geverfd of in andere kleuren, of een hanenkam. Dat mocht, maar de andere leerlingen zaten wel raar te kijken. Ik had daardoor ook wel ruzie, vechtpartijen. Bijvoorbeeld met een jongen die me de hele tijd uitschold. Die pakte ik terug. Ik kon aardig Engels, omdat mijn moeder een Engelse vriend had. Iedereen blowde. Iedereen hield van punkmuziek, new wave, reggae.
      Toen de school fuseerde met een school uit Buitenveldert, zijn we eraf gegaan. Er kwamen allemaal andere kinderen bij die heel anders waren. We gingen naar de moedermavo.

      Op mijn achttiende ben ik op mezelf gaan wonen, in de Staatsliedenbuurt. Ik kreeg een baantje bij een bekende band, als roadie, de geluidsinstallatie opbouwen. Ze speelden jump, rockabilly, rock and roll. Heel goed. Vier optredens per week, door heel Nederland en België. Zelf was ik ook steeds bezig met muziek maken.
      Daarna vond ik een baantje bij de Stichting Jeugdkomedie Amsterdam, als technicus: licht, geluid en decor opzetten. Dat was heel leuk, maar na vier jaar was ik het reizen zat. Het was hard werken, zestien uur per dag. Om zes uur op, om zeven uur weg en 's avonds om tien, elf uur weer thuis. En de volgende dag weer. Om de twee weken een dagje vrij. Eerst was het met behoud van uitkering en later kreeg ik er wat bij. Ik was weer in de band gaan spelen en had geen tijd meer voor het theater. Ik speel basgitaar en zit nog steeds in een band, de Catfish Blues Band. We verdienen aardig wat. We hebben zelfs een keer in de Beurs van Berlage gespeeld, voor 2200 mensen.

      Ik ben nu 28 en heb maar drie jaar mavo. Soms denk ik dat ik te weinig kennis en levenservaring heb. Vroeger wou ik naar de Filmacademie of naar de Rietveld. Dat wil ik nog wel, maar daarvoor heb ik havo nodig. Daar heb ik nu geen zin meer in. Dat heb ik verknald. Jammer. Maar ik heb leuke vrienden en doe wat ik eigenlijk wilde, de band. Ik heb er wat uitzendwerk bij, bij de Stadsreiniging, huisvuil ophalen. Lekker simpel. Ik had eerst een uitkering. Dat vond ik een ramp. Verplicht solliciteren op stomme baantjes. Als je komt, één keer per maand:
      'Ik heb gesolliciteerd, maar niks gevonden.'
      'Dan heb je niet genoeg gesolliciteerd. Er is zat werk. Ga maar bloemen plukken in het Westland.'
      'Dat doe ik niet. Als ik niet zelf mag bepalen, wat ik ga doen voor die duizend gulden, hou 't dan maar. Voor dat geld ga ik niet door m'n knieën.'
      Toen werd ik gekort.

      Bij het theater kwam ik heel laat thuis uit Groningen of Maastricht en dan moest ik nog wat van mijn avond maken. Dus naar de kroeg, een paar pilsjes voor het slapen gaan. Sabine stond achter de bar. Ik kende haar al twee jaar voordat er wat van kwam. Ik trok bij haar in; zij had een groot huis. Na drie jaar zijn we getrouwd, gewoon, omdat we het leuk vonden. Niet vanwege voordelen of zo. Door te trouwen zeggen we dat we met elkaar door willen. We hebben toekomstdromen. Sabine wil een kind. We willen naar Zuid-Spanje.
      Mijn moeder zit ook in Spanje, in Andalusië. Ze geeft celloles op een muziekschool in Granada. Heel mooi daar. Ze woont in een gebied waar geen toeristen komen, op een berg met nog een ander huis en uitzicht over zee. Een paradijs gewoon.
      Ons idee is om in Zuid-Spanje een hotel te beginnen voor mensen tussen de dertig en de vijftig. Voor als je twee weken lekker rustig in de bergen wil zijn. Sabine is Duitse en heeft allerlei diploma's, ook een horecadiploma. Zij zou een hotel kunnen beginnen. Niet commercieel. Wij wonen dan in een klein huisje dat we opknappen, met een stukje land erbij en een moestuin, een paar koeien, geiten en kippen en zo. En dan gaan we zoveel mogelijk zelf verbouwen.

      *****


      2011
      In 2011 is Bas ambtenaar bij de Stadsreiniging, Amsterdam, gescheiden en weekendvader van dochter Luna (15 jaar).

      De staat heeft iedereen individueel gemaakt; de mensen organiseren zich niet meer. Het is ieder voor zich in een consumptiemaatschappij. In mijn tijd waren er veel acties. Ik heb meegedaan aan kraakacties en in een kraakpand gewoond. De jongeren van nu protesteren alleen nog als de overheid bijvoorbeeld aan hun studiebeurs wil komen. Het doet me denken aan de sf-films van vroeger waarin niemand meer oog heeft voor sociale misstanden en iedereen zich snel bij dingen neerlegt. Daar ben ik niet gelukkig mee, maar wat moet je eraan doen?

      Luna vindt mij een coole vader. Ze weet van mijn verleden en had ook wel in die tijd willen leven. Waarschijnlijk omdat er nu niets gebeurt. Ze is een tijdje met mode bezig geweest, nu is het muziek. Ze gaat drumlessen nemen. Haar moeder is in rock & roll; vindt ze ook leuk.
      Vanaf haar tweede zat ze op een crèche. Wij brachten en haalden haar en dat was het. Geen contact met andere ouders. Iedereen voedt zijn kinderen privé op. Dat was in mijn jeugd heel anders. Ouders van de Prins Konstantijn deden veel samen. Maar mijn vader bemoeide zich niet met mijn opvoeding. Ik zie hem wel hoor, gisteren nog.
      Alle creatieve dingen van mijn moeder (ze woont nog steeds in Spanje) waren leuk: ze speelt cello, viool, piano, zingt, is dirigent. En ze denkt vrij, net als mijn vader. Dat waardeer ik. Maar ze heeft me ook min of meer aan mijn lot overgelaten, zich weinig met school bemoeid. Ik blowde al vanaf mijn dertiende. Nog steeds neem ik er 's avonds eentje. Als ze ervoor gezorgd had dat ik een opleiding had afgemaakt, had mijn leven er heel anders uit kunnen zien. Ik was graag drummer in een band geworden. Ik ben nog steeds erg bezig met muziek.
      Toen ik achttien was, zorgde mijn moeder ervoor dat ik in het huis van een vriend kon wonen en vertrok naar Spanje. Mijn tien jaar jongere broertje is meegegaan. Dat is een nerd; weet alles van computers. Ik had een uitkering en moest bij mijn vader aankloppen om huur en eten te kunnen betalen.

      Toen Luna in groep 1 zat, kwam ze een keer de school uit met plakken snot op haar gezicht. Ik zei tegen de juf: 'Daar had je toch een washandje overheen kunnen halen?' Ik was woedend. Ze zei dat dat haar werk niet was. Sabine vond dat ik rustig moest doen, dat we anders misschien nog een andere school moesten zoeken.
      Luna is elk weekend bij mij. Van vrijdagmiddag tot zondagmiddag. Ze is een beetje op zichzelf, heeft niet zoveel vriendinnen en vrienden. Ik zeg wel eens: doe iets met je leeftijdgenootjes, je gaat toch niet met zo'n oude man op stap!
      Sabine voedt beter op dan ik. Ik doe maar wat. Je moet van het leven genieten. Lekker niets doen. Maar Luna moet wel haar opleiding afmaken. Ze wil van alles, dure dingen kopen. Dat gaat niet als je er niet voor werkt. Ze krijgt geld om te sparen. Als ze dan dure schoenen wil, betaal ik wel een deel, maar de rest moet ze zelf betalen. Ze is nu bezig met het regelen van haar toelating tot de IVKO. Dat moet je goed motiveren, anders mag je er niet op.
      Dit jaar moet ze de Montessori-mavo afmaken. Ze heeft een lerares die ze vervelend vindt. Je hebt het niet voor het kiezen, zeg ik dan. Bovendien is het jaar bijna om. Als ze stelselmatig door die lerares gepest zou worden, zou ik wel met haar naar de schoolleiding gaan. Maar aan school zit je vast. Je kunt niet zeggen: ik laat de school links liggen.

      Ze gaat makkelijk met mensen om, vooral met jongere kinderen. Ze is echt een moedertje. Ze is ook erg zelfstandig; misschien doordat wij nooit regels hebben gesteld. We hoeven ook nooit te zeggen dat het tijd is om naar bed te gaan. Ze ligt er dan al in.
      Met de wereld om haar heen is ze niet bezig. Ze is ook niet erg hulpvaardig, behalve dan voor kleine kinderen. Ze begint zich nu voor jongens te interesseren. Zit op Facebook.
      Zij en Sabine kijken samen naar tv-programma's waarvan ik denk: hoe kun je daar naar kijken! Quizzen, spelletjes, In Holland Staat Een Huis, Popstars, Idols. Walgelijk! Waarom kijk je niet naar de VPRO, zeg ik. Daar leer je wat van. Toen ze klein was, moest ze van mij op zondagochtend naar de VPRO kijken.

      Opvoeden is vooral corrigeren. Thuis mag alles, maar in de trein zit je niet met je schoenen op de bank. Je gooit ook geen papier op straat en je blijft van de spullen van anderen af. Luna mag thuis alles zeggen, maar niet tegen anderen. Een keer overschreed ze een grens. Ik zat op de bank en zij lag erop. Iets beviel haar niet en toen trapte ze me in mijn gezicht. Dat kan niet. Als iets je niet zint, dan zeg je het.
      Ik grijp in als ze ruzie heeft met anderen en er wordt geschopt of geslagen. Meisjes zijn kwetsbaarder dan jongens. Zij mag van mij niet slaan of schoppen. Ze moet het uit de weg gaan of praten. Toch is dat allemaal niet echt een probleem. Moeilijker is het om te bedenken wat ik nu weer met haar zal gaan doen.

      Luna woont in een buurt met veel kinderen met een Marokkaanse of Turkse achtergrond. Op mijn werk heb ik die ook. Het is moeilijk om met ze te praten. Ik kan hun echt niet alles vertellen. Ze snappen het niet of voelen zich aangevallen. Hun cultuur valt niet te rijmen met die van mij. Mijn hele achtergrond is in hun ogen fout.
      Sabine is ook al niet doorsnee. Punk, met zwart geverfd haar en zo'n zwart driewielerautootje waarop ze vlammen heeft gespoten. Dat wekt een soort agressie op. Ik haalde Luna een keer om te fietsen, waren haar ventieltjes eruit gehaald. Er iets van zeggen heeft geen zin; dan wordt het alleen maar erger. Discussie voeren, dat kennen ze niet. Maar ja, hoe lang zijn wij niet bezig geweest met deze vrijheid te veroveren?
      Dat heeft trouwens niet goed uitgepakt. De maatschappij is verruwd. Het is ikke, ikke, ikke. Wel rechten, geen plichten. De hele stad staat vol met kinderbakfietsen. Leer die kinderen fietsen. De jeugd van nu is erg verwend. Met de scooter naar school. Waar halen ze het geld vandaan?

      Ik ben behoorlijk links, stem SP, en laat me niet gemakkelijk beïnvloeden. Ik bepaal zelf hoe mijn leven eruitziet. Mensen die dat niet doen, zijn dom; losers. Ik heb ook niet meegedaan aan de demonstratie tegen kernenergie. De kerncentrales van nu zijn veel beter dan die van vroeger en je wilt toch niet weer kolenmijnen? Elektrische auto's zijn trouwens ook niet zo schoon als wordt beweerd. Windmolens vind ik niets. Lelijk. Zonnepanelen kunnen wel.
      Ontwikkelingshulp zou anders mogen. Leer die mensen dingen, geef ze een tractor en leer ze hoe ze die moeten bedienen en onderhouden.
      Deze regering is een regering van niets. Ze bezuinigen op een heel makkelijke manier. Schaf dit maar af, schaf dat maar af. Het gaat alleen nog maar om werken. Maar je leeft niet alleen om te werken!









      Debbie ging naar de speelzaal Kikkenstein in Amsterdam Zuidoost

      1995
      Ze studeert en werkt.

      Vroeger schaamde ik me voor veel dingen. Voor mijn bruine billen van de naturistencamping. Voor ons huis. Ik had het liefst een keurig burgerlijk tuintje net als mijn klasgenootjes. Ze pestten me, omdat wij een wilde tuin hadden. Mijn ouders zaten wel eens bloot in die tuin. Mijn maag draaide om als ik dan net een vriendinnetje meenam. Op de lagere school vonden ze me armoedig. Het ging allemaal om merkkleding, om uiterlijke dingen. Dan zeiden ze: Je vader is dokter en jullie hebben geen geld, niet eens een auto.

      Mijn ouders baseerden zich voor de opvoeding op de ideeën van de antiautoritaire crèche. Ze wilden kinderen zo veel mogelijk de ruimte geven om te spelen. Eerst gingen ze kijken bij de Prins Konstantijn, maar wat daar gebeurde vonden ze te ver gaan. Te vrij. Ze wilden wel grenzen aangeven en duidelijkheid scheppen: op vaste tijden eten, een liedje zingen. Ze legden zoveel mogelijk uit, remden niet van alles af, zaten er niet steeds bovenop.
      Ze hebben geprobeerd mij met auto's te laten spelen en mijn broertje met poppen. Dat is niet echt gelukt. We vonden wel een fantastische middenweg: we speelden met playmobil. Een meisje voelt zich nou eenmaal een meisje. Daar kan je wel tegen in gaan, maar dat gebeurt gewoon. Ik speelde vaak in een poppenkamertje met gasfornuisdingetjes en ik tekende elfjes. Mijn broertje hijskranen en ridders met zwaarden.

      Ik ben een makkelijk kind geweest, kon mezelf goed vermaken. Maar ik trok ook veel met de kinderen van de crèche op, ook nog toen ik naar een andere kleuterschool ging - omdat we verhuisden. Dat was een echte buurtschool, met veel moeilijke kinderen. Een jongetje wilde mij altijd in elkaar rammen. Dan moest ik heel hard weg rennen. Als een kind een ander kind in elkaar had geslagen, kwam de moeder van het slachtoffer op school om dat agressieve kind een pak slaag te geven.
      De lagereschooltijd was niet leuk. Ik was een verlegen kind, maar wel goed op school. Ik moest vaak het werk maken van een klasgenootje, anders zou ze me in elkaar slaan. Er waren altijd van die dominante kinderen die gingen dreigen. Vanaf de derde klas ging ik naar een andere school in een nieuwe wijk. Het was een openbare school, je zat in groepjes.
      Ik was klein en niet erg mondig, niet goed in balspelen, vaak met m'n eigen dingen bezig. Ik keek de kat uit de boom. Wel had ik vaste vriendinnetjes. Die waren totaal anders, maar ik kon er goed mee spelen.

      Na de lagere school ging ik naar de OSB (Openbare Scholengemeenschap Bijlmer). Die had vier brugjaren; alle niveaus (lbo, mavo, havo, vwo) zaten bij elkaar. Kinderen uit lagere milieus moesten opgetrokken worden, maar dat werkte zo niet. Het niveau ging juist omlaag. Je moest zelf laten zien wat je kon. Ik deed mijn best want ik wilde naar het vwo. Daarin werd ik afgeremd. Vwo was zo verschrikkelijk hoog, zeiden ze tegen mij, dat kon je alleen als je echt heel goed was. Maar ik was goed. Mijn ouders vonden gelukkig dat ik vwo moest doen.
      Elk jaar schreef je een zelf-evaluerend verslag: hoe heb je het gedaan, wat heb je verbeterd? Elke leraar schreef een paginalange rapportage over hoe je functioneerde in de klas. Dat was leuk. Er waren veel mogelijkheden tot discussie. Ik was toen mondig, in tegenstelling tot op de lagere school. Maar bepaalde klassikale dingen heb ik wel gemist: rijtjes stampen, leren, feitenkennis vergaren. Dat doe je later niet meer zo gemakkelijk. Ik maak nog steeds spelfouten en daar baal ik van. Er zijn zoveel dingen die ik naar mijn idee niet goed genoeg weet, die ik niet kan.

      Ik heb er altijd last van gehad dat er zo weinig mensen uit een zelfde soort nest kwamen als ik. Ik voelde mij altijd anders. Ook op de OSB. Bij de Nederlandse les werd gevraagd welke krant je ouders lazen. Dat was voornamelijk De Telegraaf, Het Parool en een enkele De Volkskrant. Dan durfde ik niet te zeggen dat mijn ouders NRC Handelsblad en De Waarheid lazen.

      Ik heb twee jaar psychologie gestudeerd: een propedeuse in een sociale wetenschap was nodig om communicatiewetenschap te kunnen studeren. Psychologie trok me wel, maar ik zie mezelf niet als psycholoog. Ik ben sowieso meer praktisch ingesteld. Dit jaar stop ik. Ik moet nog één tentamen halen, anders moet ik alles terugbetalen. Ik heb er veel geleerd, maar ik zou niet weten hoe ik die kennis moet toepassen. Onderzoeker wil ik niet worden. Een kennis vroeg me of ik de productie wilde doen van zijn eindexamenfilmpje voor de Filmacademie. Fulltime was ik ermee bezig en dat is me goed bevallen. Ik kan goed organiseren, overzie de dingen.
      Nu ben ik aangenomen op de Media Academie, voor de cursus Productie. Duurt een maand. Er worden maar zes cursisten per jaar geplaatst. Mijn ouders betalen de helft van de cursuskosten van 6.000 gulden, ik de andere helft. Ik werk veel, in het theater en bij een telefonische antwoordservice. Uit dat project voor de Filmacademie zijn meer dingen voortgekomen. Nu heb ik een baan aangeboden gekregen. Volgend jaar kan ik beginnen met de productie en de publiciteit van de Stand-up comedy in Amsterdam. Verder wil ik dingen doen die ik niet geleerd heb, zoals een cursus Frans en een cursus tekstverwerking. Ik koos op de OSB een exact lespakket en had dat eigenlijk niet moeten doen. Dat was in die tijd van 'Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid: Kies Exact'.
      Achteraf vind ik dat ik naar de Filmacademie had gemoeten, productiewerk. Of iets met Nederlands, journalistiek, desnoods een hbo-opleiding Communicatie. Ik vind schrijven leuk en leraren waren altijd enthousiast over mijn teksten. En na de middelbare school had ik een lange reis moeten maken. Net als mijn broer.

      Ik ben vrij opgevoed, werd nooit erg afgeremd. Mijn ouders gingen op een relaxte manier met ons om. Ze hebben het goed gedaan. Er was veel ruimte voor discussie, er werd naar je geluisterd, je werd in je waarde gelaten. Bij sommige vrienden zie ik dat het ook anders kan. Er zijn ouders die op een verschrikkelijke manier met hun kinderen omgaan. Er bovenop zitten. Niets mag en alles moet.
      Ruzies werden bij ons altijd aan tafel uitgepraat. Mijn broertje en ik bemoeiden ons er zelfs mee als onze ouders ruzie hadden. Als je ouder wordt, kun je dingen van je ouders nuanceren.
      Nog steeds wil ik ruzies altijd uitpraten. Ik woonde met een vriendin samen en zij had geleerd om af te koelen als je een heftige ruzie hebt. Dan ga je even naar boven. Dat werd een hysterische situatie:
      'Ik ga nú weg!'
      'Nee, we gaan het nú uitpraten.'
      Ik heb geleerd dat je niet ergens voor wegloopt. Een totaal andere benadering.
      Mijn ouders hebben natuurlijk ook fouten gemaakt. Snoepen mocht absoluut niet; ik was er gewoon bang voor. Een keer gaf een buurjongen me een lolly om me te troosten toen ik was gevallen. Die verstopte ik. Maar ik heb geen gaatjes! Televisie kijken, ook zoiets. We moesten heel bewust tv kijken, in de VPRO-gids onderstrepen wat we wilden zien. Ik kreeg ruzie toen ik Dynasty wilde kijken. Je moest er op school over kunnen meepraten, maar dat kon ik niet.
      Dat mijn ouders vroegen hoe het op seksueel gebied ging, dat was bij mijn eerste vriendje, vond ik echt te ver gaan. Maar ze vonden het weer helemaal geen probleem dat ik aan de pil ging.

      Mijn aanpassingsvermogen is groot. Toch ben ik kritisch ten aanzien van anderen, zeker tegenover mannen. Ik probeer snel te ontdekken hoe prikkelend, hoe interessant iemand is. In oktober vorig jaar ging het uit met mijn vriend. We waren zo verschillend. Ik kreeg het gevoel absoluut niet begrepen te worden. Ik probeerde iets uit te praten, maar het kwam niet aan. Terwijl ik gewend ben dat er serieus naar me geluisterd wordt.

      Mijn vader was vroeger CPN'er. Niet fanatiek, mijn ouders stonden open voor ideeën. Tegenwoordig is het meer iedereen voor zich, niet meer: we gaan samen de maatschappij veranderen. Ik heb ook geen politiek ideaal. Vanuit mijn achtergrond zou ik Groen Links moeten stemmen en over bijvoorbeeld de illegalenproblematiek een uitgesproken mening moeten hebben. Maar ik stel mezelf de vraag: wat is nou echt het probleem? Dus niet alleen maar roepen dat we niet mogen discrimineren en overal voor open moeten staan. Ik probeer alle kanten te zien en dan tot een mening te komen.
      Sommige mensen vinden dat je links moet zijn omdat dat vanuit je opvoeding hoort. Daar ben ik het niet mee eens. Als jouw ideeën beter tot hun recht komen bij een andere partij, voor mijn part bij de VVD, moet je op die partij stemmen. Waarom zou je iets stemmen vanwege je achtergrond? Dan lijkt het wel een geloofskwestie.
      Met mijn vriendin heb ik het vaak over vroeger, over opvoeding, over kind zijn. Ik vond de kindertijd leuk: het spelen, het vrije, geen verplichtingen, lekker doen wat je wilt, niet met de zorgen van het dagelijkse leven bezig zijn.
      Als ik mijn rondjes Vondelpark heb gelopen, ga ik vaak bij het pierenbadje liggen kijken hoe mensen met hun kinderen omgaan. Sommige kinderen moeten per se een broekje aan en dan denk ik: Laat dat kind toch gewoon lekker in z'n blote kont lopen. Of niet als het dat niet wil.
      Ik ben blij met wie ik ben, dus met hoe ik opgevoed ben en wat er van me terecht is gekomen. Opvoeden is heel belangrijk, maar ook moeilijk. Ik weet niet of ik dat zo goed zou kunnen als mijn ouders. Ik denk er de laatste tijd best over na. Ik wil wel voor m'n dertigste kinderen krijgen.

      *****


      2011
      In april 2011 blijkt Debbie productiecoördinator te zijn bij de televisie.
      Ze woont samen met haar vriend en ze hebben twee kinderen, twee jongetjes, een van acht en een van zes jaar.

      Huisregels(dit briefje hangt in de keuken)
        Ik praat rustig
        Ik houd mijn handen en voeten bij me
        Ik ruim mijn eigen spullen op
        Ik doe aardig
        Ik doe wat er gevraagd wordt
      Het ziet er zo streng uit, dat lijstje met huisregels. Maar ze zijn nodig voor het jongste kind dat autistisch is. We leerden op een cursus dat je kinderen als hij kunt stimuleren in hun ontwikkeling door ze te volgen op hun niveau, er bij aan te sluiten en dan iets toe te voegen. Formuleren wat er gebeurt, duidelijk zijn over wat je niet wilt en een alternatief bieden. Dat is eigenlijk voor elk kind goed. Ik houd ook van duidelijkheid, van grenzen aangeven.
      We hebben vaste rituelen. Als de oudste van acht begint dat andere kinderen later naar bed gaan of iets mogen wat hij niet mag, zeg ik dat alle mensen verschillend zijn. Dat voor de een dit belangrijk is en voor de ander dat.
      We eten ook bijna altijd samen. Dat heb ik van huis meegekregen. Mijn ouders spelen een grote rol in de opvoeding van mijn kinderen. Elke vrijdag logeren ze daar. Ze zullen daar met andere regels te maken hebben dan thuis, en dat is prima.
      We doen veel gezamenlijk met de buurt en de buren spreken de kinderen ook wel aan. Maar daar houdt het mee op. Geen groepsopvoeding. We uiten geen kritiek op de manier waarop een ander opvoedt. Ik kan me wel eens ergeren als iemand al duizend keer heeft gezegd dat iets niet mag, maar niet ingrijpt. Dan denk ik: Doe dan wat. Met vriendinnen praat ik wel over wat we moeilijk vinden. Meestal aan de hand van iets concreets. Bijvoorbeeld hoe je met een driftbui van een kind omgaat.

      Mijn ouders hielden weinig rekening met onze kinderlijke drang ons te conformeren. Ik vond het vreselijk als ze me naar school brachten op hun sandalen.
      Het is een moeilijk punt: in hoeverre pas je je aan aan wat buiten je eigen huis gewoon is. Stel dat de kinderen op straat elkaar slaan als ze ruzie hebben. Dat mocht ik niet van mijn ouders en daar sta ik helemaal achter. Mijn broer en ik moesten conflicten uitpraten.
      Op mijn werk leidt het praten over een conflict vaak tot een verbetering, tot een goede werkrelatie. Dat wil niet zeggen dat ik ook alles overleg met mijn kinderen. Ik wil wel iets uitleggen, maar 'nee' is gewoon 'nee' omdat ik de baas ben. Autoritair zijn mag zo nu en dan, als het maar wel ergens op gestoeld is.
      Toch blijft het laveren tussen principes en aanpassing aan de groep. Een paar kinderen in mijn zoontjes klas hebben al een eigen telefoon. Ze zijn pas acht! Daar doe ik dus niet aan mee. Als je naar de middelbare school gaat, heb ik gezegd. Maar of ik dat volhoud… Over snoep doe ik niet zo moeilijk als mijn ouders. Ik heb niet veel snoep in huis, maar ze kunnen het krijgen als ze erom vragen. Als je er zo streng over doet als mijn ouders, blijft die snoep altijd trekken.
      Als de kinderen tv willen kijken, kan dat, maar ik zet 'm nooit zelf aan. Stan kijkt alleen naar Nederland 3 of naar een dvd. Als m'n zoontje alleen maar naar Nederland 3 of naar een dvd kijkt als hij zich verveelt, vind ik het wat anders. Waarom zou je je niet eens lekker vervelen? Ze gaan dan vanzelf wel iets verzinnen. De dagen van sommige kinderen zijn volledig dichtgetimmerd met clubjes, sporten, muziek. Alsof ze altijd maar vermaakt moeten worden…

      Ik wil mijn kinderen een veilige omgeving bieden. Maar ze moeten ook begrijpen dat niet alles rozengeur en maneschijn is. Niet alle narigheid is te voorkomen. Vallen hoort bij het leven.
      Ik hoop dat mijn kinderen opgroeien tot zelfstandige, bewust levende volwassenen die rekening houden met anderen en betrokken zijn bij wat er in de samenleving gebeurt. Dat ze niet zomaar iets overnemen van anderen, maar zelfstandig tot oordelen komen. Dat ze tolerant zijn en solidair met wie het moeilijk heeft. En natuurlijk dat ze zich optimaal ontplooien en later iets gaan doen waarin ze hun talent kwijt kunnen.
      De taak van de school daarbij betreft sociaal gedrag en bewust in het leven staan. De oudste weet met z'n acht jaar al dat hij niet gaat roken en drinken. Misschien één glaasje per dag, zei hij erbij, dat is goed voor je hart.

      In mijn vriendenkring merk ik niet veel van idealisme. Ja, in theorie. Maar in de praktijk wil iedereen een goed leven hebben, in materialistische zin dan. Ik ben ook niet erg idealistisch. Ik stem wel altijd links, met een uitschietertje naar het midden. Ik geloof er ook niet in dat je door opvoeding de maatschappij kunt veranderen. Wel denk ik dat het de maatschappij kan helpen als je een goed mens aflevert.
      Respect is de kern: respect voor jezelf, voor elkaar en voor de omgeving. Ik probeer mijn kinderen altijd de andere kant van een verhaal te laten horen. Voor mij hoort dat bij een kritische blik: dat je meerdere kanten kunt zien, dat je je inleeft in de standpunten van anderen, je afvraagt hoe het komt dat bijvoorbeeld mensen op Wilders stemmen. Het is te gemakkelijk om die mensen als slecht af te doen. Aan verschijnselen als positieve discriminatie en politiek correct zijn, heb ik me altijd geërgerd. Wel hoop ik dat de samenleving weer toleranter wordt. Dat mensen meer naar elkaar toe groeien.

      Vroeger dacht ik: Dat kan ik nooit, zo goed opvoeden als mijn ouders. Als je nog geen kinderen hebt, kun je je daar maar moeilijk een voorstelling van maken. Je moet ook op een lijn zitten met je partner. Dat kan lastig zijn. Hij denkt over sommige dingen anders dan ik.
      Het moeilijkste vind ik het om geen emotionele chantage te plegen, niet te zeggen: 'Wat word ik daar verdrietig van.'









      Alex (1971) zat op de crèche van Stichting Utrechts Kinderplan

      1995
      Hij zit op de Gerrit Rietveld Academie

      De crèche zat in een oud schoolgebouw. Er waren grote trappen en er zat een enorm schoolplein achter. Er ging iets dreigends van uit, maar ik vond dat, denk ik, wel lekker. Op dat schoolplein werden we gelucht, zeg maar. Meestal deed je dingen voor jezelf. Wel waren we allemaal tegelijk boven of allemaal beneden. Je kon niet op jezelf naar beneden of naar het schoolplein gaan. Ik speelde met poppen en er waren fornuisjes. Buiten was een grote zandbak in een soort kooi, met van die opgehangen autobanden waar je in kon zitten. Er was een schuurtje met een vierkant gat erin en daaromheen was een enorme bloem geschilderd. Daar kroop ik in, in dat schuurtje, meestal in m'n eentje.

      De kleuterschool was vlakbij. Ook hier was een poppenhoek met een keukentje. We zaten met z'n vieren aan een tafeltje, heel anders dan op de crèche. We deden veel meer gezamenlijk. Allemaal tekenen, of allemaal een liedje zingen, allemaal prikken. Ik was de enige van de crèche op die kleuterschool.
      Op de lagere school zaten wel weer kinderen van de crèche. Dat was net iets makkelijker in de omgang. Op die school, een Daltonschool, kreeg je een taak. De bedoeling was dat je leerde zelf je tijd in te delen en zelf aan de slag te gaan. Een soort vroege verzelfstandiging waardoor je op de middelbare school makkelijker zou kunnen leren. Bij mij werkte dat niet zo goed. Maar je taak moest wel af, anders moest dat op vrijdagmiddag, als de anderen naar huis gingen. Meestal had ik hem net op tijd af. Misschien had ik meer begeleiding nodig gehad, maar geen dwang. Ik ben nooit goed geweest onder dwang. Zomaar dingen van een autoriteit aannemen, daar heb ik het moeilijk mee. Maar ik ben wel iemand die zichzelf erg moet motiveren om dingen gedaan te krijgen.
      Ik was niet echt het lulletje van de klas, maar wel een beetje een buitenstaander. Als er met gym gekozen moest worden, bleef ik meestal over. Ik was lang en onhandig. Op een lagere school is een rare manier van ordenen, van een leider kiezen. In de klas staan altijd een paar mensen boven de rest. Voor mij was dat niet zo vanzelfsprekend. Ik was niet op zoek naar een plek in het middelpunt. Ik wilde iets eigens, misschien iets creatiefs. Ik fantaseerde veel over andere werelden en over niveaus, niet boven elkaar, maar naast elkaar. Mensen die op verschillende manieren leven.
      Op school kwam een jongen die punk was en dat trok mij aan. Iemand die buiten de rest staat en toch een soort aanzien heeft, omdat hij ervoor kiest anders te zijn. Die punk, hij zat in de zesde, had geverfd haar en een leren jas waar allemaal dingen op gekalkt waren, en een veiligheidspeld door zijn oor. Dat ruige, magische vond ik aantrekkelijk. Ik zat toen in de vierde en liet een oorbel schieten. Dat was in een tijd dat jongens nog geen oorbel droegen. Met mijn vader kocht ik een leren jas op een tweedehands markt. Daarna nam ik buttons. Weer een tijdje later liet ik mijn haar heel kort knippen en ging het blonderen. Dat had veel impact op school. Sommigen probeerden me te pesten, maar met iets waarvoor je zelf hebt gekozen, lukt dat niet goed.
      Ik wilde niet shockeren, maar dat gebeurde natuurlijk wel. In de zesde klas was dat op z'n hoogtepunt. Gekleurd haar, een bepaald soort broek, gymschoenen met teksten erop, buttons, spijkerbandjes om mijn pols. Je geeft jezelf daarmee een identiteit waar je zelf achter staat. Dat gaf een vreemd soort erkenning.
      Ik hoorde niet bij de besten, maar ik was niet meer een grijze muis aan het staartje van de klas. Ik stond er gewoon naast. Misschien was het de vroegste vorm van creativiteit die ik gehad heb. Een sterke drang om eigen dingen te scheppen. Of dat met opvoeding of met karakter te maken heeft, weet ik niet.

      Ik wilde archeoloog worden of kunstenaar. "Word maar archeoloog, dan kun je in je vrije tijd schilderen," zeiden mijn ouders. Ze waren erg gericht op een academische studie. Ik had tv-programma's gezien over mensen die in Afrika of Egypte aan het graven waren. Dat fascineerde me. Het opgraven zelf, maar ik had ook een drang om ergens anders te zijn, daar is het altijd beter dan hier. Ik ben een typische romanticus.
      Ik maakte veel muziek, speelde liedjes na op de gitaar, schreef zelf af en toe liedjes en luisterde naar de Beatles, Jimmi Hendrix, muziek van eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, The Police, blanke muziek.

      Op de middelbare school viel ik bij de meeste leraren in de smaak. Ik zag de leraar niet als de grote boeman, wat andere kinderen in een soort automatisme wel deden. Ik kon opeens met een eigen visie komen. Daardoor vestigde ik de aandacht op me. Ik nam niet zomaar iets aan. Een beetje bijdehand gedrag.
      Dat was op het christelijk gymnasium. Het was een klein schooltje met veel alternatievelingen, maar met gewoon klassikaal les. De docent vertelt wat, je schrijft dat op en leert dat. Iedere dag veel huiswerk, proefwerken. Ik vond het zwaar om in een ritme komen. Ik lette wel op, maar dat ging het beste bij dingen die me interesseerden. Punk was mode en daardoor trok ik de aandacht van leerlingen uit hogere klassen. Het werd op die school niet raar gevonden als iemand uit een hogere klas omging met een brugklasser. Dat was een verademing. Ik kreeg praatjes en in de klas had ik aanspraak. In de eerste klas bleef ik zitten. Ook mijn zus haalde slechte resultaten en samen vertrokken we naar een scholengemeenschap. Die was groter en schoolser, moeilijk om een goed contact met de leraren te krijgen. Een beetje een kakschool, met blanke kindertjes, niet superchique, maar wel wat rijker.
      Het contact met de leerlingen was totaal anders dan op het christelijk. Iedereen leek jonger. Er werd tegen me opgekeken. Dat was raar. Ik had vaak aanvaringen met leraren. Zij zeiden dat iets op een bepaalde manier moest en ik vond dat het anders kon. Ik was een stoorzender en gedroeg me zo dat ik er net niet uitgestuurd werd.
      Een leraar klassieke talen was echt erg. Hij meende aan je houding te kunnen zien of je het kon of niet. Hij liet je denken dat het aan jou lag. Ik lag met hem overhoop. Die man was ook in staat om net zo lang in je proefwerk te zoeken tot je een vijf had, of erger. Gewoon om te bewijzen dat het niks met je zou worden. Ik neem hem zijn gedrag erg kwalijk. Hij was al zo lang op die school dat het schoolbestuur hem niet meer kon ontslaan.
      Met ouders kon hij mooi praten. Mijn ouders hebben ook gymnasium gedaan en daar sprak hij ze op aan. Ze vonden hem aardig, maar op een gegeven moment hadden ze door dat hij niet deugde.

      Ik koos handvaardigheid als eindexamenvak. Dat kon toen voor het eerst. Tekenen was jammer genoeg geen eindexamenvak. Met beide leraressen handvaardigheid had ik meningsverschillen over kunst en over hoe ik werkte. Ze vertelden mij hoe het moest, hoe het op de academie toeging. Daar beoordeelden ze me op. Dat vond ik moeilijk, ook omdat kunst me aan het hart ging en we dezelfde passie hadden. Maar zij hadden de autoriteit. Op een gegeven moment vatten ze alles wat ik zei negatief op. Dat was niet meer te doorbreken. Ik kan er nog steeds boos om worden. Nu ben ik op de Rietveld aangenomen en nu wéét ik dat het onzin was wat ze zeiden. Die leraressen en die leraar klassieke talen waren de reden om van het gymnasium af te gaan.

      Ik ging naar het volwassenonderwijs, de avondschool. Ik was net negentien. Wat een verademing. Ik had geen creatief vak daar, dat was een gemis, maar ik kon opeens met de leraren opschieten. Tijdens het tweede jaar - ik haalde het net niet in één jaar - heb ik ook het voorbereidende jaar voor de Kunstacademie in Den Haag gedaan. Iedere zaterdag, heel prettig. Een eigen wereldje in een andere stad.
      Na het eindexamen begon het grote streven ergens aangenomen te worden. Den Haag heb ik eerst geprobeerd. Toen ben ik filosofie gaan studeren in Amsterdam. Ik ben ermee gestopt omdat er veel wiskunde aan te pas kwam en ook omdat het autoritair werd gegeven. Je werd met de visie van de professoren om je oren geslagen zonder dat je daar tegenin mocht gaan of je eigen visie mocht geven. Ze hadden ook kunnen vertellen wat een filosoof heeft geschreven en op welke manieren je dat kunt uitleggen. In het midden laten hoe je daar zelf over denkt. Filosofie heb ik niet afgemaakt.
      Het jaar daarop meldde ik me aan bij de Rietveld. Daar ben ik twee keer afgewezen voordat ik, nu dus, werd aangenomen. En dat terwijl ik tot mijn derde jaar nooit wilde tekenen.

      In de twee jaar dat ik niet studeerde, heb ik veel geleerd. Daardoor ben ik een hoop dingen gaan waarderen, zelfs feitenkennis. Aan veel feitenkennis van de middelbare school heb je niets. Maar het gaat er ook om dat je je hersens traint. Echt belangrijk is dat je zelf gaat denken en daar is feitenkennis niet zo veelzeggend in. Het leggen van verbanden is belangrijker.
      Toen ik studeerde, had ik geen baan en weinig geld. Daarna heb ik veel uitzendbaantjes gehad. Dan werk je soms met een ander slag mensen dan je gewend bent. Bij financiële problemen kon ik bij mijn ouders aankloppen, maar ik zeur liever niet om geld. Ik heb nu even een uitkering, dus ik sta in feite bij iemand anders om geld te zeuren.

      Mijn ouders hebben meer aan me geschaafd dan me in een mal geperst. Ze accepteerden mijn punkgedrag, al waren ze er niet blij mee. Ze vroegen me wel eens of ik dit of dat nu wel zou doen, maar ze schreven nooit voor hoe het moest en lieten me mijn gang gaan. Misschien ben ik daardoor een beetje onzeker geworden. Andere kinderen hebben soms duidelijke waarheden, met een vader die zei dat iets zus of zo is.
      Maar roken mocht ik niet. Ik zou duizend gulden krijgen als ik tot mijn achttiende niet zou roken. Ik begon toen ik dertien was. Ik rook nu al een paar jaar niet meer. Roken is de pest, zeker als je in de groei bent.
      Mijn jongere broertje en zusje mogen veel meer dan mijn zus en ik. Uren voor de televisie hangen. Als wij keken, werd erop gewezen dat een hoop Amerikaanse series erg dom waren. Mijn broertje kijkt naar dingen waarvan ik me echt afvraag wat daar interessant aan is.

      Van mijn vader heb ik een beetje het streberige. Niet dat ik koste wat kost wil winnen, maar meer dat ik wil weten wat ik wil en of ik het kan. Bijvoorbeeld op de academie terechtkomen. Over veel dingen ben ik niet zo zelfverzekerd, maar ik heb er nooit aan getwijfeld dat ik de academie zou kunnen.
      Van mijn moeder heb ik dat ik me goed kan aanpassen. En ook dat ik af en toe zeg wat ik denk, wat soms hard aankomt. Ik ben wel eens onzeker over hoe ik me moet gedragen. Het is de vraag of dat veel verschilt met iemand die een autoritaire opvoeding heeft gekregen. Zodra dáár aan getornd wordt, wordt zo iemand misschien nog wel onzekerder dan ik.
      Voor agressie schrik ik altijd terug. Vroeger al smeerde ik hem meteen, maar ging wel iemand halen. Als ik iemand te agressief of racistisch vind, ga ik in een hoekje zitten, probeer me in te dekken. Toch val ik op. De mensen vinden altijd wat van me, hebben snel een oordeel. Vaak negatief. Tegenwoordig vinden ze me een lanterfanter. Een wild type met veel vriendinnetjes en weinig diepgang. Waar ze dat vandaan halen, weet ik niet.

      Kinderen opvoeden lijkt me leuk en leerzaam. Veel met ze praten lijkt me essentieel. Niet verplicht, meer vanzelfsprekend. Ik denk dat je jezelf erg tegenkomt als je kinderen hebt. Je komt er natuurlijk achter dat je in sommige opzichten hetzelfde bent als je ouders. Dat je trekjes hebt die te traceren zijn, terwijl je dat niet had gedacht.

      *****


      2011
      In april 2011 is Alex een veertigjarige zzp'er, grafisch ontwerper en 'beeldman' (film, foto). Hij heeft een vriendin, maar woont niet samen; beiden willen kinderen.

      Ik heb het gevoel in een extreem tijdsgewricht te zijn opgevoed. De jaren zestig en zeventig waren links, altruïstisch, provocerend. Nu komt een andere kant aan bod: zelfverheerlijking, zelfverrijking, het opgeblazen individu, oppervlakkigheid, statussymbolen.
      In de tijd van mijn ouders ging het vooral om jukken afwerpen. De regels van nu hebben vaak te maken met populair willen zijn. Omdat een Franse toeriste, misschien onder invloed van geestverruimende middelen, uit een hotelraam viel, kwam er een paddoverbod. Eindelijk iemand die er iets aan doet, denken veel mensen dan. Waarom dan niet ook een grachtenverbod? Er verdrinken per jaar wel vijftien mensen in een gracht. In plaats van verbieden, doe je er beter aan mensen goed in te lichten.
      Alles wat interessant is aan cultuur en samenleving wil men beteugelen. Ondertussen gelden voor individuen allerlei regeltjes die voor grote bedrijven niet gelden. Een bedrijfsbusje mag midden op straat staan of op de stoep. Geen boete. Zelfs als ik allerlei ontheffingen heb, krijg ik toch gezeik. Maar als ik een KPN-sticker op mijn busje plak als ik ergens moet filmen, hoef ik die 24 euro parkeergeld niet te betalen. Mensen worden niet gelijk behandeld. Dat ik dat niet kritiekloos aanvaard, past bij de antiautoritaire opvoeding.

      Als kind was ik bij demonstraties als 'Ban de bom' en tegen de kruisraketten. Dat leek belangrijk, maar het heeft weinig uitgehaald. Structuren van vroeger, zoals manipulatie door reclame, bestaan nog steeds, maar manifesteren zich anders. Wat dat betreft, had de antiautoritaire opvoeding iets naïefs, zowel wat betreft ideeën over het persoonlijke als over het maatschappelijk perspectief. Veel ideologieën, levenswijsheden uit politieke en religieuze stromingen kauwen voor hoe het moet. Ik hoop dat anders te kunnen doen.
      De ideale samenleving bestaat niet. De samenleving is iets dynamisch. Het belangrijkste is dat je door hebt wat er aan de hand is. Met inzicht is een samenleving meer gebaat dan met idealen. Maar het ging de antiautoritaire opvoeders er vooral om kinderen los te laten, ze niet al te zeer te beïnvloeden. Volgens mij is dat de essentie van opvoeden. Dat kinderen zelf, op een vrije manier, kunnen ontdekken, creatief zijn, beslissingen nemen over wat ze wel en niet accepteren. Ik zou ze wel wapenen tegen naïviteit. Dat is lastig: informatie komt op een heel andere manier tot je dan vroeger. Je kunt op een simpele manier van alles te weten komen. Daarom zou ik ze kritisch leren omgaan met nieuwe media, maar wel luchtig; sociale media hebben ook met fun te maken.

      Stel dat je nu wantrouwen tegen autoriteit zou willen propageren. Dan loop je tegen heel andere dingen aan dan veertig jaar geleden. Kort door de bocht gezegd was autoriteit vroeger de verzonnen formule om de bevolking tevreden en tegelijkertijd in het gareel te houden. Tegenwoordig moet het besturend orgaan opiniërend zijn en zo opereren dat organen als Twitter die opinie overnemen. Dan heb je een heleboel autoriteiten. Dat is behoorlijk eng en kan mensen dom houden. Ze denken te weten waarover ze het hebben terwijl een heleboel buiten beschouwing blijft. Wilders maakt daar met zijn PVV handig gebruik van. Het onderbuikgevoel dat via sociale media geventileerd wordt, heeft er, denk ik, mee te maken dat veel mensen een soort autoriteit willen worden. Maar ik merk toch ook dat mensen diepgang tonen. In een andere vorm dan vroeger, tussen grapjes door. Mensen van wie ik het nooit had verwacht, demonstreerden tegen kernenergie.

      Mijn kinderen hoeven de maatschappij in politieke zin niet te veranderen. Wel wil ik dat ze weten dat dingen op een bepaalde manier werken en dat die manier niet per se een verstandige of logische is. Kwesties hebben veel kanten. Neem het drugsbeleid. Als heroïne heel goedkoop en zuiver is, verdwijnen veel problemen. Maar de criminelen die er geld aan verdienen, gaan zich dan met iets anders bezighouden.
      Reflectie is belangrijker dan regels. Normen, samenlevingsregels moeten een functie hebben. Wat is het voor onzin dat de NS een stiltecoupé instellen? Met z'n allen in dat blik en dan stil zijn? Dat is niet realistisch. Blijkbaar denken mensen dat we dat met z'n allen hebben afgesproken. Daar ben ik allergisch voor, voor ongeschreven regeltjes.

      Ik zou mijn kinderen een soort gereedschapskist voor het leven willen meegeven. Daar zit in dat ze de waarde van het individu onderkennen. Iedereen wil deel uitmaken van een groepje, maar dat moet niet klakkeloos gebeuren. Dat zou ik bij mijn kinderen saboteren, vooral door veel met ze te praten. Ik zou de ontwikkeling van de eigenheid benadrukken en stimuleren. Het is waardevol je bewust te zijn van je eigen ideeën en op te komen voor wat anderen als anders, als een afwijking zien. Vaak worden heel eigen dingen er het eerst uitgehamerd. Dat doen kinderen zelf al. Ze vertellen elkaar hoe 'het' moet.
      Ik wil dat mijn kinderen zich afvragen wat ze er zelf van vinden. Dat ze anderen niet nawauwelen. Ze wapenen tegen de mening van de meerderheid. Daarmee geef je je kinderen tegelijk iets zwaars mee. Het is makkelijker om niet na te hoeven denken. Maar ik zou niet weten hoe je zonder reflectie tot standpunten kunt komen.

      Het dragen van dure merkkleding vind ik niet zo'n probleem. Dat heeft meer te maken met je willen losweken van je eigen nest. Ik zou daar alleen problemen mee hebben als ik het niet kan betalen. Belangrijker is dat je kind niet gemakzuchtig is, niet laat liggen wat het in huis heeft. Creativiteit is nodig om het leven prettig en logisch te maken. Die creativiteit moet je los weken. Misschien doe je daar je nageslacht het grootste plezier mee, maar misschien is dat helemaal niet makkelijk over te brengen.

      Kinderen moeten weten wanneer anderen last van ze hebben. Dan gaat het me niet om ergernissen. Iedereen kan zich wel ergeren. Het gaat erom dat een kind zijn omgeving serieus neemt. Als ze empathie hebben, doen ze dingen al op een aardige manier. Opvoeden is ook een maatschappelijke investering en empathie maakt de wereld beter. Dat betekent niet dat er een grens is aan het vrij kunnen zijn, aan zijn wie je wilt zijn. Maar wel dat er misschien een punt komt waarop je creatief moet worden om vrij te kunnen zijn.

      Nog heel lang ben ik de mensen van de crèche blijven zien, op kampeerweekeinden en reünies. Een klein groepje gaat nog steeds met elkaar om. Ook de ouders van de crèche zijn nog lang met elkaar omgegaan. Er was een soort cohesie, een soort contraklimaat. Ik mis die geestverwantschap. Geestverwantschap heeft nu meer te maken met 'dingen voelen goed'.

      Mijn ouders hadden mij meer discipline bij mogen brengen, mijn competenties wat sterker mogen stimuleren. Soms lieten ze mij zo vrij dat ik de kantjes eraf kon lopen. Als je gaat drummen, moet je discipline hebben om verder te komen en er daardoor meer lol aan te beleven. Ik ben gedisciplineerd, maar alleen als ik het nut ervan inzie. Dat kan de creativiteit flink remmen.
      Maar ze leerden me wel kritisch te kijken, hadden weinig waardeoordelen. Ze luisterden naar me, ook als ik iets doms zei, namen ze me serieus. Ze gaven me de mogelijkheid me te ontwikkelen zonder me in een richting te duwen. Ze stonden open voor wensen. Niet die oppervlakkige van speelgoed, maar van wat ik zou willen kunnen, op welk gebied dan ook.
      Ze namen me al jong mee naar een kunsttentoonstelling. Dat is voor allerlei dingen bepalend geweest. Dat gevoel vrij te zijn in het ontdekken, vrij te kunnen denken, je eigen wereld te kunnen maken, is voor mij essentieel.









      Lenie (1967) zat op de antiautoritaire crèche in Groningen

      1995
      Haar studie, communicatiewetenschappen, heeft ze in net afgerond. Lenie heeft nu een vaste vriend.

      Ik had het naar mijn zin op de crèche, al vonden andere mensen ons soms vies, zeker als we hadden geverfd en daarna boodschappen deden. Vanaf de Grote Markt gingen we er met de bus naartoe. Ik speelde nooit met poppen. Wel in een echte auto. Die stond in de tuin, fantastisch.

      De lagere school in het dorp was een autoritaire, prestatiegerichte school; er werden flinke straffen uitgedeeld. De meester deed denigrerend tegen minder slimme leerlingen. Achteraf realiseer ik me hoe afschuwelijk dat voor hen moet zijn geweest. Er waren ook kinderen die wel slim waren maar niet zo sociaal vaardig. Die hadden niet door wanneer je iets tegen de meester kon zeggen. Een jongetje en ik werden voorgetrokken omdat we de besten waren. Wij kregen privileges. Als de bibliotheekbus langskwam, mochten wij de boeken voor school uitzoeken. En natuurlijk kregen we de hoofdrol in de musical of in het toneelstuk. Dat prestatiegerichte zou ik nu niet meer prettig vinden, maar toen was dat voor mij een voordeel. Ik werd geprezen. Dat vond ik leuk, maar de antiautoritaire beweging was daar juist tegen.
      Ik vind het belangrijk dat je op dezelfde school zit als de kinderen uit je buurt. Toch zou ik mijn kinderen niet naar die school van mij sturen. Die gefrustreerde meester zit er nog steeds, zo'n man die kickt op z'n positie en daar misbruik van maakt.
      Bij de andere kinderen ging het thuis heel anders dan bij ons: netjes aan tafel zitten, netjes eten. Het bestaan was strakker geregeld. Maar me aanpassen kon ik goed. Behalve zo vroeg slapen. Bij mijn vriendinnetje moest ik om zeven uur naar bed en dan kon ik echt nog niet slapen.

      Er waren misschien tien kinderen van mijn leeftijd in het dorp, van wie er vijf naar dezelfde middelbare school gingen. De rest ging naar de huishoudschool. Ik ging naar het gymnasium in Groningen. Ik was opstandig, een erge puber. Samen met vriendjes spijbelde en blowde ik. Ik leefde me uit. Blowen was gewoon op mijn school, ook tijdens de les. Stiekem.
      Ik was vooral met mezelf bezig: hoe ik was, hoe ik overkwam bij andere mensen. Mijn vrienden waren achterbaks en erg opgefokt. Onderling was het afschuwelijk, met haat en nijd en jaloezie. Ik ging hyperventileren en brak met een aantal mensen.

      Voor mijn doen heb ik voor het examen hard moeten werken en ik vond dat ik wel even uit mocht rusten. Aan studeren was ik nog niet toe. Ik wist niet zo goed wat ik wilde; misschien au pair naar Frankrijk, maar die stap durfde ik niet te zetten. Negentien, examen gehaald, nog een paar maanden thuis gewoond, in de stad op kamers gegaan, een jaar geleerd om op mezelf te wonen en baantjes gehad. Als ik niet werkte, kreeg ik een uitkering.
      Daarna ben ik gaan studeren. Eerst Frans, twee jaar tot de propedeuse. Dat was een leuke studie. Daarna communicatiewetenschappen, zes jaar, en niet altijd even hard gestudeerd. Voor de Nederlands-Algerijnse Kamer van Koophandel richtte ik in mijn stageperiode een blad op voor donateurs. Werk heb ik nog niet, wel soms opdrachten. Mijn vriend en ik willen weg uit Nederland, dus ik ben niet aan het solliciteren. Misschien als ik iets heel goeds zie. We gaan naar Afrika. Dat is voornamelijk het initiatief van mijn vriend, maar ik wil ook. Het is een vervelende situatie, werkloos zijn, hoewel het hier in Nederland goed geregeld is, met sociale voorzieningen en zo.

      Mijn ouders zijn meer mijn vrienden. Ik vertel hun bijna alles, ook dingen die andere kinderen niet aan hun ouders zouden vertellen of dingen die ze niet leuk vinden om te horen. Ik heb eigenlijk nooit geheimen voor hen gehad.
      Mijn moeder en ik lijken op elkaar, we voelen elkaar goed aan. Dat betekent niet dat ik mijn vader minder snel in vertrouwen neem, maar bij hem is het moeilijker om mijn gevoelens te uiten. Misschien is dat het verschil tussen man en vrouw. In mijn puberteit heb ik veel ruzie met hem gehad, niet over hoe laat ik thuis moest zijn, maar conflicten over puberdingen. We zijn alle twee koppig en dat botste. Ik was een tijd echt vervelend en wist alles beter. Mijn vader heeft daar last van gehad. Ik niet. Je moest toch ergens tegen aan trappen. Of is dat stom geformuleerd?
      Van m'n zestiende tot m'n negentiende had ik een vriendje. Mijn vader vond dat ik met hem te veel huwelijkje speelde. Hij vond het truttig en dat was het ook wel. Die jongen had niet zo'n goede relatie met z'n ouders en vond het gezellig bij ons thuis. Hij was er altijd. Mijn moeder had hem min of meer geadopteerd. In die tijd vonden mijn ouders het verstandig als ik aan de pil ging. Ze vroegen niet of ik het al gedaan had hoor, hoewel ik het daar best met ze over had kunnen hebben. Ik was nog helemaal niet met seks bezig en schrok van hun opmerking. Toen ben ik wel aan de pil gegaan. Ik dacht: dat moet blijkbaar. Ik vond het ook wel stoer. Overigens ben ik niet met die jongen naar bed gegaan.

      Mijn ouders vonden het belangrijk dat ik zelf het leven zou ervaren. Pas als ik zelf met iets kwam, hadden we het erover. Ze hebben nooit gezegd dat ze iets niet goed vonden of dat ik iets anders moest doen. Ik zag zelf wel of ik iets fout deed en ben nooit echt over de schreef gegaan. Belangrijke beslissingen neem ik zelf en als ik advies wil, ga ik meestal naar mijn vader. Die is daadkrachtiger, heeft sneller argumenten. Mijn ouders maakten me duidelijk dat het misschien beter voor me zou zijn om de deur uit te gaan. Daar zag ik weinig reden toe. Het was gezellig thuis; er waren altijd mensen.
      Ik denk dat ik mijn kinderen net zo zou opvoeden als mijn ouders. Maar misschien krijg ik kinderen die meer sturing nodig hebben.

      Tijdens mijn studietijd ben ik me geleidelijk voor politiek gaan interesseren. Dat komt ook door mijn vader; die was lid van de PvdA. Mijn vriend is actief binnen die partij, dus we hebben het er vaak over. De PvdA geeft jonge mensen de kans een opleiding te volgen op een terrein dat ze zelf boeiend vinden. Het gewest Groningen is een soort pilotgebied. We gaan alle twee in het najaar een scholingstraject volgen. Ik wil graag onderzoek doen naar de manier waarop de PvdA en de politiek in het algemeen met jongeren omgaat. Vind ik interessant, de vraag hoe je mensen bij de politiek betrekt. Als jongeren weten waar partijen voor staan, gaan ze zich daar misschien bij thuis voelen. De PvdA zou een boodschap moeten hebben die jongeren aanspreekt. Bolkestein kan dat. Die roept dingen waarbij mensen zich iets kunnen voorstellen. Daar trappen jongeren in. In mijn vriendenkring valt hij goed. Verschrikkelijk natuurlijk, maar hij is een interessante man.

      Ik ben bang dat het binnen een aantal jaren flink verrechtst. Zevenendertig procent van de leerlingen op middelbare scholen vindt dat er te veel buitenlanders in Nederland wonen. Die zijn straks volwassen en blijven waarschijnlijk zo intolerant denken. Niet leuk.
      Toch is Nederland nog een goed land. We zijn regelmatig in Frankrijk, de ouders van mijn vriend wonen er, en daar zijn ze nationalistischer, chauvinistischer en intoleranter.

      *****


      2011
      In april 2011 is Lenie communicatieadviseur.
      Ze is gescheiden, hertrouwd met Daniël. Samen hebben ze twee kinderen: een meisje van zes jaar en een jongetje van twee.

      Mijn ex en ik hebben zes maanden in Afrika gereisd en gewerkt. Nu wordt er anders over ontwikkelingswerk gedacht, zakelijker. Dat is goed. Maar dat het op alle fronten zakelijker wordt, vind ik niet goed. Die zakelijkheid heeft tot juridisering geleid. De angst aansprakelijk te worden gesteld, zit er goed in. Alles wordt afgetimmerd, moet volgens regeltjes. Dat is jammer. Sommige mensen willen zich tegen alles kunnen verzekeren, maar pech hoort bij het leven. Ook een kind moet dat leren.
      Ik zou willen dat het normaler wordt dat je iets voor niets doet. Je hebt niet alleen rechten, maar net zo goed verantwoordelijkheden. Minder individualisme en meer politiek bewustzijn, meer tolerantie, meer aandacht voor de kunsten; dat zou ik willen. Ik ga met mijn dochtertje naar het Frans Halsmuseum, niet naar Disneyland, en ze vindt dat leuk.

      Een vriendin van me deed haar dochtertje van drie een bovenstukje aan als ze ging zwemmen. Zei die vriendin: "Ze moet er wel netjes bij lopen." Hoezo netjes? Ik vond het pervers. Je seksualiseert iets wat daar nog niets mee te maken heeft. Kinderen in hun blootje op het strand zouden aanstoot geven. De preutsheid neemt toe. Maar inmiddels ben ik overstag: Tamara draagt ook een bovenstukje. Omdat alle kinderen dat doen.
      Laatst liep het dochtertje van een vriendin achter haar vriendinnetje aan de trap op. Ze gaf dat meisje een tikje op haar bil, zo van 'loop eens door'. Gingen de ouders van dat meisje protesteren. Dat was een inbreuk op de integriteit van het lichaam van hun dochter. Hoe haal je het in je hoofd!
      Onderwijs en opvoeding zijn geen privé-kwesties. Als jongens met steentjes gooien of iets vreselijks roepen, zeg ik daar wat van. We hebben een huisje op de camping. Laatst zag ik dat een jongetje onze prachtige schutting van takken kapotmaakte. De takken zijn van iedereen, zei hij. Van mij mogen kinderen geen dingen kapot maken, maar wat me echt ergerde was de manier waarop hij me aansprak, zonder enige reserve.
      We gaan vaak met vrienden op vakantie. Dat gaat wel eens mis en dan gaat het meestal om de kinderen. Iedereen voedt anders op en dat kan heel irritant zijn. Het wordt nog lastiger als vrienden hun kinderen slaan of alleen maar negatief tegen ze praten. Daar kan ik slapeloze nachten van hebben. Hoe kun je die kinderen helpen? vraag ik me dan af. Wat is een goede manier om die ouders aan te spreken?

      Mijn dochtertje gaat naar een buurtschool, een christelijke lagere school. De directrice gaat uit van de mogelijkheden van het kind. Die school heeft meer positieve kanten: gemeenschapsdenken, dingen doen voor anderen, naastenliefde. Toch heb ik er een beetje spijt van. Tamara heeft een voorsprong in vergelijking met de andere kinderen en daar doen ze op school niets mee. Een Montessorischool zou misschien beter zijn. Maar ze is erg gelukkig op haar school, ook al moet ze 'u' zeggen en de juf een handje geven als ze binnenkomt. Ik denk dat respect niet in dat soort dingen zit, maar in hoe je je opstelt. Empathie is belangrijk.
      Ik heb niets met ouders die bij het minste of geringste bij het schoolhoofd op de stoep staan, maar als de meester of juf het echt niet goed doet, grijp ik in. Dat moet; is het niet voor Tamara, dan wel voor de kinderen die na haar komen.
      Wat me opvalt, is de prestatiegerichtheid, ook van de ouders. Als de kinderen vier zijn, wordt er al een competentielijst van hen opgesteld, met hun scores, en in groep 3 krijgen ze al een Cito-toets. Vijf kinderen uit Tamara's klas zitten in een concentratiegroepje, omdat hun ouders koste wat kost willen dat ze over gaan. Ieder kwartaal worden de kinderen op zo'n zestig punten getest. Daar wordt een kind gestrest van. De ouders en de juf bespreken de resultaten en het verslag ervan moeten de ouders tekenen. Dan is de school gedekt als ouders hun recht willen halen. Dat is de juridisering van de maatschappij.

      Mijn ouders waren chaotisch. Ik ben meer een controlefreak, consequenter, gestructureerder. Ik bepaal hoe laat de kinderen naar bed gaan. Bij mijn ouders was het een groot inloopfeest, maar ze waren ook veel jonger toen ze ons kregen, konden meer aan.
      Ik zat zelf op een autoritaire lagere school. We moesten met onze armen over elkaar zitten. Daar ben ik achteraf blij om. Dat paste meer bij de maatschappij. Natuurlijk wil ik dat mijn kinderen zich later staande kunnen houden. Daar heb ik geen theorie over, dat zit in mijn levensinstelling. Dat ik mijn kinderen leer weerbaar en zelfstandig te zijn, betekent niet dat ik hen nu al aan van alles blootstel. Op de camping, een groot dorp eigenlijk, mag Tamara veel meer dan hier. Ze mag zelf naar de winkel en fietsen zover ze wil, als ze zich maar af en toe laat zien. Maar ik ga niet met haar naar de speeltuin hier. Misschien is dat snobistisch, maar ik wil haar niet confronteren met die opgeschoten jongens. Misschien als ze tien is. Daniël gaat er overigens wel met haar naartoe.

      Wij wonen in een buurt met aan de ene kant wat een elitebuurt heet, en aan de andere kant een volksbuurt. Daardoor zien mijn kinderen verschillende kanten van het leven, bijvoorbeeld dat het niet alleen maar rijk en goed is. Tamara speelt met kinderen uit de volksbuurt en komt daar thuis. Ze leert dus dat iedereen zijn eigen regels heeft. Ze komt op voor andere kinderen. Dat vind ik goed en dat zeg ik haar ook. Meestal lost ze conflicten met vriendinnetjes zelf op. Alleen als dat niet lukt, ga ik met beiden overleggen. Die ruzies zijn nu nog op het niveau van: jij pakt iets van me af. Door boeken te lezen wordt Tamara zich bewust van wat er in de maatschappij speelt, bijvoorbeeld op het gebied van het milieu, zoals in de boeken van prinses Laurentien. Maar ik ga er niet voor zitten om het nou eens met haar over de maatschappij te hebben. Zo werkt het niet. Ze is kritisch, neemt niet zomaar iets aan. Is dat nature of nurture? In ieder geval stimuleer ik die houding. We voeren discussies.

      Veel mensen, ik ook, voeden hun kinderen op zoals mijn ouders het deden. Kinderen krijgen de ruimte om hun grenzen op te zoeken. Als Tamara vraagt waarom iets niet mag en het verbod eigenlijk onzin is, geef ik mijn ongelijk toe. Ik ben geen autoriteit omdat ik de ouder ben. Laatst vroeg ze waarom wij alles bepalen. Nu mag zij elke dag ook iets beslissen, bijvoorbeeld wat we eten. We overleggen. Ik leg veel uit, maar niet alles. Het moet wel binnen grenzen blijven. Je moet er als ouder niet doodongelukkig van worden. Tamara voelt aan waar de grenzen liggen. Dat heeft met empathie te maken.
      Overigens geef ik mijn kinderen niet dat smerige natuurvoedsel dat wij kregen. Wel ben ik zuinig met snoep. Tamara vraagt altijd braaf of ze aangeboden snoep mag accepteren.
      Natuurlijk doe ik wel eens iets waar ik niet trots op ben. Toen Tamara een keer het bloed onder mijn nagels vandaan haalde, heb ik haar in haar blote kont buiten gezet.

      Jongens en meisjes moesten indertijd gelijk zijn. Dat had met het feminisme te maken. Daar hadden ze gelijk in, in die zin dat een kind geen typische jongensdingen opgelegd moet krijgen en een meisje geen specifieke meisjesdingen. Ze moeten zelf kunnen uitmaken wat ze willen of waarmee ze willen spelen. Maar er zijn wel verschillen. Dat zie ik aan mijn kinderen. De jongste is een stereotiep jongetje, met auto's en vliegtuigen. Bij elk hijswerktuig moeten we kijken. In de videotheek kiest Tamara een dvd over Barbie, terwijl ze nog nooit een barbiepop gehad heeft, en hij wil iets over auto's.

      Ik lees veel over wat de ontwikkeling van je kind kan beïnvloeden. Al heeft opvoeden misschien maar op beperkte schaal zin, dat betekent nog niet dat je achterover kunt leunen. Er is zoveel wat je niet weet. Meisjes worden nu eerder ongesteld. Bij Tamara op school krijgt een meisje van acht jaar al borsten. Dan vraag je je toch af hoe dat komt.

      Ik heb een stevige basis van zelfvertrouwen. Dat komt, denk ik, niet door de antiautoritaire opvoeding, maar door hoe mijn ouders zijn. Ik hoop dat onze kinderen later ook zo stevig in hun schoenen staan. Daarom stimuleer ik ze in wat ze willen, dan leren ze op zichzelf te vertrouwen. Dat klinkt bedacht, Amerikaans, maar het gaat vanzelf. Ik probeer ze te horen, ook wat ze tussen de regels door zeggen. Ik wil ze laten zijn wie ze zijn. Ze in een richting duwen, heeft geen zin.
      Met opvoeding maak je geen andere maatschappij. In de jaren zestig en zeventig was dat een naïef geloof, erg idealistisch. Zo idealistisch ben ik niet. Mijn ouders dachten in grote veranderingen. Ik, en ik denk mijn hele generatie, denk meer in kleine stappen.









      Marieke zat op de Pater Brugmancrèche in Nijmegen

      1995
      Er woonde boven ons een oude mevrouw. Die ging dood en toen zijn daar vrienden komen wonen. Ik vond het gezellig en er was altijd iemand thuis. Als Tineke en Vincent niet thuis waren, gingen we naar boven. Soms ook met problemen.

      Van de crèche kan ik me Daantje nog goed voor de geest halen. Hij was mijn vriendje, mijn maatje, vooral als ik in de problemen zat. Daantje was heel groot.
      "Die moet ik te vriend houden voor als er problemen zijn."
      Als ik ruzie had met andere kinderen, dan haalde ik Daantje erbij.

      Er waren een leidster en twee ouders voor tien of twaalf kinderen. Ik vond mijn moeder de leukste, veel leuker dan al die anderen en veel liever. Die andere moeders waren hard. Krengen. Eén moeder sloeg en schreeuwde tegen me. Ik kreeg ook vieze dingen op brood. Ik geloof niet dat die moeders me ooit geknuffeld hebben.
      In de zomer stonden teilen met water buiten en daar mocht je dan in je blootje in spelen. Er was een grote hal met klimrekken en een heel klein, smal keukentje. Op een of andere manier mocht ook niks van jou zijn. En van de ene dag op de andere mocht ik geen mamma meer zeggen.
      "Hoor eens, we zijn Tineke en Vincent, geen pappa en mamma."
      Er werd echt niet naar me geluisterd als ik 'mammie' zei. Ik kon huilen en schreeuwen, maar ik moest Tineke zeggen.

      Op de kleuterschool waren heel veel kinderen en ik kreeg nieuwe vriendinnetjes. Er was een grote poppenhoek met een minihuiskamertje en een keukentje met een fornuisje. Er waren geen ouders. Je kon er straf krijgen. Je moest in de hoek staan. Maar ik niet.

      Ik ging naar een katholieke lagere school vlak bij ons in de buurt. Ik ben gedoopt, maar mocht van mijn ouders geen communie doen, terwijl dat op die school tot de grote feesten behoorde.
      "Als je straks groot bent, kun je altijd nog beslissen of je katholiek wilt worden."
      Achteraf denk ik dan: Dan moet je kinderen niet op een katholieke school zetten.
      De crèchegroep was inmiddels uitgedund tot vier meisjes. De jongens waren, geloof ik, bij de kleuterschool al afgevallen. Misschien gingen die naar de vrije school.
      Tijdens de lunchpauzes hoefden we niet over te blijven, maar gingen we de ene dag naar de ouders van Marietje, de andere dag naar de moeder van Ingrid en een dag naar Cocky. Bij Ivon vond ik het niet zo heel erg, omdat je dan met de auto moest naar een buitenwijk van de stad. Het overblijven bij die anderen vond ik niets. Daar heb ik me tegen verzet. Wie waren zij dat ze mij konden zeggen dat ik vlees op mijn brood moest eten? Of dat je maar één boterham met zoet kreeg, terwijl ik thuis om en om mocht? Daar ging ik niet mee akkoord. Ik vond de overblijfmoeders niet leuk en het eten vies.

      We kwamen ook bij kinderen uit de straat thuis. Ik heb nooit verschil gemerkt tussen hen en mij. Je had twee zusjes waar ik wel eens jaloers op was, want ze kregen geld om naar de frietboer te gaan of om snoep te kopen. Dan werd er gewoon geen eten gekookt. Of ze gingen pannenkoeken bakken. Alles kon daar. Konden zij friet eten en kreeg ik vast weer iets wat ik niet lustte. In verhouding tot de buurt mochten wij heel weinig.
      Op mijn verjaardag mocht ik wel twintig kinderen uitnodigen. Ingewikkelde speurtochten. Hartstikke leuk. Ze aten dan allemaal bij ons, poffertjes, die Tineke voor ons bakte. Vincent liep met ons mee en maakte foto's. Verjaardagscadeaus waren meestal een teleurstelling. Ik vroeg om pratende poppen, meisjesspullen, maar kreeg een brandweerauto of Lego. Racewagens voor m'n broertje, dat zat er ook niet in. Mijn nichtjes hadden wel andere dingen. Ik vond het heel leuk om bij hen te spelen.
      Toch werden we ook verwend. Ik kreeg dan wel geen Barbie, maar wel een cassetterecorder toen ik een jaar of twaalf was. Mijn ouders hadden het geld ervoor. Allebei een baan, zes weken op vakantie. Vanaf een jaar of acht mocht ik skiën.

      Of de familie nu precies doorhad dat wij een antiautoritaire opvoeding kregen, weet ik niet. Wel wisten ze van Tineke en Vincent: die zijn ontzettend links. We hadden een busje met grote letters er op: Atoomenergie, nee. Mijn vader had zulke lange haren en een snor. De familie van mijn vaders kant vond dat helemaal niks. Het was allemaal de schuld van Tineke. En de moeder van Tineke zei:
      "Die arme Vincent. Die dochter van ons is ook zo'n kreng."
      Tineke kreeg van twee kanten de schuld. Oma dacht dat de kinderen nooit goed uit die strijd zouden komen. Ik ben het oudste kleinkind en haar lievelingetje. Ze zegt wel eens:
      "Hoe jij toch zo netjes uit die opvoeding bent gekomen. Ongelooflijk."

      Dat mijn ouders er meer relaties op nahielden, heb ik nooit geaccepteerd. Daarin gingen ze over de schreef. Ik was een jaar of zeven, acht toen mijn moeder voor het eerst zonder Vincent op vakantie ging met een groep vrienden. Hans was met mijn moeder mee geweest op wintersport. Met hem kon het goed vinden. Hij heeft me leren skiën, in Sauerland.
      Op een gegeven moment kreeg ik door: hij is er altijd als Vincent er niet is, dat klopt niet. En Vincent kon het met hem duidelijk niet vinden. Er hing dan een spanning in huis die ik voelde, waar ik niks mee te maken wilde hebben. Als hij naar boven ging, naar Tineke, ging ik de boel terroriseren. Ik sprak niet meer, ik ging de tv keihard aanzetten. Ik was een tirannetje als ik mijn zin niet kreeg. Tineke vond dat heel erg moeilijk. Terwijl ik die man toch aardig vond, heb ik toen besloten: daar praat ik niet meer tegen. Ik heb het contact gekapt. Ik was bot en maakte rotopmerkingen. Mijn ouders zeiden:
      "Gedraag je gewoon, doe niet zo kinderachtig."
      Met Hans ging ik pas weer praten, toen hij met een andere vriendin langs kwam. Ook dat Vincent wel eens apart op vakantie ging met een vriendin vond ik niks. Hij zei dan:
      "Ik kom later naar jullie toe."
      "Wat mij betreft, hoef je dan ook niet meer te komen. Blijf maar weg".
      Als er een vriendinnetje van mijn vader was, zei ik: Ik vind mijn moeder veel leuker. En de hele avond kon ik gemeen zijn.

      Voor de ruzies van Tineke en Vincent was ik echt bang. Het was de manier waarop het ging, met grof geweld. Ze schreeuwden tegen elkaar en wij stonden daar bij. Het hele servies ging door de lucht. Er is veel gebroken, de helft tegen de muur en de rest braken wij bij het afwassen. Het gaf niet. Daar hechtten ze geen waarde aan. Tineke heeft er nu pas spijt van dat het oude Wedgewood servies helemaal is kapot gegaan. Er is niets van over. Ik ging niet in mijn bedje boven liggen huilen, maar ging er tussen staan:
      "We gaan niet slapen voordat jullie het bijgelegd hebben."
      Mijn broertje stond achter me en die knikte dan. Ik had hem nodig, maar hij zou nooit wat zeggen, alleen knikken dat het absoluut waar was.
      Mijn ouders vonden dat kinderen het best mochten weten dat je het niet met elkaar kunt vinden. Pas nu zeggen ze: Dat hadden we nooit moeten doen. Het ging over niets. Over dat de één te lang op een feestje was blijven hangen, of iemand was vergeten de ketting voor de fietsenkelder te hangen, of dat wij te laat waren opgehaald van school.
      Ze hebben een tijdje op het punt gestaan om te scheiden. We gingen op vakantie in een oude bus, waar we in rondreden door Frankrijk, Spanje, Portugal, die kant op. Toen hebben m'n broertje en ik een plan bedacht, wat we zouden doen zodat die scheiding niet door kon gaan. We werkten met z'n tweeën alle boycot-ideeën uit. Het bleek niet nodig ons plan uit te voeren.

      Na de lagere school ging ik naar het VWO. In talen was ik niet sterk. Tineke dacht altijd dat ik te jong was om het te kunnen halen. Toen de leraren dan ook met het idee kwamen dat ik naar de HAVO moest gaan, ging Tineke daar direct mee akkoord.
      "Laat ze het maar eens gemakkelijk hebben."
      En ik vond het prima. Die talen lukten niet. Maar volgens mij is het iets te gemakkelijk gegaan, zeker als ik nu zie hoe gemakkelijk mijn studie me afgaat. In de selectie voor deze studie werd één op de tien aangenomen. Prestatiegerichter kan al bijna niet, een carrièregerichte opleiding. Nog erger dan de HEAO.
      Vincent had die bewuste brief ontvangen toen hij bezig was in de kelder, met een tuinbroek aan en een T-shirt met allemaal gaten. Hij hoorde de post, hij naar boven en las dat ik was aangenomen. Hij is in de auto gesprongen, met verf nog in zijn haar. Je had op mijn school het hippie-gedeelte, dat blowde in het leerlingenhok en dan de mensen die zich optutten en uitgingen. Ik hoorde bij die laatsten. Vincent kwam daar binnen, ik vergeet het nooit. Ik kon wel door de grond gaan. Hij tilde me op en riep: Het is gelukt.
      Voor mijn vriendinnetjes was het niet zo erg, omdat die al wel bij me thuis waren geweest, maar meer ten opzichte van de jongens. Maar ze vonden het 'cool' dat ik zo'n pa had.

      Geld interesseert me niet zoveel, maar ik zou best eens de keiharde businesswereld in willen. Een jaar of vijf kijken wat ik kan. Toen ik voor het eerst in Amsterdam zat, was ik heel erg jong, zeventien jaar. Ik leerde een meisje kennen, waarmee ik het hartstikke goed kon vinden. Het was haar al gauw duidelijk dat ik anders was opgevoed, dat ik uit een vrije omgeving kwam. Ik had het altijd over Tineke en Vincent.
      "Tineke heeft voor je gebeld. Ze klonk wat ouder. Maar ik weet niet wie het was."
      "Oh, dat was mijn moeder."
      Ook hoe ik over mijn ouders praat. Of als ik bijvoorbeeld voor een projectgroepje netjes moest zijn, dan leende ik een jasje van Tineke.
      "Goh, leuk jasje."
      "Ja, dat is van Tineke."
      De kleren van je moeder, dat deed niemand.

      Materialistisch? Ik hou van mooie spulletjes en hecht er heel veel waarde aan een gezellige kamer, mooie kleren, goeie sportschoenen. Ik weet hoe ik er uit wil zien en wat ik belachelijk vind. Ik heb daar uitgesproken ideeën over en geef er ook geld aan uit. Tineke en Vincent helpen wel met het betalen van de studie, maar voor mijn luxe, extra kleren, uitgaan, heb ik altijd gewerkt.
      Ik vind het belangrijk dat ik altijd voor mijn eigen dingen gewerkt heb. Ik verdiende in de horeca bakken met geld en hoe meer ik verdiende, hoe meer lol ik had. Ik ben niet gewend om geen geld te hebben. Ik heb een luxe levensstijl, zeker voor een student.
      Als ik in mijn omgeving iedereen maar op een anders zak zie teren, hetzij op zijn ouders zak of die van de staat, ja dan denk ik wel eens... zoals met die studentenstakingen, jongens, ga maar werken voor je geld.
      Als ik me politiek moet plaatsen, D66, ietsje meer links dan rechts. Ik ben streberig. Ik kan er niet tegen als ik tentamens niet haal. Dat gebeurt dan ook niet, daar zet ik alles voor opzij en dan haal ik ze gewoon. Voor vrouwenemancipatie hoef ik ook niet meer te vechten. Tineke, die moest zich nog emanciperen. Het was toen niet gebruikelijk om te blijven werken. Dat gevecht is nu geleverd, dat hoef ik niet meer.

      Ik heb geen zin in vriendjes of vriendinnetjes ernaast. Daar wil ik niks mee te maken hebben. Anders hoeft het voor mij niet. Je moet ook open en eerlijk zijn met vrienden, niet elkaar lopen te besodemieteren.
      Soms voel ik me zelfstandiger dan anderen van mijn leeftijd. Ik ging op mijn zeventiende op mezelf wonen en kan heel goed mijn eigen boontjes doppen. Toch hang ik aan thuis, zeker aan Tineke. Ik ben afhankelijk van haar. Haar mening bepaalt nog heel sterk hoe ik beslissingen neem. Daar hou ik echt rekening mee.
      Mijn vader heb ik altijd geweldig gevonden. Een schatje. Maar met hem heb ik een heel oppervlakkig contact. We praten bijna nooit over gevoelens. Maar we gaan heel gezellig en gemakkelijk met elkaar om, net als met mijn broertje.
      Bij problemen zijn het echt ouders voor me, maar voor de rest zijn het een soort vrienden. Tineke en Vincent beschouwen me nu als volwassen. We praten over alles. We hebben eigenlijk een punt bereikt dat we alle vier gelijkwaardig zijn. Op de een of andere manier ben je niet meer alleen hun kind.

      Praten over 'toen' doen we pas sinds kort. De discussie is op gang gekomen, toen ook mijn broertje op kamers ging. De directe aanleiding was, dat ik een jaar of vier geleden nogal depressief was. Ik ging altijd conflicten uit de weg en Tineke voelde zich daaraan schuldig.
      "Misschien zijn wij er wel schuldig aan dat je alles wat moeilijk is, uit de weg gaat."
      "Waarom moesten wij jullie nou zonodig bij de voornaam noemen. Dat had toch wel wat flexibeler gekund? Waarom moest dat nou? Je was toch ook mijn mamma? Ik had behoefte aan een pappa en een mamma, niet aan een Tineke en Vincent."
      Nu zeg ik vaak mamma, dat gaat vanzelf. En Tineke vindt het prachtig.

      Als mijn vriendinnetjes vragen:
      "Wat is dat dan, een antiautoritaire opvoeding?"
      "Dat je zelf mag bepalen hoeveel koekjes je eet en als dan de koektrommel leeg is, krijg je op je flikker."
      Wat ik wel goed vind, is dat je kinderen om hun mening vraagt, hoewel je daar niet teveel van moet verwachten. Je kunt wel aan kinderen vragen: wat zou jij willen doen, maar je moet je niet teveel door hun ideeën laten meeslepen. Ik denk dat ze ons veel meer kind hadden moeten laten.
      Kinderen kunnen niet alles weten en bepaalde beslissingen absoluut niet nemen. Ik kreeg op mijn achtste al kookbeurt. Dat was de eerste keer prachtig, chocolademousse maken, pannenkoeken en alle aandacht. Maar vervolgens waren paps en mams tot zes uur aan het werk en moest ik de boodschappen doen en om zes uur het eten op tafel, eens in de week, op je tiende. Volgens mij heb ik, tot ik op kamers ging, geen pan meer aangeraakt. Nu de laatste paar jaar vind ik het leuk om te koken. Ze hadden iets flexibeler moeten zijn.
      Ik ben toch wel in een harmonieuze omgeving opgevoed, kreeg veel aandacht van paps en mams en dat is heel positief geweest. Het gaat best wel goed met ons. Ik zou mijn kinderen niet antiautoritair opvoeden, maar in de basis wel.









      Een groepje uit Amsterdam ZO

      1995
      ANGELA, JEAN, SUZAN en FEMKE

      Angela:
      Via foto's heb ik beelden van de crèche, maar niet uit mezelf. Er was een soort speelboot met een glijbaantje en een klimrek, dat ik in het zand zat met Jean.

      Jean:
      Deirdre kon staande plassen, beter dan ik zelf. Rechts de keuken, rechtdoor was een kamer met tv en balkon, links de badkamer en iets verderop rechts was nog een kamer, een slaapkamertje, en natuurlijk die grote zandbak. Die boot kwam later.
      We waren met z'n drieën en niemand durfde het te proberen en dus moest ik het doen. Ik kan me een flits herinneren en dat ik achterover viel. Ik stopte mijn vingers in het stopcontact. Ik moest op mijn tenen staan om erbij te kunnen.

      Suzan:
      Als je Birgit vergelijkt met de rest van de leiding, was zij strenger. Ik was een beetje bang voor haar. Er was niet voor iedereen een fietsje en Birgit zorgde er altijd voor dat haar jongste dochtertje een fietsje had. Gelukkig waren onze ouders dichtbij. Als er ruzie was dan koos je een ouder uit van wie je wist dat die het aardiger aan zou pakken.

      Angela:
      Sjama, mijn eerste vriendje, een etterbak, was verliefd op mij, maar ik wilde niks van hem weten. Toen heeft hij mijn vingertjes naar achteren geknakt. Toch was het gezellig. Ik krijg een heel warm gevoel als ik eraan terugdenk. Mensen zeiden wel tegen mij: Je bent enig kind en ben je dan niet eenzaam? Nou ja zeg, we sliepen bij elkaar. Ik ben met broertjes en zusjes opgegroeid. Altijd mensen om je heen en kinderen.

      Suzan:
      Alles werd besproken, uitgesproken en overlegd. Je mening werd gevraagd, ook van de kinderen. Ik zag wel bij vriendjes en vriendinnetjes dat die geslagen werden. Als ik iets fout had gedaan, dan werden er heel zorgvuldig woorden voor gekozen: Je hebt even niet goed nagedacht. Het kan ook anders. Zou je het de volgende keer anders kunnen doen?
      Eindeloze gesprekken.

      Femke:
      Ze zochten overal teveel achter. Een klein ruzietje werd soms opgeblazen tot een groot iets omdat de hele groep erover in discussie ging. Als er iets met een kind was, dan moest iedereen om de tafel en dan werd dat besproken. Daar waren de kinderen bij. Alles werd in een groepsdiscussie opgelost. En dat die ouders zeiden: Ja, je kunt niet tegen het ene kind zeggen, jij hoeft niet roosvicee te drinken en tegen de rest dat ze het wel moeten.

      Angela:
      Op een goed moment deed je gewoon alles goed, want je had geen zin in zo'n gesprek. Soms was het al uren geleden. Dan moest een ruzie bijvoorbeeld, nog helemaal worden uitgepraat, terwijl je het al lang had bijgelegd. Je wist niet eens meer waar het over ging. Ik kon heftige ruzies met Femke hebben, op vakanties, bij het kamperen. En dus regelmatig bij Birgit 'op gesprekje'.

      Jean:
      Iedereen noemde zijn ouders bij de voornaam. Ik denk dat wij geen van allen papa of mama zeiden. En dat is natuurlijk raar. Ik kende het woord 'pa' helemaal niet, totdat ik elf was of zo.

      Angela:
      'U' zeggen vind ik moeilijk; dat zit er gewoon niet in. Ik begin er dan wel mee en als ik dan een uur bij iemand op de bank heb gezeten, zeg ik toch 'je'. Mensen vonden dat soms beledigend. We waren heel eigenwijs; met een grote mond.

      Femke:
      Ik zorgde ervoor vaak het laatste woord te hebben, vooral in de puberteit. Ik besliste wat er zou gebeuren. Ik wil nog steeds het laatste woord hebben. Achteraf vind ik dat het allemaal is rechtgetrokken. Heel veel crèchekinderen hebben een heel goed contact met hun ouders.

      Jean:
      We zouden in een woongroep gaan wonen. Dat is er nooit van gekomen. Ze gingen intensief met elkaar om, zonder hiërarchische grenzen of dominante structuren of statuten die dingen in stand moeten houden. Er ontstonden ruzies. Iedereen ging scheiden; echt achter elkaar. Er kwam een autoritaire, dominante vader tussen. Mijn moeder verhuisde naar het huis van de buren, doorgebroken balkon.
      Ik was zeven. De omgang met de andere kinderen was er niet meer, behalve met een klein, selectief groepje. Ik denk nu: zoveel gezamenlijk ondernemen, dat is gedoemd te mislukken. Ik zie een verband tussen intensief met elkaar omgaan en die scheidingen.

      Mijn anti-autoritaire opvoeding heeft tot gevolg gehad dat ik weet hoe het zit en dat ik daarover spreek met wildvreemde mensen. We zijn sociaal heel vaardig. We kunnen goed in een groep functioneren.

      Angela:
      Sociale vaardigheden, ja, het om kunnen gaan met andere mensen, hoe ze er ook uitzien. Roddelen, deed je niet, nooit. Als ik iets niet leuk vond van iemand anders, dan zei ik dat, direct tegen die persoon. Nooit achter iemands rug om. In de crèche voelde ik me veilig, daar werd ik niet op mijn kleur geattendeerd. Als ik dan later naar mijn nichtje ging, in een dorpje, dan werd er gezegd, oh, zwarte piet, of bruintje of zo. Op de crèche vielen alle verschillen weg. Dat was heel belangrijk voor mijn ontwikkeling.

      Femke:
      Bij mij gaat het dus meer om verantwoordelijkheidsgevoel. Ik had mijn eigen fietsje om naar school te gaan. Ik moest al heel vroeg alleen naar school, terwijl mijn vriendjes werden gebracht en gehaald. Wij gingen ook al heel snel alleen overblijven thuis. Dan kreeg je de sleutel.
      M'n ouders gaven me het gevoel: je kan het, maar je moet het ook doen. Die verantwoordelijkheid kreeg je. Je ging er daardoor over nadenken. Wat kinderen in hun puberteit doen, heb ik niet gedaan. Ik had weinig om tegen aan te trappen. Ik mocht uit. Ik heb die grenzen wel een beetje gemist.

      Angela:
      Mijn moeder en ik zijn meer vriendinnen dan moeder en dochter. Ik heb een periode gehad dat ik over mijn moeder heen walste. Of dat nou met anti-autoritaire opvoeding te maken had of dat ze geen overwicht meer had op mij.... Maar toch, des te meer ik tegen haar aanschopte, des te beter werd die band tussen ons. Dat klinkt heel raar, maar ik heb heel veel respect voor mijn moeder.
      Eigenlijk was het een dubbele opvoeding: aan de ene kant heel zelfstandig, aan de andere kant heel beschermd. Ik dacht dat iedereen aardig was en respect voor de ander zou hebben. Toen ik uit dat wereldje stapte bleek dat dat helemaal niet zo was. Dat begon toen ik naar de lagere school ging, een tamelijk anti-autoritaire school trouwens, maar toch. De kinderen gingen heel anders met elkaar om. De relatie tussen ouder en kind was anders. Als ik bij een meisje wilde spelen, zei zo'n ouder bijvoorbeeld: daar komt niks van in. Dat gebeurde op de crèche nooit. Je ging gewoon mee. Ik werd nu ook echt als enig kind gezien, een zielig meisje. Al die kleine dingen, daaraan merkte ik dat ik een andere opvoeding had dan die mensen om me heen.

      Femke:
      Ik merkte dat verschil ook. Bij vriendjes en vriendinnetjes was het: pas op dat je dit niet breekt, en: doe maar niet, en dan werd die boterham voor hen gesmeerd, zeg maar, omdat het een puinhoop werd. Ik snapte niet waarom zij dat niet mochten.

      Angela:
      We reisden heel veel. Uitbreiden van je horizon, heette dat. We zijn geïnteresseerd in het buitenland.

      Jean:
      We zijn verwend. Een vakantie is niet meer interessant als je niet op z'n minst in Indonesië bent geweest. Ik heb een jaar gereisd naar Zuid-Afrika, Zimbabwe, Namibië, dat kon met Interrail.

      Angela:
      Maar dat doet toch iedereen! Veel mensen uit de crèche zijn ook in het buitenland gaan studeren.

      Femke:
      Dat kost wel geld.
      Toch denk ik dat de crèchekinderen zich met weinig geld kunnen vermaken.

      Angela:
      Ik ben niet materialistisch en veel mensen van de crèche niet. Jean hecht meer waarde aan materiële zaken dan ik of Suzan. Ja, echt waar hoor. Merkgympen en zo.

      Jean:
      Er ging een hele groep tegelijk naar de kleuterschool, Woelwater. Het was de bedoeling, hoorde ik later, om twee klassen te maken waar de crèche dan in zou komen. Dat wilde de school niet. De lagere school zat er naast: De Blauwe Lijn.
      Daarna, zoals heel veel mensen, naar de OSB. Ik heb VWO gedaan, was uitgeloot voor medicijnen en zou naar het leger moeten. Ik moest dus wel gaan studeren, want ik wilde niet in het leger. Dus gebladerd en geprikt en de studie psychologie bevalt me prima. Je leert wat over jezelf, over de mensen, je bent bezig je geest te trainen.

      Angela:
      OSB stond voor sociale vaardigheid aanbrengen. Dat leek me prima. Achteraf vond ik ook heel veel dingen niet leuk. HAVO gedaan. Toen ben ik het danscircuit ingedoken, van m'n zesde tot m'n zestiende. Ik was 80% van m'n leven met dans bezig. Elke dag trainen en oefenen. Hoogte- en dieptepunten. M'n danscarrière is op m'n vijftiende ingestort. Ik kreeg tijdens een auditie een ongeluk waardoor ik niet meer professioneel kan dansen. M'n knieschijf lag in de prak. Ik ben er nog steeds niet overheen. Ik zal er geen dramatisch verhaal van maken, maar het was een drama. Ik dacht: dan maar naar Spanje, om mezelf een beetje te leren kennen. Interrail. Samen met Suzan. Prachtige taal. Terug, HBO, lerarenopleiding Engels om naar de universiteit te kunnen. Maar het is geen passie. Ik ben toch meer iemand van expressiviteit. Ik heb laatst in een toneelstuk gestaan. Ik zou wel meer toneel willen doen. Ik klus bij met schoonmaken, geef bijles wiskunde en Nederlands en geef les aan een groep Zuid-Amerikaanse Spaanstalige mensen. Vier bijbanen.

      Femke:
      Ik ben op de OSB wezen kijken, een gesprekje gehad. Het leek me niet een school die bij me paste. Op de IVKO krijg je alle basisvakken, maar heel minimaal. Daarnaast krijg je dans, toneel, fotografie, alle creatieve vakken. Je krijgt een jaarkaart. Er wordt geen les gegeven, niks klassikaal. Ik ben een van de weinigen die het in vier jaar gedaan heeft. Er zijn mensen die er acht jaar over deden. Ik zat met mensen in de klas die veel ouder waren. Dat ik die school in vier jaar wilde doen, gaf problemen. De docenten vroegen waarom ik zo'n haast had. Zelf hadden ze niet zo'n haast. Als ik iets snel maakte, dacht ik dat zij het snel zouden nakijken, maar dat was niet zo. Daarna ben ik naar de VBO gegaan bij het Weesperplein. Hele andere school. Ik kreeg opeens huiswerk, moest briefjes halen. Ik was gewoon een nummer, een cijfer. Ik moest er erg aan wennen Geen werkstukjes, maar repetities. Als je een vijf haalde, had je het niet geleerd. Ook al had ik het wel geleerd, maar kon ik het gewoon niet. Ik vond het niet leuk, maar als ik ergens aan begin, wil ik het ook afmaken.
      In december was ik klaar en ging naar Frankrijk. Daar heb ik gewerkt in een skioord. Ik wilde graag skiën, maar daar had ik geen geld voor. Ik dacht, ik leer wel Frans, maar dat is niet gelukt. Ik wilde mezelf bewijzen dat ik gewoon weg kon. Ik was toen 17, 18. Daarna naar de meubelvakschool en daar zit ik nog steeds op. Ik wilde eerst binnenhuisarchitectuur doen, maar dat leek me toch te theoretisch, met natuur- en wiskunde. Volgend jaar ga ik restauratie doen. Ik heb al opdrachten. Met een vriendin hebben we een bankje gekocht op het Waterlooplein en dat zijn we aan het bekleden. Die proberen we aan Coolcat te verkopen voor in de etalage. Ik moet nog zien of het lukt. Ik maak ook schoon en ik doe klusjes. Wat ik begin, dat maak ik af.

      Jean:
      Ik studeer nu vier jaar. Ik ben streberig. Het kiezen van psychologie was natte-vinger-werk. Maar ik ben er wel in geïnteresseerd geraakt. Ik ben er niet na een jaar mee gestopt. Ik heb baantjes gehad. Schoonmaak, lopende-band-werk, enzovoort. Niet leuk. Ook wel leuke baantjes: als zeilinstructeur.
      Ik praat graag over mezelf. Dat wordt me weleens verweten. Een slechte eigenschap: Hoe kan ik nou ooit therapeut worden als ik niet kan luisteren. Ik heb klinische psychologie gedaan. Iedereen kent mij. Ik ken hen niet. Ik stel me misschien ongeïnteresseerd op, terwijl ik dat diep in mijn hart niet ben. Ik houd de mensen op afstand. Het is een soort tegenstrijdigheid, want ik ben wel erg sociaal vaardig. Wat betreft mijn vriendschappen zoek ik het meer in de kwantiteit dan in de kwaliteit. Ik heb goede vrienden en mijn broer natuurlijk.

      Suzan:
      Bij verkiezingen mag ik niet stemmen want ik heb de Belgische nationaliteit. Ik zou me er evengoed wel in kunnen verdiepen, maar ik heb geen interesse. Ik ben meer in de denkwijzen van personen geïnteresseerd dan in die van politieke partijen. Die vind ik te algemeen. Ik vind wel dat er veel in Nederland fout gaat. Ik kan me er vreselijk aan ergeren dat er zo veel werkloosheid is, en dat er geen bewaking is in de metro, in de Bijlmer. Junks in de metro. Ik zit liever niet meer in de metro.

      Angela:
      Ik hou wel, sinds ik studeer, de actualiteit bij, via het nieuws en de krant. En wat er in mijn omgeving gebeurt. Beveiliging, criminaliteit. Ik ga niet demonstreren of zo. Wel als het racisme betreft. Ik heb een vriendje dat heel erg politiek bewust is, die trekt me wel mee. Hij leert me veel.

      Jean: Ik volg het nieuws, maar ik maak me er niet druk om. Het is gespreksstof. Als er echt iets gedaan moet worden, kan dat. Bijvoorbeeld door de invoer
      van wapens te stoppen. Ik word wel geraakt door maatschappelijke en politieke gebeurtenissen. Door het één meer dan door het ander. Ik heb een soort immuniteit gecreëerd. Ik lees geen krant. Ik ben op de hoogte via de televisie. Mijn stiefvader zit in de gemeentepolitiek. Hij stimuleert mij om me daarmee bezig te houden. Krakers, daar ben ik wel cynisch over. Ze kraken niet een Bijlmerflatje, omdat ze daar niet willen wonen. Dan kan je wel politiek bewust zijn, en groen, maar dan ben je er alleen op uit om er zelf beter van te worden.

      Suzan:
      Veel mensen die tegen discriminatie zijn, doen zelf weinig met andere culturen. Op de Blauwe Lijn was een discussie geweest over Sinterklaas: wat doen we met de zwarte pieten. Maken we er blauwe pieten van? Iedereen hoorde elkaar maar half en veel werd verkeerd begrepen. Toen ging het helemaal fout. Ik zei dat er volgens mij in de Bijlmer weinig discriminatie van blank tegen zwart was. Wel tussen Surinamers en Chinezen, en die weer tegen anderen. Yoen zei iemand: vind jij dat er geen discriminatie meer is? Misverstanden. Laten we er maar over ophouden, zei Femke. Toen dacht weer iemand dat Femke het niet belangrijk genoeg vond om het erover te hebben. Emotionele uitbarstingen.

      Suzan:
      In hun tijd gingen onze ouders wekelijks naar demonstraties; ze waren behoorlijk politiek. Maar dat is ook die tijd. Ik denk dat het met golfbewegingen gaat. Na ons zal er wel weer een generatie komen die bijvoorbeeld tegen de studiefinanciering tekeer gaat.

      Jean:
      Oh, dat denk ik niet. Ondanks onze anti-autoritaire opvoeding zijn wij toch in een ik-tijdperk terecht gekomen. Gericht op het individu. Ze hebben geprobeerd om ons niet tot individualisten op te voeden, maar we zijn het toch geworden. We..? Nou, ik dan.

      Suzan:
      In de jaren zestig, zeventig was het: we gaan met een groep en we gaan er voor. Nu is dat minder. Samen deed je toen aan politiek. Het was meer een manier om je vrienden bij elkaar te zoeken, onder het mom dus van de politiek. Het was je sociale leven. Nu ken je je vrienden uit de kroeg.

      Jean:
      De jaren zestig, de politieke activiteiten. Nu is het allemaal niet meer zo rooskleurig en peacefull. Ik heb dat nooit meegemaakt, maar ik zou dat wel willen.

      Angela:
      Ik zou mijn kind wel een groepsopvoeding geven. Je deelt de ouderlijke verantwoordelijkheid dan met andere ouders. Mijn moeder vond dat als alleenstaande ouder heerlijk. Respect voor de medemens, dat dat van jongsaf aan een vanzelfsprekendheid is. En rechtvaardigheidsgevoel. Dat dat zou ik mijn kind zeker willen geven. Dat gelijke niveau met mijn moeder, die gelijkwaardigheid, vind ik ook heel belangrijk. Ik zeg niet dat je dan fantastische kinderen krijgt. Wel zie ik bij mensen die heel autoritair zijn opgevoed een soort afstand tussen hen en de ouders, soms haat. Altijd het idee dat je moet presteren, dat je je moet bewijzen. Dat heb ik nooit gehad.

      Jean:
      Dat anti-autoritaire, ik weet niet. Ik zou wel duidelijke regels stellen. Geen discussie dus met een kind van vier als het over zaken gaat die mijn verantwoordelijkheid betreffen. Ik zou het met mijn kinderen anders doen. Met naar bed gaan, dat soort dingen, dan ben ik gewoon degene die dat uitmaakt. Daar is helemaal geen discussie over mogelijk. Ik bedoel, je bent een ouder en je bent niet een speelmaatje. Maar er zullen natuurlijk wel zaken zijn waarover je wel discussieert. Het hoeven geen robots of machines te worden. Ik zou mijn kind wel in een groep opvoeden. Ik heb een hele leuke tijd gehad. Ik heb er geen behoefte aan te ageren tegen de opvoedingsmethoden van mijn ouders. Dat hebben zij wel gedaan.

      Suzan:
      In een groep, dat is leuk. Ook om het over de kinderen te hebben. Hoe gaat het daar en hoe pak jij dit aan... Ik zou er bij de opvoeding in een groep toch meer op letten dat er ook veel verschillen zijn.
      Onze ouders zochten nogal veel achter dingen.

      Femke:
      Ik zou zelf waarschijnlijk wel strenger zijn, al lijkt me teveel hiërarchie tussen ouder en kind niet goed. Ik wil dat het kind het gevoel heeft: ik kan alles overleggen. Zoals mijn moeder me opgevoed heeft, daar ben ik voor. Maar dat wil niet zeggen dat een kind altijd het laatste woord moet hebben. Ik wil wel de filosofie van anti-autoritair opvoeden, maar niet de praktijk.