Daan van Alten

Beira 2005

Faculdade de Medicinas da UCM-Beira, Moçambique.

In 2000 is de UCM begonnen met een medische faculteit, de tweede in het land, na die van de Universidade Eduardo Mondlane in Maputo.
Vooral in het midden en noorden van het land is een doktersopleiding van zeer groot belang, gezien het gebrek aan medische kennis en medisch personeel. Met een voor hier nieuwe methode (problem based learning, PBL) en in nauw contact met de universiteit van Maastricht (en met andere universiteiten) wil de UCM een nieuw type artsen afleveren aan Mozambique.

De eerste twee jaar kwamen er telkens ruim 60 nieuwe studenten bij; het derde jaar begon het aantal toe te nemen en momenteel (2005) komen er jaarlijks meer dan 100 studenten bij.

Maar er vertrekken er ook vrij veel en dat is zeker ook te danken aan het selectiejaar, ook wel propedeutisch jaar genoemd dat de studenten moeten doorlopen om hen de noodzakelijke vaardigheden bij te brengen in de Engelse taal en in computerkunde, om hen enigszins op één lijn te brengen wat betreft kennis van exacte vakken en om diegenen te selecteren die voldoende capaciteiten hebben om de zesjarige studie te realiseren.

Er is in Mozambique een groot gebrek aan artsen en zeker aan artsen die aan een medische faculteit willen en kunnen werken. De Medische Faculteit UCM heeft dan ook voorlopig nog veel buitenlandse docenten, zowel onderwijskundigen als artsen. Maar het is de bedoeling om op termijn meer Mozambikanen in te schakelen die het kunnen overnemen. Momenteel worden uit de ouderejaars al studenten gevraagd zich voor te bereiden op een organiserende rol in de Faculteit.

Ongeveer 60% van de studenten bestaat uit dames. Blijkbaar is het animo van de heren om medicijnen te studeren minder groot, een trend die in vrijwel alle landen te zien is, ook in Nederland.

Mijn entree
In april 2000 ontmoette ik de rector, dr Couto, die vervolgens aan DOG vroeg om mij uit te zenden naar Beira om te helpen bij de opbouw van de nieuwe medische faculteit. Het werd een prachtige baan waarin ik meer dan ooit de kans kreeg om leuk, innovatief en uiterst zinvol werk te doen.
In mijn benoemingsbrief wordt gesproken over: alles doen wat nodig is om aan de studenten scheikundeles te kunnen geven en tevens dat ik daarnaast de taak had om de directie onderwijskundig te ondersteunen. Het zou drie jaar duren. In werkelijkheid heb ik - naast deze bedoelde activiteiten - ook andere verricht en het bleef niet bij drie jaar. Het werden er bijna vijf.

Mijn werkzaamheden aan deze medische faculteit kunnen onderverdeeld worden in twee groepen:
  1. werkzaamheden als senior docente (bio)chemie, met name in het selectiejaar
  2. werkzaamheden als onderwijsmanager om een goed functionerend propedeutisch jaar van de grond te krijgen.

De chemie
Wat betreft de chemie, het volgende:
Er moest een programma en curriculum gemaakt worden voor de basiscursus chemie. Daarbij hoorde lesmateriaal, een laboratorium en de invoering van een lesmethode die de studenten voorbereidde op de PBL-methode van de jaren daarna.

Ik heb daartoe:
  1. een studiehandleiding geschreven: "Scheikunde voor Medici" met daarbij een tabellenboek met te gebruiken gegevens;
  2. het laboratorium voor chemie ingericht, alle materiaal besteld en een handleiding gemaakt voor practicumlessen;
  3. in vervolgjaren lessen gemaakt voor biochemie.
  4. op missie geweest naar de faculteit voor landbouwkunde in Cuamba (noorden van het land) om aldaar te helpen ook een dergelijk en degelijk programma op te zetten voor scheikunde in het voorbereidend jaar.
  5. Ook in Cuamba was een cursus gestart voor docenten middelbaar onderwijs, een vorm van afstandsonderwijs waar in de vakanties lessen werden gegeven. Ik moest de scheikunde docenten van materiaal voorzien, lesgeven in deze vakantieperiodes en hun werk corrigeren. (Op dit type werk zou ik me later specialiseren.)

Gedurende het derde jaar heb ik samengewerkt met een Mozambikaanse counterpart die vervolgens dit werk heeft overgenomen.

Heel belangrijk was de onderwijsmethode in dit voorbereidend jaar. We hadden een aantal criteria opgesteld die moesten helpen om een nieuw en beter onderwijsklimaat te realiseren:
Minder afhankelijk van de docent, dus meer student gericht, leren met en van elkaar, leren studeren met boeken en ander materiaal, de theorie verbinden met de praktijk, studievaardigheden aanleren en alvast wat ervaring opdoen met vraagstukken van het type 'problem based'.


Het propedeutisch jaar
Na ongeveer een half jaar werd ik gevraagd om - naast mijn werk als scheikundedocent - coördinator te worden van het propedeutisch jaar, met de bedoeling dat er een evenwichtig programma zou komen t.b.v. alle vakken, en ook dat de overige vakken hun inhoud zouden inrichten op de manier zoals ik dat deed bij scheikunde. Met name moest er gelet worden op de toegepaste onderwijsmethode in de overige vakken.
Er moest dus regelmatig vergaderd worden met de collega's en gekeken worden naar alle maatregelen om kwaliteit te garanderen.
In Mozambique gebruikt met bij het cijfers geven de schaal van 0 - 20. Met een 10 slaag je, maar wij hebben de minimumeis opgeschroefd van 10 naar 12. Veel aandacht werd besteed aan het participatief leren, wat bepaald niet gebruikelijk was (is) in Mozambique. Het bleek niet gemakkelijk te zijn docenten te vinden die ook practicum konden geven. Onderwijzend personeel in Mozambique heeft theoretisch wel kennis, maar daar blijft het bij. Het in de praktijk brengen van ander onderwijs dan 'voor de klas staan en praten' is hoogst uitzonderlijk.
Ook uitzonderlijk was de strenge controle die we invoerden bij testen en examens. Welhaast tot hilariteit van de studenten, die niet geloofden dat het ze overkwam, werden er regels ingevoerd en gehandhaafd die bijvoorbeeld verboden om tijdens examens naar de wc te gaan, vragen te stellen, materiaal van collega's te lenen, laat te komen, enzovoort.
Naast allerhande maatregelen voor kwaliteitsbewaking waren er natuurlijk de nodige dagelijkse handelingen, zoals het bijhouden van de studentenadministratie, groepsindeling, voorlichting geven aan de nieuwe groepen, het organiseren van diagnostische toetsen, het maken van les- en andere roosters, het verzamelen van resultaten, controle van materiaal, overleg met vertegenwoordigers van studenten en met de docenten. Kortom, het bekende werk dat schoolleiders en onderwijsmanagers doen over de hele wereld.

Toen andere faculteiten (rechten en onderwijskunde in Nampula, Economie in Beira) ook hun 'propedeutisch' jaar gingen herzien, ben ik op bezoek gegaan en heb ik met de organisatie ter plekke gesproken over het hoe en wat er in Beira was opgebouwd.

Als onderwijskundig medewerker begeleidde ik de docenten van het propedeutisch jaar (zie 1.) en moest ik nieuwe lesmethoden invoeren die de beginnende studenten konden wennen aan de komende zelfstudie methode van PBL.
Behalve voor het invoeren van een hernieuwd propedeutisch jaar, heb ik ook voor de invoering van de PBL bezoeken gebracht aan andere faculteiten en kwamen groepjes docenten van die faculteiten naar Beira om door ons (Bernard en ik) een eerste training te ontvangen voor 'problem based learning' methode (PBL). Bernard was de directeur van de Faculteit.

Naast de drie hoofdtaken deden zich regelmatig andere zaken voor, zoals het voorlichting geven op middelbare scholen en vele uren zijn gaan zitten in het vertalen en aanpassen aan de Mozambikaanse situatie, van medische blokboeken van Nederlands in Portugees.


Het Centrum voor Afstandsonderwijs (CED)

In de loop van jaar drie, en in samenhang met mijn werk in het Noorden, tekende zich de nieuwe weg af die ik zou inslaan, ongeveer aan het begin van het jaar 2003.

Zoals vermeld in hoofdstuk 1, werd ik betrokken bij het opkomende afstandsonderwijs (in Niassa/Cuamba), met name bij het lesgeven van scheikunde(didactiek) en het ontwikkelen van lesmateriaal. Toen ook in de provincie Sofala de wens en de mogelijkheid ontstond om een dergelijke cursus te organiseren voor docenten middelbaar onderwijs, werd ik door de rector gevraagd dat te coördineren in deze provincie.
Aanvankelijk betrof het een samenwerking met de onderwijskunde faculteit in Nampula, maar al gauw werd duidelijk dat het eigenlijke werk, de organisatie, de ontwikkeling van lesmateriaal e.d. grotendeels werd gerealiseerd door mij en de docenten die ik in Beira had gerekruteerd voor dit doel.


Maatschappelijke achtergrond
De eerste bedoeling van het project was om - via afstandsonderwijs - de docenten van het middelbaar onderwijs in diverse provincies een professionele opleiding te geven. Het merendeel van die docenten zijn jongeren die niet de kans hadden om aan een universiteit te gaan studeren en ook geen baan konden vinden. De universiteiten hebben veel te weinig plaatsen en ook is er grote werkloosheid. Er zijn wel IMAP's (soort pedagogische academies), maar ook daarvan zijn er te weinig en bovendien willen velen meer dan onderwijzer worden aan de lagere school. Vrijwel het enige alternatief voor deze mensen die de middelbare school (twaalfde klas) verlaten, is om leraar te worden, doet er niet toe welk vak, aan hun eigen middelbare school, in de onderbouw (klassen 8, 9 en 10). Soms krijgen ze van overheidswege een paar maanden pedagogische training, vaak niet eens. Ze zijn natuurlijk onbevoegd en verdienen weinig. Ze begrijpen vaak zelf niet wat ze moeten uitleggen. Daartoe gebruiken ze hun eigen schriftjes, met - vaak al dubieuze - aantekeningen van hun eigen docent van de middelbare school, en verhogen het gehalte aan fouten opnieuw. Velen op het platteland hebben nooit de kans om verder te leren, wat dan ook. Ze zitten overal veel te ver vandaan.


Invloed op bestaande onderwijs
Tijdens onze afstandscursus bleek dat ons mes aan twee kanten (of - zo mogelijk - nog meer) snijdt: De cursisten zijn leergierig, hopen van harte dat ze het bachelors diploma gaan halen, wat verbetering van salaris betekent en al gauw merkten ze dat het ook echt het plezier in het werk sterk verhoogt, eenvoudigweg omdat ze zelf de leerstof beter gingen begrijpen.
Behalve vakinhoudelijke verbetering, merkte ik ook dat ze de pedagogisch-didactische informatie toepasten. Zo hoorde ik van leerlingen van die klassen dat hun docent beter gaat uitleggen, voorbeelden uit de praktijk gaat gebruiken en proefwerken zo organiseert dat er niet gemakkelijk gespiekt kan worden. Normaal is dat de docent de krant leest, een sigaretje gaat roken, een biertje drinkt of er helemaal niet is tijdens een proefwerk.
Dat het mes aan twee kanten snijdt betekent het volgende: niet alleen worden de cursisten professioneler, maar ze krijgen (in vakantieperioden) les van docenten van de pedagogische universiteit. Ook daar brengt men nooit andere methoden in de praktijk dan de traditionele. Nu echter, door ons centrum aangenomen om lesmateriaal te maken, moesten ze een nieuw type materiaal ontwikkelen (met modules en eenheden) en heel anders de lessen in deze vakantieperiodes organiseren.
Om die docenten te ondersteunen en te trainen organiseerden we workshops, die een onmiddellijk vervolg hadden in de praktijk. Aan het besprokene konden we in de dagelijkse praktijk meteen refereren. Deze docenten toonden zich zeer enthousiast over deze experimenten en ervaringen. Ze werkten er graag aan mee en niet alleen omdat ze er aardig voor betaald werden. Oftewel, onze cursus verbeterde niet alleen de lespraktijk van de cursisten (docenten middelbaar onderwijs), maar ook die van de docenten van de pedagogische universiteit en andere onderwijsinstituten.
Ik had de lessen zo georganiseerd dat de docenten een halve dag lang een bepaalde groep hadden voor hun vak. Het was onmogelijk om voortdurend les te geven op een traditionele manier en het was een feest om te zien hoe ze hun lessen varieerden: plenaire introductie, groepswerk, discussies, zelfs excursies, alles wat helemaal niet gewoonte is in Afrikaans onderwijsland.


Werkwijze CED
De begeleiding van de docenten bij het maken van lesmateriaal en bij het geven van die lessen was wel een zwaar karwei, een moeizame strijd. Het kostte vele gesprekken en herhalingen van die gesprekken voordat de meesten duidelijk zagen wat de bedoeling was. Een enkeling lukte het echt niet en werd uiteindelijk vervangen. Zo was er een docente 'didactiek van het Portugees' die zo vast zat in haar gewoontes dat ze met geen mogelijkheid tot het inzicht kon komen dat het ook anders kon.
Omdat de UCM ook bij dit project haar traditie eer aandeed door gewoon maar in het diepe te springen zonder zwemdiploma, moesten we leren zwemmen terwijl we al in het water lagen. Dat wil zeggen: de rector nam de beslissing dat die cursus in Sofala er moest komen, en wel per juli 2003. Dat er aan het begin van het jaar nog niets was geregeld, geen docenten, geen materiaal, enz. was geen bezwaar. Er waren immers cursisten genoeg. Het gevolg was dat die cursus er inderdaad kwam, maar het lesmateriaal werd gemaakt en meteen gebruikt; in de loop van de cursus doken dan nieuwe criteria op voor het maken van goed afstandsmateriaal.
Dus begonnen de docenten zoals het in het Noorden gedaan was: iedereen neemt maar wat mee. Maar materiaal voor zelfstudie - we gingen dat doen in de vorm van units van vier studie-uren - is aan de pedagogische universiteiten vrijwel onbekend en niet geschikt voor een cursus op afstand. Dus gingen we straffere criteria invoeren, met de bedoeling dat de student begreep hoe lang hij over een bepaald deel mocht doen, dat binnen de gestelde tijd deze en die opdrachten gedaan moesten worden, en nog veel meer. Voor mij en voor de docenten was dat wel eens verwarrend en extra uitleg en discussies en nieuwe workshops bleken nodig.

Ik had er een gewoonte van gemaakt om de docenten uit te betalen op de laatste dag van die lesperiodes in de schoolvakanties. Dat werd zeer gewaardeerd, maar daartoe moest ik een excel-werkblad (databestand) maken waarin ik vele formules opnam die meteen de ingevoerde gegevens omzetten in het uit te betalen bedrag: zoveel uur les, zoveel werk gecorrigeerd van categorie x, zoveel testen gemaakt en nagekeken, zoveel lesmateriaal ontwikkeld van type y, enzovoort. Overal hoorde een afgesproken bedrag bij. Zo werd de uitbetaling geregeld, een tamelijk zenuwslopende bezigheid, maar zeer bevredigend als het voorbij was.


VSO
In 2003 had ik een bespreking met de vertegenwoordiger van VSO uit Maputo die me vroeg of er behoefte was aan een tijdelijke medewerker. Ik vond dat een goed idee en schreef de terms of reference, in overleg met de rector. Het zou vooral gaan om iemand die onderwijskundig goed geschoold was, om met name te werken aan verbetering van het te ontwikkelen lesmateriaal, inclusief de ideeën over electronic learning.
Het gevolg hiervan was dat in Augustus 2004 Wim de Boer arriveerde, tot grote verrassing een Nederlander. Hij heeft zich zeer goed ingewerkt in de Portugese taal, in het CED, in de pogingen om E-learning te onderzoeken (bijvoorbeeld filmpjes over de didactische aanpak van cursisten), en in het verbeteren van de kwaliteit van lesmateriaal.


Fondsen
Het CED kon profiteren van diverse bijdragen: De NGO's die om academische organisatie van de cursussen vroegen, betaalden daar goed voor. Ook mijn lokaal salaris werd daaruit bekostigd. PSO gaf me een suppletie.
Niet onvermeld mag blijven dat het CED ook ondersteuning kreeg, in de jaren 2004 en 2005, van NUFFIC.
Het totaal te besteden bedrag voor deze twee jaar was € 55.000. Ik heb daarvoor een globale begroting opgesteld. De bedragen zijn vooral bestemd voor studie en training van lokaal personeel, bezoeken aan andere instituten voor afstandsonderwijs (bijvoorbeeld in Zuid-Afrika), voor de bijbehorende reizen, voor bezoeken aan de districten e.d. Dit gaf het CED een mogelijkheid om meer zelfstandig te opereren, maar achteraf bleek dat dit niet helemaal prettig werd gevonden door de vice-rector, padre Ponsi, die alle financiën van de UCM en alle faculteiten stevig in eigen hand wilde houden, vaak tot groot ongemak van de betreffende afdelingen, en soms met grote frustraties.

Naast NUFFIC was er nog contact met "Hilfswerk Austria", een Oostenrijkse hulporganisatie die op enkele plaatsen in de wereld onderzoek deed naar de mogelijkheden van E-learning in rurale gebieden. Het CED kreeg dan ook fondsen van deze groep, ongeveer € 10.000, die gebruikt werden voor materialen en vooral voor het organiseren en realiseren van een aantal workshops over dit thema, elke keer met een groep belangstellenden met ongeveer dezelfde samenstelling, allemaal mensen die met het CED te maken hadden.